Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 700 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met K3)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ K.P.M. [Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (Nederlands-Indië)]
  • ▾ knaak [groot muntstuk, rijksdaalder]
  • ▾ knaap [jongen]
  • ▾ knaapje [dragend of steunend voorwerp, klerenhanger, klamp]
  • ▾ knabbelen [kort op iets bijten]
  • ▾ knagen [kleine stukjes afbijten; een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken]
  • ▾ knakworst [soort worst]
  • ▾ knalpot [verwijding in de leiding van afgewerkte gassen; uitlaat]
  • ▾ knap [krap, schaars]
  • ▾ knap [slim, aantrekkelijk]
  • ▾ knaphandig [(verouderd) vlug en bekwaam met de hand, vlug]
  • ▾ knappen [een geluid (knap) maken, met een knappend geluid eten]
  • ▾ knapzak [draagzak met etenswaren]
  • ▾ knarsing [het knarsen]
  • ▾ knaster, kanaster [soort tabak; mand waarin die is verpakt]
  • ▾ knecht [bediende; voorwerp dat dienst bewijst; windas; klos]
  • ▾ knechtoog [(scheepsterm) aan knecht bevestigd oog om de giek aan te hangen]
  • ▾ kneden [door knijpen dooreenmengen]
  • ▾ kneedmachine [machine om deeg mee te kneden]
  • ▾ kneep [kunstgreep]
  • ▾ knerpen [krakend geluid maken]
  • ▾ knetteren [scherpe geluiden doen horen]
  • ▾ kneuzen [beschadigen]
  • ▾ knevel [stokje om het losdraaien te beletten, boei]
  • ▾ knevel(baard) [snor]
  • ▾ knevelen [vastbinden]
  • ▾ knie [verbinding tussen boven- en onderbeen; voorwerp in de vorm daarvan]
  • ▾ knielen [de knieën tot op de grond buigen]
  • ▾ knieval [het vallen op de knieën]
  • ▾ knijf [(gewestelijk) knipmes]
  • ▾ knijp (in de knijp) [in het nauw]
  • ▾ knijpen [druk uitoefenen]
  • ▾ knijper [knijpend voorwerp]
  • ▾ knijptang [tang om spijkers mee uit te trekken]
  • ▾ knikken [half doorbreken]
  • ▾ knikken [het hoofd heen en weer bewegen]
  • ▾ knikker [glazen of stenen balletje als kinderspel]
  • ▾ knip [het knippen; (vogel)val (die knippend dichtslaat)]
  • ▾ knippa [(Surinaams-Nederlands) vruchtboom met eetbare vruchten]
  • ▾ knippen [met een schaar snijden]
  • ▾ knisteren [een knetterend geluid maken]
  • ▾ knock-out [bewusteloos geslagen]
  • ▾ knoeien [morsen; slordig werken; rommelen; zwoegen]
  • ▾ knoeierij [oneerlijk handelen]
  • ▾ knoesel [(gewestelijk) enkel]
  • ▾ knoest [uitwas aan boom]
  • ▾ knoflook [kruiderij]
  • ▾ knokkel [vingergewricht]
  • ▾ knokploeg [verzetsgroep; groep hardhandige ordebewaarders]
  • ▾ knol [vlezige wortel; iets in de vorm van een knol; groot horloge]
  • ▾ knolkool [koolrabi]
  • ▾ knook [bot]
  • ▾ knoop [ronde sluiting aan kleding]
  • ▾ knoop [toegehaalde lus aan een touw; eenheid waarin de snelheid van schepen wordt uitgedrukt]
  • ▾ knoopsgat [spleet in kleding]
  • ▾ knop, knopje [rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat; bloemknop]
  • ▾ knopen [d.m.v. knopen vastmaken]
  • ▾ knopnaald [speld]
  • ▾ knorhaan [bepaalde vogel]
  • ▾ knorhaan [beenvis]
  • ▾ knorren [het natuurlijke geluid dat varkens maken]
  • ▾ knorrig [wrevelig]
  • ▾ knot [bosje haar]
  • ▾ knuffelig [verfrommeld, verstijfd van de kou]
  • ▾ knul [jongen]
  • ▾ knuppel [jongen, knul, pummel, lomperd]
  • ▾ knuppel, knippel [dikke stok]
  • ▾ knus [behaaglijk-vertrouwd]
  • ▾ knutselen [fabrieken]
