Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 1026 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met S3)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ snaaien [stelen]
  • ▾ snaak [grappenmaker]
  • ▾ snaar [snoer]
  • ▾ snade [(gewestelijk) handvat van een zeis]
  • ▾ snak [haastige hap, beet; bits woord]
  • ▾ snakken [happen; de mond roeren, kletsen; begeren]
  • ▾ snaphaan [geweer]
  • ▾ snaphaan [(verouderd) rover te paard; vent, snoeshaan, snuiter]
  • ▾ snappen [happen; babbelen; grijpen, grissen; begrijpen]
  • ▾ snarenspel [het spelen op snaren; snareninstrumente]
  • ▾ snateren [een druk geluid maken (van vogels), kletsen]
  • ▾ snauw [type schip]
  • ▾ snavel [vogelbek]
  • ▾ sneetje [plak brood]
  • ▾ sneeuw [neerslag in bevroren vlokken]
  • ▾ Sneeuwwitje [sprookjesfiguur]
  • ▾ snel [vlug; (gewestelijk) mooi, knap]
  • ▾ snelbinder [elastische riemen op een bagagedrager]
  • ▾ snelhechter [nietmachine]
  • ▾ snelschrift [stenografie]
  • ▾ snelverband [van tevoren klaargemaakt verband]
  • ▾ snert [erwtensoep]
  • ▾ sneu [jammer]
  • ▾ sneuvelen [omkomen]
  • ▾ snijboontje [lange, platte boon]
  • ▾ snijden [met een scherp werktuig scheiden]
  • ▾ snijder [(verouderd) kleermaker]
  • ▾ snik [schuit]
  • ▾ snik [hikkend geluid bij het huilen]
  • ▾ snikken [krampachtige bewegingen maken, krampachtig ademen; (Vlaams) verstikken]
  • ▾ sniksnak [(verouderd) beuzelpraat, mallepraat]
  • ▾ snip [keep, snede]
  • ▾ snip [steltloper]
  • ▾ snippen [in kleine stukjes snijden]
  • ▾ snipper [reepje schil van een oranjeappel of sinaasappel]
  • ▾ snipperdag [een van de vakantiedagen die een werknemer op vrijwel elk gewenst moment kan opnemen]
  • ▾ snipperen [tot snippers snijden]
  • ▾ snob [parvenu]
  • ▾ snobisme [gedrag, opvattingen als van een snob]
  • ▾ snoeien [inkorten van takken]
  • ▾ snoek [beenvis]
  • ▾ snoep [snoepgoed]
  • ▾ snoepen [lekkernijen eten]
  • ▾ snoer [koord, draad]
  • ▾ snoeshaan [snuiter]
  • ▾ snoet [vooruitspringend deel van kop]
  • ▾ snoezelen [therapie voor verstandelijk gehandicapten en demente bejaarden]
  • ▾ snoezelkamer [speciale kamer voor het therapeutische snoezelen]
  • ▾ snood [misdadig; (verouderd) gering, waardeloos]
  • ▾ snor [haar op de bovenlip]
  • ▾ snorrepijperij [(verouderd) prullen, snuisterij; beuzelarij]
  • ▾ snot [neusvocht]
  • ▾ snuffelen [lucht opsnuiven]
  • ▾ snuffen [opsnuiven door de neus; met kracht en geluid inademen door de neus]
  • ▾ snugger [schrander; (verouderd) sierlijk, bevallig, fijn, vlug]
  • ▾ snuif, snuf [het snuiven]
  • ▾ snuif, snuifje [fijn gemalen tabak om te snuiven; hoeveeldheid snuiftabak]
  • ▾ snuifdoos [doos voor snuiftabak]
  • ▾ snuit [(gewestelijk) vlasafval]
