Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 834 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met D)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ daad [handeling]
  • ▾ daalder [zilveren munt]
  • ▾ daar [bijwoord van plaats]
  • ▾ daarachter [achter dat, achter die zaak]
  • ▾ daarbij [bij dat genoemde of bedoelde, bovendien]
  • ▾ daarbinnen [aanwijzend bijwoord: versterking van binnen]
  • ▾ daarboven [aanwijzend bijwoord: versterking van boven]
  • ▾ daarbuiten [aanwijzend bijwoord: versterking van buiten]
  • ▾ daardoor [door dat bedoelde of genoemde]
  • ▾ daarentegen [onderschikkend voegwoord]
  • ▾ daarentoe [aanwijzend bijwoord]
  • ▾ daarlaten [buiten beschouwing laten]
  • ▾ daarmee [onmiddellijk, aanstonds]
  • ▾ daarom [om dat genoemde of bedoelde, om die reden; echter]
  • ▾ daaromtrent [daar ongeveer]
  • ▾ daaronder [onder dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daarop [vervolgens]
  • ▾ daartegen [tegen dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daartoe [tot dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daartussen [tussen dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daarvan [van dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daarvandaan [van dat genoemde of bedoelde vandaan; daarom]
  • ▾ daarvoor [voor dat genoemde of bedoelde]
  • ▾ daarzo [daar]
  • ▾ daas [insect]
  • ▾ dabbelen, dabberen, dabben [(Zuid-Nederlands) strompelen, ploeteren, wroeten]
  • ▾ dactylograaf [typist]
  • ▾ dactylografie [het machineschrijven; (verouderd) studie van vingerafdrukken]
  • ▾ dadaïsme [kunstrichting]
  • ▾ dadel [vrucht van dadelpalm]
  • ▾ dadelijk [aanstonds]
  • ▾ dading [vergelijk buiten de rechtszaal, transactie]
  • ▾ dadingen [(verouderd) een vergelijk treffen, tot een vergelijk komen, capituleren]
  • ▾ Daf [Nederlands automerk]
  • ▾ dag [etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang]
  • ▾ dag [groet]
  • ▾ dag [eind touw, m.n. als strafwerktuig]
  • ▾ dagboek [aantekeningen van dagelijkse gebeurtenissen]
  • ▾ dagelijks [iedere dag]
  • ▾ dagelijks anker [anker dat in gewone gevallen gebruikt wordt]
  • ▾ dagelijks touw [ankertouw dat in gewone gevallen gebruikt wordt]
  • ▾ dagen [uitdagen]
  • ▾ dageraad [aanbreken van de dag]
  • ▾ dagge [dolk]
  • ▾ daggeld [dagloon]
  • ▾ daggelder [iemand die per dag in dienst is en dagelijks uitbetaald krijgt]
  • ▾ dagloon [betaling voor een dag arbeid]
  • ▾ dagvaarden [oproepen voor het gerecht]
  • ▾ dagwerk [werk dat een hele dag vult, dat men geregeld iedere dag doet]
  • ▾ dahlia [sierplant]
  • ▾ dak [bedekking van huis]
  • ▾ dakkamer [zolderkamer]
  • ▾ dakloos [zonder onderdak]
  • ▾ dakpan [plaat van gebakken klei voor dakbedekking]
  • ▾ dal [vallei]
  • ▾ dalen [omlaag gaan]
  • ▾ dam [waterkering]
  • ▾ dam [dubbele schijf in het damspel]
  • ▾ damasceren [(staal) vlammen; (koper en brons) met gegraveerde lijnen versieren]
  • ▾ damast [weefsel]
  • ▾ dambord [bord met velden waarop het damspel wordt gespeeld]
  • ▾ dame-jeanne [mandfles]
  • ▾ dames- [voor vrouwen]
  • ▾ damloper [binnenschuit, geschikt om over dammen gehaald te worden]
  • ▾ dammen [het damspel spelen]
  • ▾ dammer [speler van damspel]
  • ▾ damp [nevel]
  • ▾ dampen [damp afgeven]
  • ▾ dampig [vol damp]
  • ▾ dampkring [atmosfeer]
  • ▾ damschuit [binnenschuit, geschikt om over dammen gehaald te worden]
  • ▾ damsteen [speelstuk van damspel]
  • ▾ dan [bijwoord van tijd: op die tijd, in dat geval]
  • ▾ dan [gebruikt na vergrotende trap]
  • ▾ dank [erkentelijkheid]
  • ▾ dank je, dank u, dank [bedankt]
  • ▾ dankbaar [iemand goedgezind zijnde wegens genoten voorrechten, de moeite lonend (van zaken)]
  • ▾ dankbaarheid [het dankbaar zijn]
  • ▾ dankbrief [brief waarmee men bedankt]
  • ▾ danken [dank betuigen]
  • ▾ dankoffer [offer (bijvoorbeeld eten en goederen) ter ere van een godheid]
  • ▾ dans [beweging op muziek]
  • ▾ dansen [op muziek bewegen]
  • ▾ danshuis [huis waarin voor ieder gelegenheid is tot dansen]
  • ▾ dansmeester [onderwijzer in het dansen]
  • ▾ dansvloer [vloer gereserveerd voor dansen]
  • ▾ dapper [moedig; (verouderd) flink, sterk, kloek]
  • ▾ darm [spijsverteringskanaal]
  • ▾ dartel [speels]
