Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 781 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met H)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ ha [uitroep van blijdschap]
  • ▾ haag [heg]
  • ▾ haagbeuk [plantensoort]
  • ▾ haagdoorn [witte meidoorn, een heestergeslacht dat veel gebruikt wordt als heg]
  • ▾ haai [kraakbeenvis; vinnig iemand]
  • ▾ haaibaai [kijfzieke vrouw; (verouderd) drukte, gewoel]
  • ▾ haak [gebogen voorwerp om iets vast te houden]
  • ▾ haakblok [blok of katrol met een haak]
  • ▾ haakbus [oud handvuurwapen]
  • ▾ haakdoorn [doornstruik]
  • ▾ haakje [insluitingsteken in geschrift]
  • ▾ haaklas [soort houtverbinding]
  • ▾ haakpen [aan het eind omgebogen naald voor haakwerk]
  • ▾ haal [(veouderd) droog, dor]
  • ▾ haal op [uitroep als men een vis gevangen heeft: til het net op!]
  • ▾ haalbier [bier dat in een kleine maat in een winkel werd gehaald]
  • ▾ haam [houten halsband voor paard]
  • ▾ haam [(verouderd) zakvormig visnet]
  • ▾ haan [mannetje bij hoenderachtigen; trekker aan vuurwapens; (verouderd) tapkraan]
  • ▾ haanrei [(verouderd) hoorndrager, bedrogen echtgenoot]
  • ▾ haar [buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien]
  • ▾ haar [bezittelijk voornaamwoord]
  • ▾ haar [(verouderd) droge, schrale wind]
  • ▾ haar [bijwoord van richting: links (bij voerlieden)]
  • ▾ haard [stookplaats; (verouderd) stenen vloer in leerlooierij]
  • ▾ haarklover [muggenzifter]
  • ▾ haarlemmerolie [kwakzalversmiddel]
  • ▾ haarnaald [speld als hoofdtooisel]
  • ▾ haarnet [netje om kapsel in vorm te houden]
  • ▾ haarscheerder [barbier]
  • ▾ haarspeld [speld als hoofdtooisel]
  • ▾ haas [haasachtige]
  • ▾ haas [malse, magere spier bij slachtdieren, filet]
  • ▾ haast [spoed]
  • ▾ haast [bijwoord van hoedanigheid: bijna, weldra]
  • ▾ haasten [voortmaken]
  • ▾ haastig [snel, vol haast; (verouderd) driftig]
  • ▾ haastigheid [driftig of onstuimig ongeduld, te grote spoed]
  • ▾ haat [diepe afkeer]
  • ▾ haatdragend [haat koesterend]
  • ▾ haatzaai(-artikelen) [(Indisch-Nederlands) rechtsterm voor publicaties die de koloniale regering onwelgevallig waren]
  • ▾ habijt [geestelijk gewaad]
  • ▾ habitat [natuurlijk woongebied]
  • ▾ habitus [uiterlijke gedaante]
  • ▾ hachee [gerecht met vlees en kruiden]
  • ▾ hachelijk [gevaarlijk]
  • ▾ hachje [vermetele knaap]
  • ▾ hachje [leven]
  • ▾ hacht, hachje [stuk vlees of spek]
  • ▾ hachtjesdag [aan boord de dagen waarop men spek of vlees krijgt, dag waarop men iets lekkers krijgt, smuldag ]
  • ▾ hagedis [hagedisachtige, reptiel]
  • ▾ hagel [ijskorrels als neerslag; hagel om mee te schieten]
  • ▾ hak [houweel, landbouwwerktuig]
  • ▾ hak [slag, houw, het hakken]
  • ▾ hak [hiel; schoenhak]
  • ▾ hakbord [houten plank om groente of vlees op te hakken]
  • ▾ haken [vasthaken; een weefsel maken met behulp van haaknaalden]
  • ▾ hakjes [gepekelde varkenspootjes]
  • ▾ hakkebord [slaginstrument]