  • ▾ snuit [vooruitspringend deel van de kop]
  • ▾ snuiter [kwant]
  • ▾ snuiter [kaarsenknipper]
  • ▾ snuiven [hoorbaar door de neus ademen]
  • ▾ snurken, snorken [keelgeluid maken in de slaap]
  • ▾ SOB [Staat van Oorlog en Beleg]
  • ▾ sober [niet overvloedig]
  • ▾ sociaal [maatschappelijk]
  • ▾ Sociale Dienst [gemeentelijke organisatie voor uitkeringen]
  • ▾ socialisatie [het socialiseren]
  • ▾ socialiseren [ten bate van allen doen strekken]
  • ▾ socialisme [bepaalde maatschappijvorm, ideologie]
  • ▾ socialist [aanhanger van het socialisme]
  • ▾ socialistisch [volgens het socialisme]
  • ▾ sociëteit [vereniging]
  • ▾ sociocratie [manier van besturen gebaseerd op consensus, bedacht door Kees Boeke]
  • ▾ sociologie [leer van de menselijke samenleving]
  • ▾ socioloog [iemand die de sociologie beoefent]
  • ▾ sociometrie [methode om relaties tussen groepsleden te bepalen]
  • ▾ soda [bepaald zout; (Surinaams-Nederlands) bakpoeder]
  • ▾ sodawater [mineraalwater]
  • ▾ sodemieter [scheldwoord]
  • ▾ sodium [natrium]
  • ▾ sodomie [geslachtelijke omgang met dieren; geslachtsgemeenschap tussen twee mannen]
  • ▾ soep [vloeibare kost]
  • ▾ soepel [buigzaam]
  • ▾ soepzootje [rommeltje, mengelmoes]
  • ▾ soes [gebak]
  • ▾ soeten [(Indisch-Nederlands) bij het begin van een spel uitmaken wie hem is door gelijk met de opponent één van drie vingers uit te steken]
  • ▾ soeur [(aanspreekvorm van) rooms-katholieke (orde)zuster]
  • ▾ sofa [rustbank]
  • ▾ sofist [die scherpzinnige drogredenen aanvoert]
  • ▾ soft [(Surinaams-Nederlands) frisdrank]
  • ▾ soja [sojaplant; pikante saus van sojabonen]
  • ▾ sok [korte kous]
  • ▾ soldaat [militair zonder rang]
  • ▾ soldaatje [(Antilliaans-Nederlands) landheremietkrab]
  • ▾ soldeerbout [staaf waarmee gesoldeerd wordt]
  • ▾ soldeersel [metaalmengsel om stukken metaal met elkaar te verbinden]
  • ▾ solderen [metaal aaneenhechten]
  • ▾ solfatare [dampbron]
  • ▾ solidair [door saamhorigheid verbonden]
  • ▾ solidariteit [saamhorigheid]
  • ▾ solist [die alleen uitvoert]
  • ▾ sollen [heen en weer trekken]
  • ▾ solo [(als zanger of speler) alleen]
  • ▾ solutie [oplossing; bandplakmiddel]
  • ▾ solvabiliteit [vermogen om te betalen]
  • ▾ solvent [in staat om te betalen]
  • ▾ som [rekenkundig vraagstuk; totaal]
  • ▾ somatisch [lichamelijk]
  • ▾ somber [bedrukt]
  • ▾ sommatie [aanmaning om te betalen]
  • ▾ sommige [onbepaald voornaamwoord: enige]
  • ▾ soms [weleens]
  • ▾ somtijds [soms]
  • ▾ sonnet [lyrisch gedicht]
  • ▾ sonoor [helder klinkend]
  • ▾ soort [categorie, kwaliteit]
  • ▾ soos [sociëteit]
  • ▾ sop [nat waarin men kookt, halfvloeibare spijs]
  • ▾ sopraan [hoogste vrouwenstem]
  • ▾ sorbet [ijsdrank]
  • ▾ sorry [tussenwerpsel: excuseer!]
