Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 655 Nederlandse woorden gevonden (beginnend met B3)

Gebruikte filters:

Sorteer: Alfabetisch op vreemd woord - Alfabetisch op taal - Per continent - Per taalfamilie - Chronologisch -

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Alles| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ bobine [weefspoel]
  • ▾ bochel [bult]
  • ▾ bocht [kromming, inham; gebogen deel van een touw]
  • ▾ bocht [(Vlaams) omheinde ruimte waarin dieren worden bijeengehouden]
  • ▾ bod [bieding]
  • ▾ bode [boodschapper]
  • ▾ bodem [grond; onderste gedeelte van de romp van een schip]
  • ▾ bodemerij [kredietverstrekking op schip of lading]
  • ▾ boedel [geheel van roerende goederen]
  • ▾ boedeldeling [boedelscheiding]
  • ▾ boedelhouder [langstlevende echtgenoot die de ongedeelde nalatenschap beheert]
  • ▾ boedelkamer [weeskamer]
  • ▾ boedelscheiding [boedelverdeling]
  • ▾ boef [schurk]
  • ▾ boeg [voorsteven]
  • ▾ boeganker [anker dat wordt gebruikt op het voorschip]
  • ▾ boeglijn [jaagtros]
  • ▾ boegseertouw [sleeptros]
  • ▾ boegseren [met sloepen voorttrekken]
  • ▾ boegspriet [uitstekend rondhout voor touwwerk]
  • ▾ boegtouw [partuurlijn waarmee het anker bediend wordt]
  • ▾ boegzeil [emmerzeil]
  • ▾ boei [band, keten]
  • ▾ boei [drijvend baken]
  • ▾ boeiboord [opstaande kant van dakgoot of dakrand]
  • ▾ boeien [(het boord van een vaartuig) verhogen met opstaande zijplanken; opschikken]
  • ▾ boeien [ketenen]
  • ▾ boeier [vaartuig]
  • ▾ boeireep [ankerboeitouw]
  • ▾ boek [leesboek]
  • ▾ boekbinderij [bedrijf waar boeken worden genaaid of ingebonden]
  • ▾ boekel [haarkrul]
  • ▾ boeken [bespreken en reserveren van een reis]
  • ▾ boekenrek [stellage om boeken in te plaatsen]
  • ▾ boekenwinkel [winkel waar men boeken verkoopt]
  • ▾ boekerij [bibliotheek]
  • ▾ boeket [bloemruiker]
  • ▾ boekhouder [iemand wiens beroep het is voor een persoon of instelling boek te houden]
  • ▾ boeking [reservering]
  • ▾ boekpens [boekmaag]
  • ▾ boekvink [zangvogel]
  • ▾ boekweit [graansoort]
  • ▾ boekweitekoek [koek van boekweitemeel]
  • ▾ boel [grote hoeveelheid, heleboel]
  • ▾ boel [geliefde]
  • ▾ boelen [(verouderd) in ontucht leven; homoseksualiteit praktiseren]
  • ▾ boeler [(Surinaams-Nederlands) homoseksuele man]
  • ▾ boeleren, boelen [in ontucht leven]
  • ▾ boelgoed [inboedel, meubilair, dat geveild zal worden]
  • ▾ boelijn [lijn die dient om het loeflijk der vierkante zeilen meer aan de wind te halen]
  • ▾ boem [ter aanduiding van een luide, doffe slag]
  • ▾ boemel [het boemelen]
  • ▾ boemel(trein) [stoptrein]
  • ▾ boemelen [kroegen aflopen]
  • ▾ boemerang [werpknots]
  • ▾ boender [borstel]
  • ▾ boenen [met was glanzend wrijven; schrobben]
  • ▾ boer [landbouwer; Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika]
  • ▾ boer [naam van een speelkaart]
  • ▾ boerde [klucht]
  • ▾ boerderij [boerenbedrijf]
  • ▾ boeren [een boer laten, oprispen]
  • ▾ boeren- [van de Boeren of Afrikaners]
  • ▾ boerenbeschuit [huisbakken beschuit]
  • ▾ boerenboon [tuinboon]
  • ▾ boerenbrood [huisbakken brood]
  • ▾ boerendans [volksdans]
  • ▾ boerenhuis [boerderij]
  • ▾ boerenjongens [sterkedrank van rozijnen op brandewijn]
  • ▾ boerenkinkel [lomperd, ongemanierde plattelander]
  • ▾ boerenkool [koolsoort]
  • ▾ boerenkost [landelijke kost]
  • ▾ boerenmeisje [dorpsmeisje]
  • ▾ boerenmeisjes [sterkedrank met abrikozen]
  • ▾ boerenmuziek [volksmuziek]
  • ▾ boerenpaard [ploegpaard]
  • ▾ boerenpummel [boerenkinkel]