  • ▾ knuttel [stukje touw om zeil of touw bij elkaar te houden]
  • ▾ kobalt [chemisch element]
  • ▾ kobbe [zilvermeeuw]
  • ▾ kodak [merknaam van een camera]
  • ▾ kodde [knots, knuppel]
  • ▾ koddig [grappig]
  • ▾ kode [kweeappel, kweepeer]
  • ▾ koe [herkauwer, vrouwelijk rund]
  • ▾ koebrug [laaggelegen dek]
  • ▾ koek, koekje [zoet gebak; kleine koek als versnapering]
  • ▾ koekeloeren [zonder bezigheid uitkijken]
  • ▾ koekjes [kleine koeken als versnapering]
  • ▾ koekoek [vogelsoort]
  • ▾ koel [matig koud]
  • ▾ koelbak [bak waarin iets gezet wordt om te verkoelen]
  • ▾ koelen [koeler doen worden]
  • ▾ koelie [dagloner]
  • ▾ koeling [het koelen of gekoeld worden]
  • ▾ koelkast [kast waarin etenswaar koel gehouden wordt]
  • ▾ koelte [frisheid]
  • ▾ koeltje [wind; zwakke luchtstroming]
  • ▾ koelzeil [zeil dat frisse lucht moet binnenleiden]
  • ▾ koepel [halfbolvormige overwelving]
  • ▾ koer(t)huis [wachthuis, wachttoren]
  • ▾ koerier [bode]
  • ▾ koers [richting, route; prijs van geld, waardepapieren]
  • ▾ koertoren [wachttoren, uitkijktoren]
  • ▾ koeskoes [matrozenkost van gortepap met azijn en kruiden]
  • ▾ koeskoes [buideldier dat onder andere in Indonesië voorkomt]
  • ▾ koeskoesen [door elkaar stampen van eten]
  • ▾ koest [rustig]
  • ▾ koesteren [verwarmen, vertroetelen]
  • ▾ koet [ralvogel]
  • ▾ koets [rijtuig]
  • ▾ koetsier [bestuurder van een koets]
  • ▾ koevoet [spaak die eindigt in een klauw]
  • ▾ kof [zeilschip]
  • ▾ kof(schip) [zeilschip]
  • ▾ koffer [reistas]
  • ▾ koffie [drank uit koffiebonen]
  • ▾ koffiebroodje [lekkernij]
  • ▾ koffiedik [bezinksel van koffie]
  • ▾ koffiedikkijker [iemand die de toekomst voorspelt]
  • ▾ koffiekan [kan om koffie in te zetten en te laten trekken]
  • ▾ koffieketel [koffiepot]
  • ▾ kog, kogge [scheepstype]
  • ▾ kogel [projectiel]
  • ▾ kogellager [ondersteuning van draaiende as in bus met bolletjes]
  • ▾ kohier [register]
  • ▾ kok [die spijzen toebereidt]
  • ▾ kokarde [onderscheidingsteken op hoofddeksel]
  • ▾ koken [verhitten, spijzen toebereiden]
  • ▾ koker [etui, huls; ondergrondse buis voor waterlozing]
  • ▾ kokerboom [plantensoort]
  • ▾ kokernoot [kokosnoot]
  • ▾ kokinje [gesmolten suiker als lekkernij]
  • ▾ kokkel [schelpdier]
  • ▾ kokkerd [iets groots; grote neus]
  • ▾ kokos [benaming voor boom en vrucht]
  • ▾ kokosnoot [vrucht van de kokospalm]
  • ▾ koksmaat [assistent van de kok]
  • ▾ kolderstok [onderdeel van de stuurinrichting van een schip]
  • ▾ kolf [slaghout voor het kolfspel]
  • ▾ kolf [achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen; glas voor het koken of destilleren van vloeistoffen; bloeikolf]
  • ▾ kolfbaan [baan voor een spel gespeeld met een bal en stok]
  • ▾ kolibrie [vogelsoort]
  • ▾ koliek [darmkramp]
  • ▾ kolk [maalstroom]
  • ▾ kollumer [Nederlandse kaassoort]
  • ▾ kolokwint [komkommerachtige plant]
  • ▾ kolom [zuil; iets in de vorm van een zuil]
  • ▾ kolombijntje [zacht soort gebakje]
  • ▾ kolonel, kornel [hoofdofficier]
  • ▾ koloniaal [m.b.t. een kolonie]
  • ▾ kolonialisme [systeem waarbij een land vreemde kolonies in stand houdt, speciaal voor economische doeleinden]
  • ▾ kolonie [nederzetting]
  • ▾ kolonisatie [het koloniseren]
  • ▾ koloniseren [een kolonie stichten]
  • ▾ kolossaal [enorm, gigantisch]
  • ▾ kom, kommetje [vaatwerk; iets komvormigs]