Levensechte leugens?

Over moslimvrees en allochtonenangst in de media

Theo Meder (Meertens Instituut)

 

Zowel in de journalistiek als in de traditionele volkskunde wordt er vaak een scherp onderscheid gemaakt tussen de werkelijkheid en volksverhalen. Ze worden als Wahrheit en Dichtung veelvuldig als twee losse entiteiten behandeld. Zeker als men bij volksverhalen primair denkt aan sprookjes of moppen, dan associeert men dat met fictie. Bij traditionele sagen en moderne sagen ligt de relatie met de werkelijkheid al wat gecompliceerder. Maar ook hier is voor veel journalisten en verhaalonderzoekers de grens toch vrij duidelijk: een Broodje Aap-verhaal is in essentie niet waar, ook al worden de verhalen door het publiek regelmatig voor waar gehouden. Vanuit de hoek van de antropologie en de moderne etnologie wordt de schijn-tegenstelling tussen waar en niet-waar al enige tijd gerelativeerd. Sommige sterke verhalen blijken toch waar te zijn, en bepaalde Broodje Aap-verhalen hebben tenminste toch een kern van waarheid. De sterke verhalen kunnen nauw verbonden zijn met de werkelijkheid, en veel verhalen worden in elk geval niet zonder reden als werkelijk beleefd. De werkelijkheid is omgekeerd soms ook weer nauw verbonden met verhalen. Verhaalkennis dicteert soms de interpretatie van de werkelijkheid of vormt een inspiratiebron voor gedrag en actie. Niet voor niets stelt verhaalonderzoeker Bill Ellis enigszins provocerend: "Legends are not folk literature but folk behavior". En terecht stelt de antropologische verhaalonderzoekster Linda Dégh vast: "We have to accept that fact can become narrative and narrative can become fact."

Ostension

Zowel Dégh als Ellis hebben voor hun onderzoek op het snijpunt van sagen en werkelijkheid gebruik gemaakt van het begrip ostension. Onder ostension wordt verstaan: het voorkomen van gebeurtenissen in het werkelijke leven zoals ze voorkomen in sagen. Het gaat dus om levensechte actie geïnspireerd door verhalen. Of zoals Ellis het definieert om "dramatic extension into real life". Het is niet vertellen en ook niet bewust acteren zoals dat op het toneel gebeurt. Het is de min of meer bewuste of onbewuste navolging van verhaalscenario's. Het gaat kort gezegd om "legends we live". Een Amerikaans voorbeeld is het verschijnen van vergiftigd snoepgoed en appels met scheermesjes erin tijdens Halloween, nadàt er allerlei horror-verhalen de ronde deden. Deze feiten zaaiden op hun beurt weer angst en genereerden verhalen. Want het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook, maar dat kan als de normale gang van zaken worden beschouwd: gebeurtenissen brengen verhalen voort. De boude stelling van Ellis luidt echter: "Events provoke stories; but it is far more likely that stories provoke events".

Naast ostension worden er nog drie extra subcategorieën onderscheiden. De categorieën onderscheiden het serieus naspelen van verhalen van de ‘grap’, de ‘leugen’ en de ‘vergissing’. Nemen we als hypothetisch voorbeeld het Broodje Aap-verhaal van het scheermesje in de After Eight:

Ostension. Als een maniak naar aanleiding van de horror-verhalen daadwerkelijk scheermesjes in de After Eight gaat stoppen om mensen te verwonden, dan heet dat ostension. Daarnaast onderscheiden we dan:

1. Pseudo-ostension. Hiervan is sprake als er een grap wordt uitgehaald waarbij een sage of sage-achtig verhaal wordt nagespeeld. Het verschil met ostension is dus dat het hier om een bewuste hoax of practical joke gaat, om een ander voor de gek te houden. Als iemand een grap uithaalt en een scheermesje in een After Eight stopt en dit aan een ander laat zien om hem in de maling te nemen, dan heet dat pseudo-ostension.

