Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 635 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met S1)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ saai [weefsel; iets (kledingstuk) dat daarvan is gemaakt]
  • ▾ saai [vervelend]
  • ▾ sabadilla, sabadilkruid [soort van bolplant van de leliefamilie]
  • ▾ sabbat [joodse rustdag]
  • ▾ sabbatdag [de dag van de sabbat, de dag van de rust]
  • ▾ sabel [slagwapen]
  • ▾ sabelijzer [in molens: ijzeren verbindingsstuk dat door de vangbalk is gestoken en met het andere einde aan de vang bevestigd is en dient om de vang aan te trekken ]
  • ▾ sabotage [belemmering uit protest]
  • ▾ saboteren [belemmeren uit protest]
  • ▾ sacharine [zoetstof]
  • ▾ sacraal [heilig]
  • ▾ sacrament [(rooms-katholieke) wijding]
  • ▾ sacristie [kerkvertrek]
  • ▾ sadisme [lust tot kwellen]
  • ▾ sadist [iemand die zich aan sadisme overgeeft]
  • ▾ sadistisch [vervuld van sadisme]
  • ▾ saffier [edelgesteente]
  • ▾ saffloer [plant]
  • ▾ saffraan [specerij]
  • ▾ sage [volksverhaal]
  • ▾ sago [voedingsmiddel, zetmeel verkregen uit een soort palm]
  • ▾ sagoïentje [soort klauwaapje]
  • ▾ sagoworm [naam voor zeker tropisch insect]
  • ▾ sajet [gesponnen wol]
  • ▾ saker [(verouderd) soort kanon]
  • ▾ salade, sla [plant; slagerecht]
  • ▾ salamander [tweeslachtig dier]
  • ▾ salaris [bezoldiging]
  • ▾ saldo [overschot op een rekening]
  • ▾ salep [medicijn uit orchideeknollen]
  • ▾ salie [plantengeslacht]
  • ▾ saliniteit [zoutgehalte]
  • ▾ salmiak [ammoniazout; soort drop]
  • ▾ salon [ontvangkamer]
  • ▾ salpeter, salpeterzuur [kaliumnitraat]
  • ▾ salto [sprong waarbij men los van de grond over de kop buitelt]
  • ▾ saluut [militaire groet]
  • ▾ saluut [tussenwerpsel: groet]
  • ▾ salvarsan [geneesmiddel]
  • ▾ salveren [(verouderd) redden, in veiligheid brengen, voor ondergang behoeden]
  • ▾ salvo [het gelijktijdig afvuren van vuurwapens (ter begroeting)]
  • ▾ samaar [(verouderd) lang vrouwenkleed]
  • ▾ Samaritaan [bewoner van Midden-Palestina]
  • ▾ sambal oelek [kruidenmengsel van Spaanse pepers, zout en trassi]
  • ▾ sameet, sammet, zammet [(verouderd) zijdefluweel]
  • ▾ samen [bij elkaar]
  • ▾ samenkomst [gelegenheid of keer dat twee of meer personen samenkomen]
  • ▾ samenleven [leven als man en vrouw zonder getrouwd te zijn]
  • ▾ samenspraak [gesprek, handeling van met elkaar te spreken]
  • ▾ samoreus [soort van grote aak voor de binnenvaart op Samber en Maas]
  • ▾ samsam [samen]
  • ▾ sanatorium [herstellingsoord]
  • ▾ sanctie [dwangmiddel]
  • ▾ sandaal [schoeisel]
  • ▾ sanering [maatregelen om een onderneming weer rendabel te maken]
  • ▾ sanitair [m.b.t. de gezondheid]
  • ▾ sans (atout) [zonder troef (bij bridge)]
  • ▾ santenkraam [alles bijeen, de hele boel]
  • ▾ santonine [wormkoekje]
  • ▾ santorie [duizendguldenkruid]
  • ▾ sap [vocht]
  • ▾ sapaen [(Amerikaans-Nederlands) maismeelpap]
  • ▾ sapbos [(Amerikaans-Nederlands) plantage van suikerahornen]
  • ▾ sapgroen [verfstof gemaakt van de wegedoornbes; groene kleur]