  • ▾ das [halsdoek, stropdas]
  • ▾ das [marterachtige]
  • ▾ dassenvanger [mens die of dier dat dassen vangt]
  • ▾ dat [aanwijzend voornaamwoord]
  • ▾ dat [onderschikkend voegwoord]
  • ▾ dat is het wat maakt [daarom, daardoor]
  • ▾ data [gegevens, feiten]
  • ▾ datief [derde naamval]
  • ▾ datum [dagtekening]
  • ▾ dauw [gecondenseerde waterdamp]
  • ▾ daveren [dreunen, schudden]
  • ▾ David [eigennaam]
  • ▾ dazen [onzin uitslaan, ijlen]
  • ▾ de [lidwoord]
  • ▾ de facto [feitelijk]
  • ▾ De L. & Co [merknaam voor een auto-accu]
  • ▾ De Witt [achternaam van twee Nederlandse staatslieden die in 1672 gelyncht zijn]
  • ▾ de- [voorvoegsel met ontkennende betekenis: ont-]
  • ▾ debarkering [ontscheping]
  • ▾ debat [discussie]
  • ▾ debatteren [discussiëren]
  • ▾ debet [tegoed]
  • ▾ debiel [zwakzinnig]
  • ▾ debiet [afzet]
  • ▾ debije [maat voor het elektrische dipoolmoment van een molecule, naar P.J.W. Debije]
  • ▾ debiteur [schuldenaar]
  • ▾ Debora [eigennaam]
  • ▾ debuut [eerste optreden]
  • ▾ decaan [voorzitter van faculteit]
  • ▾ decade [tijdperk van tien dagen]
  • ▾ decadent [ontaard]
  • ▾ decadentie [geleidelijk verval]
  • ▾ decagram [tien gram]
  • ▾ decaliter [tien liter]
  • ▾ decameter [tien meter]
  • ▾ december [twaalfde maand]
  • ▾ decentralisatie [spreiding]
  • ▾ decibel [verhoudingsmaat voor m.n. geluid]
  • ▾ decigram [0,1 gram]
  • ▾ deciliter [0,1 liter]
  • ▾ decimaal [tiendelig]
  • ▾ decimeter [0,1 meter]
  • ▾ declamatie [het voordragen]
  • ▾ declaratie [verklaring]
  • ▾ declinatie [grammaticale verbuiging]
  • ▾ decoctum [aftreksel van kruiden]
  • ▾ deconstructie [bepaald soort analyse]
  • ▾ decor [toneeltoerusting]
  • ▾ decoratie [versiering]
  • ▾ decreet [verordening]
  • ▾ dedicatie [opdracht, toewijding]
  • ▾ deductie [het deduceren]
  • ▾ deeg [mengsel, m.n. van meel met water]
  • ▾ deel [plank, vloer]
  • ▾ deel [gedeelte]
  • ▾ deelachtig [deelhebbend aan]
  • ▾ deels [voor een deel, gedeeltelijk]
  • ▾ deelsom [vraagstuk bestaande in de rekenkundige bewerking van delen]
  • ▾ deeltje [elk van de kleinst mogelijke hoeveelheid materie of energie]
  • ▾ deelwoord [participium]
  • ▾ deemoed [onderworpenheid]
  • ▾ deemoedig [nederig, ootmoedig]
  • ▾ Deen [inwoner van Denemarken]
  • ▾ deerne [jong meisje]
  • ▾ deëscalatie [het doen verminderen]
  • ▾ defaitisme [moedeloosheid]
  • ▾ defect [beschadigd]
  • ▾ defenderen [verdedigen]
  • ▾ defensie [verdediging]
  • ▾ defensief [verdedigend]
  • ▾ deficiëntie [tekort]
  • ▾ deficit [tekort]
  • ▾ defilé [parade]
  • ▾ defileren [in smalle formatie voorbijtrekken]
  • ▾ definitie [begripsbepaling]
  • ▾ definitief [blijvend]
  • ▾ deflatie [waardevermeerdering van geld]
  • ▾ deformatie [misvorming]
  • ▾ deftig [voornaam; (verouderd) deugdelijk, flink, geducht]
  • ▾ degel [drukplaat van pers]
  • ▾ degelijk [deugdelijk]
  • ▾ degen [stootwapen]
  • ▾ degeneratie [ontaarding]
  • ▾ degradatie [verlaging in rang]
  • ▾ dehydratie [wateronttrekking]
  • ▾ deining [beweging door golf, ritmische beweging]
  • ▾ deinzen [achteruitwijken]
  • ▾ dek [bedekking; scheepsdek]
  • ▾ dekbed [met isolerende stof gevuld dek om onder te slapen]
  • ▾ dekblad [buitenste blad van een sigaar]
  • ▾ deken [beddek]
  • ▾ deker, daker [(verouderd) tiental (huiden e.d.)]
  • ▾ dekjongen [matroos die het dek moet schoonhouden]
  • ▾ dekken [bedekken; beschermen, verdedigen (sport); bestek en servies op tafel zetten]
  • ▾ dekken [paren]
  • ▾ dekking [bescherming (tegen vijandelijk vuur)]
  • ▾ dekolonisatie [het zelfstandig worden van koloniën]
  • ▾ dekriet [riet (voor gebruik) als dakdekking]
  • ▾ deksel [klep]
  • ▾ dekstoel [rieten ligstoel op scheepsdek]
  • ▾ delegatie [afvaardiging]
  • ▾ delegeren [overdragen, afvaardigen]
  • ▾ deleman [rijtuigje]
  • ▾ delen [verdelen]
  • ▾ delftgeld [(verouderd) soort kanaalbelasting]
  • ▾ Delfts (aardewerk) [bepaald soort aardewerk]
  • ▾ delibereren [beraadslagen]
  • ▾ delicaat [fijn, teer]
  • ▾ delicatessen [fijne eetwaren]
  • ▾ delict [strafbaar feit]
  • ▾ delineatie [omlijning]
  • ▾ delinquent [schuldige]
  • ▾ delta [land omsloten door rivierarmen]
  • ▾ Deltaplan [waterbouwkundig plan in Nederland]