2. Proto-ostension. In dit geval wordt een sage of sage-achtig verhaal door een verteller getransformeerd tot een zelfbeleefde ik-vertelling. Door een proces van toe-eigening wordt het volksverhaal dus een persoonlijk ervaringsverhaal. Als iemand liegt dat hij persoonlijk een keer een scheermesje in de After Eight heeft aangetroffen, dan heet dat proto-ostension.

3. Quasi-ostension. Hierbij gaat het om een misinterpretatie waarbij gewone gebeurtenissen per abuis worden aangezien voor sage-achtige gebeurtenissen. Bestaande verhalen inspireren tot een sage-achtige interpretatie van gewone feiten. Als een politie-agent in een woning een doosje After Eight aantreft en een setje scheermesjes, zich daarbij het Broodje Aap-verhaal herinnert en aanneemt dat in het huis een maniak woont, dan heet dat quasi-ostension.

Tussen waarheidsvinding en ‘krantensage’

De pers en andere nieuwsmedia hebben een maatschappelijke functie. Ze brengen dagelijks op basis van gebeurtenissen verhalen voort. Journalistieke basis voor een verhaal is de waarheidsvinding, en de centrale vraag is steeds: zijn de gebeurtenissen in het verhaal waar? Is het verhaal waar, dan wordt het gepubliceerd. Is het niet waar, dan wordt het verhaal aangepast, of niet gepubliceerd. Broodje Aap-verhalen, verzinsels en leugenachtige verhalen zijn niet waar, en horen niet thuis in de krant. Toch komen ze er af en toe in. Dé canard van de Volkskrant in 1996 was het verhaal van journalist Jan Haerynck over de ontvoering van een meisje uit Disneyland Parijs - een klassieke urban legend die internationaal bekend staat als ‘The Attempted Abduction’. Maar ook veel gebeurtenissen en verhalen die ergens tussen feit en fictie inzitten, komen in de krant. Niet alleen door fouten, maar ook omdat het niet anders kan. De essentie is immers juist die verwevenheid van verhalen met het dagelijkse leven en vice versa.

Verhalen zijn besmettelijk. Een verhaal wordt wel voorgesteld als een ‘meme’: een culturele eenheid die zich als een virus kan verspreiden en mensen kan infecteren met verhalen en handelingen. Mensen kunnen ziek worden van verhalen en ze kunnen leiden tot massa-hysterie. Nog altijd bekend zijn de media-verhalen over het witte busje met een kinderlokkende clown in Oude Pekela, evenals de verborgen sekskelders in een basisschool in Emmer-Compasquum. Grote opschudding veroorzaakten de verhalen over satanische kindermoordrituelen, die tijdens de Eper incestzaak werden verteld.

Regelmatig is er sprake van een incubatietijd en nieuwe besmettingshaarden. Na Disneyland Parijs in 1996 was de Efteling in 1998 aan de beurt voor het verhaal van ‘The Attempted Abduction’. Vervolgens muteerde het verhaalvirus enigszins, en dook het in 2002 weer op, in juli in Delft en in oktober in Hengelo, nu als ontvoering uit het ballenbad van Ikea.

Gebeurtenissen en verhalen circuleren, en komen vervolgens in de media terecht. De media zijn vehikels van verhalen: ze spelen een belangrijke rol als verspreiders. Daarbij kan nog een eigenaardig mechanisme optreden: het kan gebeuren dat mensen het Broodje Aap-verhaal in de krant onthouden, maar dat ze de debunking ervan in dezelfde krant meteen weer vergeten.

Verder moet de impact van een verhaal in de media niet onderschat worden. De direkte aanleiding voor de Eerste Golfoorlog was niet zozeer de invasie van Koeweit, maar een verhaal over schending van mensenrechten. Het betrof de huilende getuigenis voor een Amerikaanse Congrescommissie van een Koeweits meisje, dat vertelde hoe wrede en roofzuchtige Iraakse soldaten in Koeweit baby’s uit de couveuses haalden en ze op de koude ziekenhuisvloer lieten sterven. Het verhaal sloot naadloos aan bij allerlei andere gruwelverhalen over andere oorlogen. En het verhaal sloot naadloos aan bij het vijandbeeld dat de Amerikanen toch al hadden van de Iraakse soldaten. Na afloop van de Eerste Golfoorlog stelde de Amerikaanse journalist John McArthur een onderzoek in naar dit horrorverhaal. Er bleek niets van waar: er waren geen baby’s uit couveuses gehaald en gestorven. De huilende ‘ooggetuige’ bleek achteraf de dochter te zijn van de Koeweitse ambassadeur in de VS - het verhaal was verzonnen door het pr-bureau Hill & Knowlton en gesponsord door de kapitaalkrachtige lobby Citizens for a Free Kuwait.