  • ▾ hakkebord [het met snijwerk versierde bovendeel van de spiegel; versierde bovenlijst van het achterschip]
  • ▾ hakken [houwen]
  • ▾ hakketenen [dans waarbij men van de hakken op de tenen springt]
  • ▾ hakking [het hakken]
  • ▾ haksel [gehakt stro, hooi of groenvoer voor huisdieren]
  • ▾ hal [ruimte]
  • ▾ halen [(bij zich) brengen, bemachtigen]
  • ▾ half [telwoord: de helft]
  • ▾ half [middenvelder]
  • ▾ half twee [een half uur na een]
  • ▾ half-en-half [gedeeltelijk]
  • ▾ halfachternoen [maaltijd om vier uur]
  • ▾ halfanker [oude inhoudsmaat]
  • ▾ halfdek [achterste gedeelte van het opperdek (achter de grote mast)]
  • ▾ halfmens [iets dat lijkt op een mens]
  • ▾ halfuur, halfuurtje [dertig minuten]
  • ▾ halfvat [vat, ton met als inhoud de helft van een vat]
  • ▾ halfwassen [half volwassen]
  • ▾ halfwind [wind die van opzij komt]
  • ▾ halleluja [tussenwerpsel: lofkreet]
  • ▾ hallo [uitroep en groet]
  • ▾ hallucinatie [zinsbegoocheling]
  • ▾ halm [stengel; (verouderd) overdracht van vermogen, gesymboliseerd door het wegwerpen van een stengel]
  • ▾ halma [bordspel]
  • ▾ Halma [de achternaam van de 17e-eeuwse samensteller van een bekend Frans-Nederlands woordenboek]
  • ▾ halo [lichtende kring om zon of maan, nimbus]
  • ▾ halogeen [chemisch element van de 7e groep]
  • ▾ hals [keel; touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen]
  • ▾ halsband [band om de hals]
  • ▾ halsberg [(verouderd) wat de hals verbergt of beschermt]
  • ▾ halsblok [blok of katrol aan de hals van een zeil, waarin de schoot loopt]
  • ▾ halsdoek [doek die men draagt om de hals]
  • ▾ halsklamp [klamp waar de halstalie van een zeil op wordt uitgehaald]
  • ▾ halskleed [schouderbedekking]
  • ▾ halskoot [(verouderd) jas of bescherming rond de nek en schouders]
  • ▾ halstalie [talie voor het stijf neerhalen van het voorlijk]
  • ▾ halster [leidsel aan de hals]
  • ▾ halster, halfster [oude inhoudsmaat]
  • ▾ halt [tussenwerpsel: stop!]
  • ▾ halte [stopplaats voor openbaar vervoer]
  • ▾ halter [staaf met kogels of schijven aan uiteinden]
  • ▾ halveren [in twee gelijke stukken verdelen]
  • ▾ halverwege [midden op, midden in wat men aan het doen is, de helft van de weg afgelegd hebbend]
  • ▾ halvezolen [(een schoen) voorzien van een halvezool]
  • ▾ halvezool [nieuwe of extra zool onder de voorste helft van een schoen]
  • ▾ ham [achterbout van varken]
  • ▾ ham [aangeslibd land, stuk land]
  • ▾ hamel [gecastreerde ram]
  • ▾ hamer [werktuig]
  • ▾ hamerkop [dier waarvan de kop lijkt op een hamer]
  • ▾ hamerslag [het recht om op de grond van zijn buurman te komen om reparaties aan eigen woning te kunnen uitvoeren]
  • ▾ hamster [knaagdier]
  • ▾ hand [lichaamsdeel aan uiteinde van arm]
  • ▾ handbak [wastafel, wasbak]
  • ▾ handbijl [lichte bijl]
  • ▾ handdoek [afdroogdoek]
  • ▾ handel [kopen en verkopen]
  • ▾ handelaar [koopman]
  • ▾ handelen [doen, behandelen; handel drijven]