  • ▾ boerenschroom [spel met prentjes en dobbelstenen]
  • ▾ boerentroost [koffie (drank)]
  • ▾ boerenvrouw [vrouw uit de boerenstand]
  • ▾ boerenwei [weiland]
  • ▾ boerenworst [grove worst]
  • ▾ boerenzoon [zoon van een boer]
  • ▾ boerin [vrouwelijke landbouwer of veeteler]
  • ▾ boete [(geld)straf]
  • ▾ boeten [herstellen; goedmaken]
  • ▾ boetiek [winkel]
  • ▾ boetseren [kleien]
  • ▾ boetvaardig [bereid boete te doen]
  • ▾ boevennet [bedekking voor de opening tussen het voor- en achterdeel van een schip]
  • ▾ boezem [borsten]
  • ▾ boezeroen [kiel met lange mouwen]
  • ▾ bok [voorwerp in de vorm van een bok: gymnastiektoestel; zaagbok]
  • ▾ bok [mannetje van de geit]
  • ▾ bok [(Surinaams-Nederlands) indiaan]
  • ▾ bok [zitplaats van de koetsier op een rijtuig]
  • ▾ bok [(Surinaams-Nederlands) snauw, standje]
  • ▾ bokaal [grote beker]
  • ▾ bokking, boksharing [gerookte haring]
  • ▾ boks [(gewestelijk) wijde broek]
  • ▾ boksbaard [sik; plantengeslacht]
  • ▾ boksboon [waterplant]
  • ▾ boksen [met de vuisten vechten]
  • ▾ bokser [vuistvechter]
  • ▾ bokshoorn [(verouderd) ijzeren haak in de vorm van de hoorn van een bok]
  • ▾ boktor [insect]
  • ▾ bokzeil [geteerd stuk (zeil)doek]
  • ▾ bol [rond voorwerp]
  • ▾ bol [spit veenaarde uit een veenkuil genomen]
  • ▾ bol [rond]
  • ▾ bolachtig [op een bol lijkend, bolrond. ]
  • ▾ boldavit [(verouderd) zeildoek]
  • ▾ bolero [damesjasje]
  • ▾ bolhamer [gereedschap]
  • ▾ bolk [bepaalde zeevis]
  • ▾ bolkvanger [(verouderd) kledingstuk van zeelui (waarmee ze een bui opvangen)]
  • ▾ bollamp [glazen bol om de gloeilamp]
  • ▾ bollandist [lid van de vereniging van jezuïeten die zich bezighoudt met de levensbeschrijving van heiligen, door de jezuïet Jean Bolland in 1643 begonnen]
  • ▾ bolleboos [uitblinker]
  • ▾ bollebuisje [poffertje]
  • ▾ bolletje [klein rond voorwerp]
  • ▾ bolletrie [(Surinaams-Nederlands) (rubber)boom]
  • ▾ Bols [jenevermerk]
  • ▾ bolwerk [bastion]
  • ▾ bom [projectiel; (Surinaams-Nederlands) gasfles]
  • ▾ bom [stop, spon]
  • ▾ bom(schuit) [vissersschuit]
  • ▾ bombardement [beschieting met bommen]
  • ▾ bombarderen [met bommen beschieten]
  • ▾ bombarie [lawaai, ophef]
  • ▾ bombast [gezwollen stijl]
  • ▾ bombazijn [gekeperde halfzijden katoenen of wollen stof]
  • ▾ bombeen, pompbeen [dik, opgezwollen been, elefantiasis]
  • ▾ bombel [(Surinaams-Nederlands) rotje, knalvuurwerk]
  • ▾ bombrief [briefomslag die explodeert wanneer hij wordt geopend]
  • ▾ bomen [punteren]
  • ▾ bomig [(Vlaams) ruw, stroef (van tanden)]
  • ▾ bommel [(verouderd) dikke vrouw]
  • ▾ bommetje [(verouderd) vaatje]
  • ▾ bon [betalingsbewijs; bekeuring]
  • ▾ bonafide [betrouwbaar]
  • ▾ bonbon [snoepgoed]
  • ▾ bond [bundel, band]
  • ▾ bond [verbond, vereniging]
  • ▾ bondig [kernachtig]
  • ▾ boneknaap [(Antilliaans-Nederlands) vissoort]
  • ▾ bonensoep [soep van bonen]
  • ▾ bonk [lomp persoon]
  • ▾ bonkaarde [bovenlaag van veengrond die niet geschikt is voor turfbereiding]
  • ▾ bonkelaar [aandrijfwiel in een windmolen die op de koningsspil zit]
  • ▾ bonken [wegnemen van de onbruikbare bovenste veenlaag]
  • ▾ bonker, bonket [grote knikker]
  • ▾ bonnet [muts]
  • ▾ bont [veelkleurig]
  • ▾ bont [pelswerk]
  • ▾ bonte teek [parasiet]
  • ▾ bontebok [Zuid-Afrikaanse antilopesoort]
  • ▾ bontekraai [(verouderd) kraaiensoort]
  • ▾ bontjer [(Gronings) koopman in bontgoud, venter met kantoenen goederen]
  • ▾ bontwerk [pelterij; pelzen en daaruit vervaardigde kledingstukken]