Omdat bepaalde verhalen zo goed aansluiten bij het wereldbeeld van luisteraars (journalisten incluis), hechten ze zich des te gemakkelijker vast in het geheugen. Het narratieve stukje past perfect in de puzzel van de werkelijkheidsbeleving. Tegelijkertijd kunnen verhalen in de media allerlei gradaties van (on)waarheid bevatten. We moeten vaststellen dat het voor veel mensen niet echt te checken valt wat waar is en wat niet, en in bepaalde gevallen ook niet voor journalisten.

In het navolgende wil ik twee uitersten bezien. Eerst beknopt de sage die werkelijkheid kan worden. Vervolgens wat uitgebreider de werkelijkheid die sage kan worden.

De sage kan ‘werkelijkheid’ worden

In 1994 ging een bericht de wereld over van een kunstgebit dat teruggevonden was in een kabeljauw. Meneer Cor Stoop uit Heerhugowaard was tijdens een vistochtje op de Waddenzee zeeziek geworden en had zijn bovengebit over de reling gebraakt. Drie maanden later ving meneer Hugo Slamat uit Amsterdam op dezelfde boot een kabeljauw, en bij het schoonmaken trof hij in de maag een kunstgebit aan. Stoop vervoegde zich samen met een journalist bij Slamat, paste het gebit en... het zat als gegoten. Het verhaal vertoont overeenkomsten met het Vrouwtje van Stavoren, waar een in zee gegooide ring terugkeert in een vis. Er zijn welbeschouwd talloze verhalen waarin uit een vis voorwerpen komen (of zelfs mensen, zoals Jonas). Die verhalen lijken de belangrijkste inspiratiebron voor de interpretatie van de gebeurtenissen te zijn.

In werkelijkheid heeft dat kunstgebit namelijk helemaal niet drie maanden in die vis gezeten. Dat uitgebraakte gebit is voorgoed op de zeebodem terecht gekomen. Later bleek er sprake te zijn van een practical joke door twee taxichauffeurs, die een van huis meegenomen gebit in de gevangen kabeljauw van Slamat hadden gestopt. Dat dat gebit bij Stoop paste, was puur toeval, want het was zijn gebit helemaal niet. De taxichauffeurs hadden zich voor hun practical joke laten inspireren door een moderne sage over een opgevist kunstgebit. In dit verhaal kotst ook een visser zijn gebit overboord. Een ander haalt een grap uit door zijn eigen kunstgebit aan zijn hengel te binden en op te halen: "Hé, kijk nou, ik heb je gebit opgevist!" Hierop past de ongelukkige visser het gebit, haalt het weer uit zijn mond en gooit het overboord met de woorden: "Dat is niet van mij; het past niet!"

De daad van de taxichauffeurs was een daad van ostension: het naspelen van een bestaande grappige sage. In de beleving van meneer Stoop en Slamat was het aanvankelijk evenwel proto-ostension, want zij hadden het wonder zelf meegemaakt - en het was ècht niet gelogen! Maar bij nader inzien was er sprake van pseudo-ostension, omdat het door de taxichauffeurs als grap bedoeld was om anderen in de maling te nemen. Dat bepaalde betrokkenen èn journalisten er in eerste instantie een wonderbaarlijk terugkerend kunstgebitverhaal in hebben gezien, is een kwestie van quasi-ostension: een misinterpretatie van feiten op basis van bestaande verhalen. Toen alles uitkwam, is er in kranten weinig gerectificeerd - en de connectie met bestaande volksverhalen werd door de journalisten al helemáál doodgezwegen.

