Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 869 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met M)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ ma, maatje [moeder]
  • ▾ maag [orgaan]
  • ▾ maagd [ongerepte jonge vrouw]
  • ▾ maagdenvlies [vlies dat de schede gedeeltelijk afsluit]
  • ▾ maagsap [sap geproduceerd in de maag]
  • ▾ maaien [afsnijden]
  • ▾ maaier [iemand die maait]
  • ▾ maaiveld [het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het grasland in een polder]
  • ▾ maak [het maken]
  • ▾ maakloon [loon voor het maken van iets]
  • ▾ maaksel [constructie, vorm, gewrocht, product]
  • ▾ maal [(verouderd) valies]
  • ▾ maal [telkens terugkerend tijdstip, keer]
  • ▾ maalstok [schilderstokje]
  • ▾ maalstroom [ronddraaiende stroming]
  • ▾ maaltijd [eten]
  • ▾ maan [satelliet]
  • ▾ maand [twaalfde deel van een jaar]
  • ▾ maandag [tweede dag van de week]
  • ▾ maandelijks [iedere maand]
  • ▾ maandroos [roos die meermalen in het jaar, soms elke maand bloeit]
  • ▾ maankop [papaver]
  • ▾ maankruid [plantennaam]
  • ▾ maanpunt [(verouderd) overgang van de ene maanstand naar de andere]
  • ▾ maanziek [zenuwziek]
  • ▾ maar [echter]
  • ▾ maar [(gewestelijk) gracht]
  • ▾ maar [(verouderd) nachtmerrie]
  • ▾ maarschalk [(oorspronkelijk) stalknecht, opperstalmeester]
  • ▾ maarschalk [(moderne betekenis) officier met een rang boven die van generaal]
  • ▾ maart [derde maand]
  • ▾ Maarten [naam voor de aap]
  • ▾ maas [oog in netwerk]
  • ▾ maasdammer [kaassoort]
  • ▾ maaslander [Nederlandse kaassoort]
  • ▾ Maastricht [plaats in Zuid-Nederland waar in 1991 het besluit genomen werd te komen tot een Economische en Monetaire Unie]
  • ▾ maastrichtien [geologisch tijdperk]
  • ▾ maat [metgezel]
  • ▾ maat [afmeting; kledingmaat; gematigdheid]
  • ▾ maat [indeling in de muziek]
  • ▾ maathouden [bij het zingen of spelen in de maat blijven]
  • ▾ maatje [vochtmaat]
  • ▾ maatjesharing, maatje [haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is]
  • ▾ maatlat [lat om afmetingen aan te geven]
  • ▾ maatregel [schikking]
  • ▾ maatschappelijk [met betrekking tot de maatschappij]
  • ▾ maatschappij [vereniging; samenleving]
  • ▾ maatslaan [de maat van muziek voor een groep uitvoerenden aangeven door overeenkomstige handbewegingen]
  • ▾ maatsoort [soort van muzikale of versmaat]
  • ▾ maatstreep [verticale streep in de notenbalk om een maat te begrenzen]
  • ▾ macadam [wegverharding]
  • ▾ macaroni [deegspijs]
  • ▾ machinaal [mechanisch]
  • ▾ machine [toestel]
  • ▾ machinist [iemand die toezicht houdt op de machines]
  • ▾ macht [vermogen]
  • ▾ Machteld [eigennaam]
  • ▾ machtig [veel macht hebbend; imposant]
  • ▾ machtig [uitroep van verwondering]
  • ▾ machtiging [volmacht]
  • ▾ machtsaanwending [het aanwenden van macht]
  • ▾ machtsvorming [het vormen van macht]
  • ▾ macramé [knoopwerk]
  • ▾ macro- [voorvoegsel: groot, lang]
  • ▾ macrokosmos [de wereld als een organisme in het groot]
  • ▾ madam [mevrouw]
  • ▾ madam jeanette [(Surinaams-Nederlands) soort van grote, rode of gele Spaanse peper]
  • ▾ madonna [de Heilige Maagd]
  • ▾ maestro [meester]
  • ▾ maf [loom, vadsig; gek]
  • ▾ maffen, maffelen [slapen]
  • ▾ maffia [misdadige organisatie]
  • ▾ magazijn [bergplaats; houder voor kogels]
  • ▾ magazijnwachter [magazijnmeester]
  • ▾ magazine [periodiek]
  • ▾ magel [(Vlaams) niet kieskeurig]
  • ▾ mager [dun]
  • ▾ magerman [voormarsboelijn]
  • ▾ maggi [groente- en vleesextract voor soep]