  • ▾ sorteren [uitzoeken]
  • ▾ souvenir [aandenken]
  • ▾ sovjet [raad]
  • ▾ spa [geneeskrachtig water uit de Belgische plaats Spa, mineraalwater]
  • ▾ spaak [verbinding tussen naaf en velg]
  • ▾ spaak in het wiel steken [de voortgang of uitvoering van iets belemmeren]
  • ▾ spaan [afgespleten hout]
  • ▾ spaander [afgespleten houtje]
  • ▾ spaanplaat [tot platen geperste houtvezel of ander houtachtig materiaal]
  • ▾ Spaans riet [rotan]
  • ▾ Spaans spek [(Surinaams-Nederlands) soort meloen]
  • ▾ Spaanse bok [(Surinaams-Nederlands) afranseling]
  • ▾ Spaanse mat [Spaanse zilveren munt]
  • ▾ Spaanse ruiter [boom of haspelstok om een aanval van ruiterij af te weren; rondhout onder de boegspriet]
  • ▾ Spaanse vrouw [(Surinaams-Nederlands) bidsprinkhaan]
  • ▾ spaarbank [bank waar men spaargeld in bewaring geeft]
  • ▾ spaarpot [busje waarin men geld spaart]
  • ▾ spaarzaam [zuinig]
  • ▾ spaceren, spanseren [(verouderd) wandelen]
  • ▾ spade [schop]
  • ▾ spak [(verouderd) droog; dor]
  • ▾ spaken [(verouderd) door droogte splijten]
  • ▾ spakerig [(gewestelijk) uitgedroogd]
  • ▾ spakig [droog, uitgedroogd]
  • ▾ spalk [hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen]
  • ▾ spalken [de mond of ogen opensperren; lelijke gezichten trekken]
  • ▾ spalken [een spalk aanbrengen]
  • ▾ span [voorgespannen dieren, wagen met bespanning]
  • ▾ span [lengtemaat, ruimte, constructie tussen twee steunpunten, tijdspanne]
  • ▾ spandoek [gespannen doek met een leus erop]
  • ▾ spang [gesp, haak, beslag op een gordel e.d.]
  • ▾ Spanje [naam van een land]
  • ▾ spanjolet [draairoede aan deuren]
  • ▾ spanjool [geringschattend voor Spanjaard]
  • ▾ spankracht [vermogen om zich te spannen, veerkracht]
  • ▾ spanleest [type schoenleest]
  • ▾ spannen [strak trekken, vastmaken aan, uitspreiden]
  • ▾ spannend [hevig, eng]
  • ▾ spanner [werktuig om iets te spannen]
  • ▾ spanning [voltage; druk, kracht; het geestelijk gespannen zijn]
  • ▾ spanriem [riem waarmee de schoenmaker zijn werk vastspant]
  • ▾ spanring [ring in een molenkap die de kapspanten draagt]
  • ▾ spansel [iets wat gespannen is]
  • ▾ spant [balk tegen de nok; elk van de gebogen balken of inhouten die de dwarsverbindingen van een scheepsromp vormen]
  • ▾ spanthout [spant, verbindingsstuk voor het dwarsverband van het schip]
  • ▾ spanzaag [in een houten raam gespannen zaag]
  • ▾ spar [boomsoort; staak (vaak van die boomsoort)]
  • ▾ spardek [boven het hoofddek gelegen dek van lichte constructie]
  • ▾ sparen [bewaren]
  • ▾ spargeren [geruchten vertellen]
  • ▾ spark [(Vlaams) vonk]
  • ▾ spartelen [met armen en benen heen en weer slaan]
  • ▾ spat [spetter; vlekje]
  • ▾ spat [knobbel aan het kniegewricht van een paard]
  • ▾ spatader [uitgezet bloedvat]
  • ▾ spatbord [gebogen bord boven de wielen tegen modderspatten]
  • ▾ spatel [platte lepel]
  • ▾ spatie [woordscheiding]
  • ▾ spatten [in kleine deeltjes (doen) rondvliegen]
  • ▾ specerij [smaakgevende stof, kruid]
  • ▾ specht [bepaalde klimvogel]
  • ▾ speciaal [bijzonder]
  • ▾ specialisatie [het specialiseren]
  • ▾ specialist [deskundige]
  • ▾ specialiteit [bijzonderheid]
  • ▾ specie [pleisterkalk]
  • ▾ species [soort]
  • ▾ specieveldje [ondiepe plek bij huis waar specie wordt gemengd]
  • ▾ specificatie [gedetailleerde opgave]
  • ▾ specifiek [soortelijk; stuk voor stuk behandelend]
  • ▾ spectaculair [opzienbarend]
  • ▾ spectogram [fotografische opname van een spectrum]
  • ▾ spectrum [kleurenband, scala]
  • ▾ speculaas [sinterklaaskoek]
  • ▾ speculant [iemand die speculeert]
  • ▾ speculatie [het speculeren, gokken op]
  • ▾ speculatief [bespiegelend; onzeker]
  • ▾ speelgoed [voorwerpen waarmee kinderen spelen]
  • ▾ speelhuis [gokhuis]
  • ▾ speeljacht [plezierjacht]
  • ▾ speelman [(rondtrekkende) muzikant]
  • ▾ speen [tepel]
  • ▾ speer [steekwapen]
  • ▾ spek [vet]
  • ▾ spekboom [Zuid-Afrikaanse boom]