De werkelijkheid kan ‘sage’ worden

Eerst kort over de werkelijkheid. Eind 1999, begin 2000 werd het zwakbegaafde 13-jarige meisje Tessa het slachtoffer van een herhaaldelijke groepsverkrachting. Het Amsterdamse meisje werd door 14 jongens tussen de 9 en 16 jaar mishandeld en verkracht onder bedreiging van een mes en een neppistool. De daders hadden gedreigd haar pleegouders te vermoorden en haar huis op te blazen als ze ooit haar mond zou opendoen. De meeste daders hadden een allochtone achtergrond; de meerderheid was Marokkaans. Na enkele maanden is de politie toch ingeschakeld en zijn de daders ouder dan 12 jaar ook berecht, maar het stadsdeel Westerpark besloot de hele zaak stil te houden, uit angst voor stigmatisering en om een volksgericht in de buurt te voorkomen. Ruim een jaar later, in november 2001, lekt het nieuws toch uit naar de pers, en is er landelijk niet alleen ophef over de schokkende zedenzaak, maar ook over het besluit van de autoriteiten om de zaak stil te houden.

Tot zover de realiteit. Nu de verhalen die de werkelijkheid imiteren. In maart 2002 doet een 14-jarig meisje uit Nijmegen aangifte van een groepsverkrachting door enkele mannen, maar na onderzoek en verhoor door de politie bleek het meisje het gebeuren te hebben verzonnen. Ze krijgt in november 2002 een proces-verbaal wegens het doen van een valse aangifte.

De Nijmeegse zaak zorgde landelijk lang niet voor zoveel commotie als de Asser verkrachtingszaak. Op 18 september 2002 berichtte de Telegraaf uitgebreid over de systematische groepsverkrachting van het 13-jarige meisje Miranda. Gedurende 16 maanden was het meisje niet minder dan 20 keer ontvoerd door een groep voornamelijk jonge Marokkanen en was ze als seksslavin aangeboden aan volwassenen. Miranda wordt onder bedreiging van een mes of vuurwapen uit haar ouderlijk huis ontvoerd, als de ouders niet thuis zijn. Ze wordt geblinddoekt en ontvoerd in een Mercedes met donkere ramen. Na tien minuten tot een kwartier rijden wordt zij in een bar-dancing gebracht, waar zij onder bedreiging van messen en vuurwapens op een bed wordt misbruikt door verschillende volwassen kinderverkrachters. De ontvoerders ontvangen van de verkrachters geld of harddrugs. Doodsbang voor de Marokkaanse bende vlucht het meisje op zekere dag naar Amsterdam. Als ze na vijf dagen uit Amsterdam is teruggekeerd, vertelt ze het hele verhaal aan haar ouders. De ouders geloven hun dochter onvoorwaardelijk. In mei 2002 doen de ouders vergeefs aangifte bij de politie. Miranda schrijft een vuistdik verslag van de gebeurtenissen, en een tweede en derde aangifte volgen. Het politie-onderzoek komt maar traag op gang en er worden geen arrestaties verricht. Miranda en haar ouders worden bedreigd, en de daders lopen intimiderend door de straat. Pas als de Telegraaf verslag doet van de misstanden, lijkt de politie bereid een rechercheteam te formeren. De therapeute van Miranda verklaart dat er "zeker nóg twee meisjes" slachtoffer zijn van de Marokkaanse verkrachtersbende. De Asser gemeentepolitiek toont zich verontwaardigd over de gang van zaken. Een maand na het artikel in de Telegraaf, na grondig en uitgebreid politie-onderzoek, oordeelt het Openbaar Ministerie te Assen dat het hier gaat om een "niet geloofwaardige aangifte". Miranda en haar ouders krijgen hulpverlening aangeboden.