  • ▾ handelmaatschappij [vennootschap van koophandel]
  • ▾ handgeld [geld dat men iemand op de hand geeft bij het aangaan van een overeenkomst]
  • ▾ handgemeen [onenigheid waarbij de partijen elkaar met de handen te lijf gaan]
  • ▾ handhaven [in stand houden]
  • ▾ handhouder [(verouderd) stadsmagistraat]
  • ▾ handig [behendig]
  • ▾ handlanger [die een ander bijstaat bij verboden handelingen]
  • ▾ handmolen [molen die met de hand in beweging wordt gebracht]
  • ▾ handpomp [verplaatsbare pomp aan boord]
  • ▾ hands [uitroep als iemand de bal met zijn hand raakt (voetbal)]
  • ▾ handschoen [kledingstuk voor de hand]
  • ▾ handschroef [schroef die met de hand wordt aangedraaid]
  • ▾ handspaak [hefboom]
  • ▾ handspade [kleine spade]
  • ▾ handstoffer [stoffer met korte steel]
  • ▾ handtekening [ondertekening]
  • ▾ handwerk [arbeid die met de handen verricht is]
  • ▾ hanekok, kokhaan [(Vlaams) soort eetbare zeeslak]
  • ▾ hanenbalk [draagbalk]
  • ▾ hanenkam [vlezige uitwas op de kop van hoendervogels; plant in de vorm daarvan]
  • ▾ hanenpoot [poot van een haan of iets dat daarop lijkt; naam voor verschillende planten]
  • ▾ hanenvoet [plantengeslacht]
  • ▾ hangar [overdekte bergplaats]
  • ▾ hangen [aan bovenkant bevestigd door eigen zwaarte neerwaarts gehouden worden]
  • ▾ hanger [datgene waaraan of waarin iets hangt, klerenhanger, kettingreep dienend om een laadboom aan te hangen]
  • ▾ hangerblok [blok (katrol) waardoor een hanger loopt]
  • ▾ hangkast [kast om kleding in op te hangen]
  • ▾ hangman [beul]
  • ▾ hangmat [hangend net om in te liggen]
  • ▾ hannemeiske [janhen, sukkel]
  • ▾ Hansje [jongensnaam, ook gebruikt in namen voor kinderspelletjes]
  • ▾ hansop [wijd kledingstuk, m.n. als nachtkleding]
  • ▾ hanteren [omgaan met, (werktuig) gebruiken]
  • ▾ Hanze [koopmansgilde]
  • ▾ hap [beet, mondvol]
  • ▾ haperen [blijven steken]
  • ▾ haplologie [weglating van een lettergreep]
  • ▾ happen [bijten; (verouderd) schielijk grijpen]
  • ▾ happig [gretig]
  • ▾ happy [gelukkig]
  • ▾ har [scharnier]
  • ▾ hard [moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid; meedogenloos]
  • ▾ harden [hard worden]
  • ▾ hardepeer [boomsoort, vrucht hiervan]
  • ▾ harder [beenvis]
  • ▾ hardheid [het hard zijn, de eigenschap of hoedanigheid van hard]
  • ▾ hardigheid [de hardheid]
  • ▾ hardloper [iets dat of iemand die snel gaat]
  • ▾ hardvochtig [ongevoelig]
  • ▾ hardvochtigheid [gevoelloosheid]
  • ▾ harem [vrouwenverblijf; vrouwen en bijzitten van een moslim]
  • ▾ haring [beenvis]
  • ▾ haringbuis [schip voor haringvangst]
  • ▾ haringjager [snelvarend schip dat haring van de vangstplek naar de haven brengt]
  • ▾ haringsop [(Vlaams) pekel voor haringen]
  • ▾ hark [tuingereedschap]
  • ▾ harken [met een hark bijeenbrengen]
  • ▾ harmonica [toetsinstrument]
  • ▾ harmonie [eendracht]
  • ▾ harmonisatie [het harmoniseren]
  • ▾ harmonisch [in harmonie]
  • ▾ harmonium [toetsinstrument]
  • ▾ harnas [wapenuitrusting]