  • ▾ sappan(hout) [verfhout]
  • ▾ sappeur [soldaat die loopgraven aanlegt]
  • ▾ sappig [rijk aan sap]
  • ▾ Sarah [eigennaam]
  • ▾ sardine [beenvis]
  • ▾ sargasso [sargassowier]
  • ▾ sarren [plagen]
  • ▾ sarsaparilla [wortel van de Amerikaanse winde]
  • ▾ sas [sluis]
  • ▾ sassafras [laurierachtige]
  • ▾ Satan [duivel]
  • ▾ saté [geroosterd vlees aan stokje]
  • ▾ satelliet [hemellichaam dat een ander begeleidt; kunstmaan]
  • ▾ satijn [glanszijde]
  • ▾ satinet [satijnweefsel]
  • ▾ satire [hekelschrift]
  • ▾ satirisch [hekelend]
  • ▾ satisfactie [voldoening, genoegdoening]
  • ▾ saucijs [worstsoort]
  • ▾ saus [soort jus]
  • ▾ sauspan [halfhoge pan voor saus]
  • ▾ savanne [grasvlakte]
  • ▾ saxofoon [blaasinstrument]
  • ▾ scanderen [het metrum doen uitkomen; als blijk van bewondering of afkeuring in lettergrepen uitroepen]
  • ▾ scenario [draaiboek]
  • ▾ scène [deel van toneelstuk]
  • ▾ scepter [koningsstaf; (scheepsterm) ijzeren staaf die iets steunt of draagt]
  • ▾ scepticisme [twijfelzucht]
  • ▾ scepticus [iemand die geneigd is tot twijfel]
  • ▾ sceptisch [geneigd tot twijfel]
  • ▾ schaaf [gereedschap]
  • ▾ schaafbank [werkbank]
  • ▾ schaafijs [(Surinaams-Nederlands) ijs geschrapt van een blok ijs met een smaakje gemengd]
  • ▾ schaak [schaakspel; stand die tot remise leidt]
  • ▾ schaakmat [het schaak staan van de koning]
  • ▾ schaal [harde, buitenste bekleding, schil; stuk hout voor het versterken van rondhouten; klein ovaal vat, schotel]
  • ▾ schaal [maatstaf voor verhouding]
  • ▾ schaamachtig [geneigd zich te schamen, verlegen]
  • ▾ schaamte [gevoel van onbehagen over gemaakte fouten]
  • ▾ schaap [herkauwer]
  • ▾ schaapskot [gebouw waarin schapen worden ondergebracht]
  • ▾ schaapsteker [bepaalde slang]
  • ▾ schaar [werktuig om te knippen]
  • ▾ schaar, schare [menigte]
  • ▾ schaardam [dam tot bescherming van een schaar]
  • ▾ schaarde [kerf]
  • ▾ schaars [weinig voorhanden]
  • ▾ schaartje [vogelnaam (naar de schaarvorm van de staart)]
  • ▾ schaarwacht [(verouderd), wacht gevormd door schaar gewapenden]
  • ▾ schaats [ijzeren voetsteun om over ijs te gaan]
  • ▾ schaatsen [zich voortbewegen op schaatsen]
  • ▾ schabben [(verouderd) schaven, schurken]
  • ▾ schabberig [(gewestelijk) armoedig]
  • ▾ schacht [stok, kokervormig omhullend deel]
  • ▾ schade [nadeel, beschadiging]
  • ▾ schadelijk [schade doend, nadelig]
  • ▾ schaden [iemand of iets schade toebrengen, kwaad kunnen]
  • ▾ schaduw [silhouet, schim; plek waar de zon tegengehouden wordt]
  • ▾ schaffer, schaf(t)meester [(verouderd) hofmeester, tafeldienaar]
  • ▾ schafteling [(verouderd) soort paling]
  • ▾ schaften, schaffen [eten tijdens werkonderbreking; (verouderd) voedsel verschaffen]
  • ▾ schakel [kettingring, verbinding]
  • ▾ schakelaar [knop om elektrische stroom mee aan en uit te zetten]
  • ▾ schakelschool [onderwijstype]
  • ▾ schaken [touw vieren, vis uit de mazen schudden, schoonmaken]
  • ▾ schaken [schaakspelen]
  • ▾ schalie [sediment; (Vlaams) daklei]
  • ▾ schalk [grappenmaker; (verouderd) gewetenloos persoon]