  • ▾ magie [toverkunst]
  • ▾ magisch [m.b.t. toverkunst]
  • ▾ magister [meester]
  • ▾ magistraat [overheid(spersoon)]
  • ▾ magneet [stuk magneeterts, gemagnetiseerd metaal]
  • ▾ magnesia [wit poeder]
  • ▾ magnesium [chemisch element]
  • ▾ mahonie [houtsoort]
  • ▾ mail [brievenpost]
  • ▾ mainteneren [onderhouden]
  • ▾ mais [graansoort]
  • ▾ maizena [bindmiddel]
  • ▾ majesteit [heerlijkheid]
  • ▾ majoor [militaire rang]
  • ▾ majoraat [erfrecht van oudste zoon]
  • ▾ majorette [meisje bij optocht van muziekkorps]
  • ▾ majoriteit [meerderheid]
  • ▾ mak [getemd]
  • ▾ makaak [hondsaap]
  • ▾ makelaar [tussenpersoon]
  • ▾ makelaardij, makelarij [beroep van makelaar; makelaarskantoor; makelaarsloon]
  • ▾ makelen [het makelaarsbedrijf uitoefenen]
  • ▾ makelij [constructie]
  • ▾ maken [iets in een bepaalde toestand brengen]
  • ▾ maker [iemand die iets maakt, produceert]
  • ▾ makkelijk [eenvoudig]
  • ▾ makker [gezel]
  • ▾ makreel [stekelvinnige trekvis]
  • ▾ mal [model]
  • ▾ mal [zot]
  • ▾ malaise [gedruktheid]
  • ▾ malaria [moeraskoorts]
  • ▾ malariamuskiet [muskiet die malaria overbrengt]
  • ▾ maledijen [vervloeken]
  • ▾ malefijt [stormvogel]
  • ▾ Maleier [lid van bepaald mensenras]
  • ▾ Maleis [Austronesische taal]
  • ▾ malen [fijnmaken]
  • ▾ malen [schilderen]
  • ▾ malie [metalen ring]
  • ▾ maling [draaiing, maalstroom]
  • ▾ malkander, mekaar [wederkerig voornaamwoord: elkaar, samen, gemeenschappelijk]
  • ▾ mallegas [Kaapse jan-van-gent]
  • ▾ mallejan [wagen bestaande uit een as met twee hoge wielen en een disselboom]
  • ▾ mallemerok [(verouderd) zottin]
  • ▾ mallemok [noordse stormvogel; bemanningslid van een walvisvaarder (die stormvogels vangt voor de maaltijd)]
  • ▾ mallemolen [draaimolen]
  • ▾ mallen [naar de mal bewerken; met de mal vergelijken]
  • ▾ malloot [iemand die mal is]
  • ▾ mals [zacht]
  • ▾ maltentig [al te nauwgezet]
  • ▾ malva [plant]
  • ▾ malvezij [wijn]
  • ▾ mama [moeder]
  • ▾ mamiering [leren of zeildoeken transportbuis aan een waterpomp]
  • ▾ mammie, mam [moeder (kindertaal)]
  • ▾ mammoet [voorhistorische olifant]
  • ▾ mammon [geldgod]
  • ▾ man [mens van mannelijk geslacht; echtgenoot]
  • ▾ management [bestuur van een onderneming]
  • ▾ manager [bestuurder van een onderneming]
  • ▾ manbaar [huwbaar; geslachtsrijp]
  • ▾ manchet [handboord]
  • ▾ mand [gevlochten korf]
  • ▾ mandaat [lastbrief]
  • ▾ mandarijn [vrucht]
  • ▾ mandataris [persoon aan wie een mandaat is gegeven]
  • ▾ mandel [(gewestelijk) graanhoop]
  • ▾ mandoer [opzichter]
  • ▾ mandoline [snaarinstrument]
  • ▾ mandragora [alruin]
  • ▾ manen [herinneren aan]
  • ▾ maneschijn [schijnsel van de maan]
  • ▾ mangaan [chemisch element]
  • ▾ mangel [pers met rollen]
  • ▾ mangelboom [gewone boom in West-Indië die gezocht timmerhout oplevert]
  • ▾ mangelen [door de mangel halen]
  • ▾ mangelhout [mangrovehout]
  • ▾ mango [vrucht]
  • ▾ mangoestan [vrucht]
  • ▾ maniak [iemand die een manie heeft]
  • ▾ manicure [verzorging van handen en nagels]
  • ▾ manier [wijze]
  • ▾ manieren [wijze van zich te houden of te gedragen in de omgang]
  • ▾ manierlijk [(verouderd) fatsoenlijk, welgemanierd]
  • ▾ manierlijkheid [(verouderd) het fatsoenlijk zijn, het welgemanierd zijn]
  • ▾ manifest [openbare bekendmaking; vrachtlijst]
  • ▾ manifestatie [publieke betoging; verschijning]
  • ▾ manilla [geurige tabakssoort, sigaar daarvan]
  • ▾ maniok [broodwortel]
  • ▾ manipulatie [het manipuleren]
  • ▾ mank [kreupel]