  • ▾ schalk [hijstoestel; (Overijssels en Gelders) verlengstuk aan daksparren]
  • ▾ schalken [met klampen afzetten van luiken op een vaartuig om ze waterdicht te maken]
  • ▾ schalm [schakel]
  • ▾ schalmei [blaasinstrument]
  • ▾ schaloos [beschadigd (van schepen); ontredderd]
  • ▾ schamel [draagbalk van een wagenonderstel]
  • ▾ schamen [generen]
  • ▾ schampeljoen [(verouderd) model, patroon]
  • ▾ schampen [(verouderd) vluchten]
  • ▾ schampen [afglijden]
  • ▾ schamper [spottend]
  • ▾ schandaal [aanstoot]
  • ▾ schande [oneer]
  • ▾ schandek [afdekking aan een schip waarlangs vuil of vocht afglijdt]
  • ▾ schandelijk [schandalig]
  • ▾ schans [versterkingswerk; halfdek]
  • ▾ schanskleed [boordbekleding van schepen waarachter men zich bij een gevecht verschanste]
  • ▾ schap [plank]
  • ▾ schapenboer [schapenhouder]
  • ▾ schapendoes [Nederlands hondenras]
  • ▾ schapenluiaard [luiaardsoort]
  • ▾ schapenwolk [hoge bewolking, bestaande uit kleine halfbolvormige, in rijen geschaarde wolkjes]
  • ▾ schapraai [pottenkast]
  • ▾ scharenslijper [persoon die scharen en messen slijpt]
  • ▾ scharlaken [rode stof; rood]
  • ▾ scharmaaien [(gewestelijk) met armen en benen zwaaien]
  • ▾ scharnier [beweeglijke verbinding]
  • ▾ scharrelen [vreemdgaan, rommelen]
  • ▾ schat [waardevol bezit]
  • ▾ schat [liefste]
  • ▾ schatkamer [kamer waar geldswaarden van een vorst of een staat bewaard worden]
  • ▾ schatten [taxeren, inschatten; (verouderd) belasting heffen]
  • ▾ schatter [taxateur]
  • ▾ schavelen [opschuiven]
  • ▾ schaven [gladmaken]
  • ▾ schavot [stellage voor lijfstraf]
  • ▾ schavuit [schelm]
  • ▾ schede [omhulsel]
  • ▾ scheef [schuin]
  • ▾ scheef [(verouderd) houtachtig (afval)deel van vlas of hennep]
  • ▾ scheel [loens]
  • ▾ scheen [voorzijde van onderbeen; smal en plat stuk hout of metaal, wielband]
  • ▾ scheenbeen [been liggend aan de voorzijde van het onderbeen]
  • ▾ scheer [rotseilandje]
  • ▾ scheer je weg [ga weg!]
  • ▾ scheerbalk [dwarsbalk]
  • ▾ scheerboot [(verouderd) boot voor het varen tussen scheren]
  • ▾ scheergang [bovenste rij planken van de huid van houten schepen]
  • ▾ scheerlijn [touw dat uitgespannen is of waaraan iets bevestigd is]
  • ▾ scheermes [scherp voorwerp om de baard te scheren]
  • ▾ scheerstok [dwarsbalk in een scheergebint; klos die bij het weven van band of lint wordt gebruikt]
  • ▾ scheertros [touw dat uitgespannen is of waaraan iets bevestigd is]
  • ▾ scheet [wind]
  • ▾ scheg [wigvormig hout; voorstuk van het schip waar de boegspriet op bevestigd is]
  • ▾ schei [dwarshout]
  • ▾ scheidbrief [(bijbeltaal) brief waarmee de man aan de vrouw het huwelijk opzegt]
  • ▾ scheiden [verbinding verbreken]
  • ▾ scheiding [het scheiden of gescheiden-worden of -zijn; lijn in het haar]
  • ▾ scheidsel [(verouderd) afscheiding]
  • ▾ scheidsmaal [afscheidsmaal]
  • ▾ scheikunde [chemie]
  • ▾ schel [bel]
  • ▾ schelen [(gewestelijk) scheel kijken]
  • ▾ schelf [hoop hooi e.d., bergplaats voor hooi waar het op planken wordt gelegd]
  • ▾ schellak