Dat het ‘scenario’ voor het verhaal als het ware in de lucht hing en ‘besmettelijk’ was, bleek begin oktober, toen aangifte gedaan werd van een groepsverkrachting in het Groningse Hoogezand. Het 13-jarige Antilliaanse meisje Tathnoeska Edwards zou zijn verkracht door acht Turkse jongens, waarna dezen het huis in brand hebben gestoken. Op 4 oktober 2002 staat er een foto van het uitgebrande huis op de voorpagina van het Algemeen Dagblad - in het NRC staat 's avonds een andere foto van dezelfde fotograaf op pagina 3. RTV-Noord besteedt ook aandacht aan de gebeurtenissen, en laat de moeder van het slachtoffer aan het woord. Het is wederom de Telegraaf die op zaterdag 5 oktober 2002 uitgebreid, en met foto’s van het slachtoffer en haar ouders, bij de zaak stilstaat.

Op dinsdag 1 oktober, zo vertelt Tathnoeska, werd ze fietsend van school naar huis ingesloten door een groepje onbekende (allochtone, Tukse?) jongens. Ze bedreigden haar en zeiden namens haar Marokkaanse buurman te spreken: Tathnoeska mocht zich niet meer bemoeien met de buurman en moest uit de buurt blijven van haar Marokkaanse ex-vriendje Saïd. Vervolgens kreeg Tathnoeska een klap en mocht doorrijden. Ze gaf thuis aan dat ze de volgende dag niet naar school durfde en haar moeder meldde haar ziek.

Als het meisje de volgende ochtend alleen thuis is en op de bank ligt te slapen, staan er volgens haar zeggen plotseling acht jongens met bivakmutsen op en handschoenen aan in de kamer. Ze dragen dure merkkleding. Ze slaan haar omdat ze weigert seks met hen te hebben. Ze uiten dreigementen, en uit hun taalgebruik maakt Tathnoeska op dat het allochtonen zijn. Dat het om Turken gaat, durft ze in tweede instantie niet te bevestigen: "Ik weet dat eigenlijk niet. Het was een raar taaltje. Het konden net zo goed Marokkanen of anderen zijn. Ik kan die talen niet uit elkaar houden."

Tathnoeska wordt vastgebonden en de jongens proberen haar stil te houden door met een mes in haar kuit te snijden. Dan geven ze haar een pilletje en plakken haar mond met tape af. Vervolgens wordt ze uitgekleed en door alle acht jongens verkracht. Daarna raakt het slachtoffer buiten bewustzijn, maar ontwaakt als haar vriendin Renate aan de deur staat te schreeuwen. De jongens zijn inmiddels gevlucht en het huis staat in brand. Met behulp van de vriendin weet Tathnoeska ternauwernood te ontsnappen. Vreemd genoeg heeft Tathnoeska nu weer een broekje en een topje aan, en zijn het touw en de tape verdwenen.

Uiteindelijk vlucht Tathnoeska naar haar oom Mou, die twee huizen verder woont. Politie arriveert, de brandweer blust de woning, en een ambulance brengt Tathnouska naar het ziekenhuis voor onderzoek. Later gaan Tathnouska en haar ouders naar een onderduikadres. De Turkse gemeenschap in Hoogezand is geschokt door de gebeurtenissen, en er ontstaat grote onrust over de aanvankelijk geuite beschuldigingen.

Aan de hele affaire lijken etnische spanningen ten grondslag te liggen, maar de onvrede zwalkt een beetje van de ene 'suspecte' mediterrane groep naar de andere: Marokkaanse buurman, Marokkaanse ex-vriend, allochtone jongens, Turkse verkrachters. Het lijkt wel één pot nat. Oom Mou erkent dat er spanningen waren met de Marokkaanse buurman.

Vader Jimmy Edwards beklaagt zich er later over dat burgemeester Mirjam Salet van Hoogezand liever een persconferentie geeft voor de verontruste Turkse gemeenschap, dan de getroffen familie komt bijstaan. Meneer Edwards meent: "We worden gewoon in de put gegooid. Maar wij zijn ook mensen. Wij hebben ook de Nederlandse nationaliteit." Hoe begrijpelijk een dergelijke emotionele uitspraak op dat moment ook is, het lijkt wel alsof hier een etnische competitie meespeelt.

Na uitgebreid technisch, medisch en buurt-onderzoek en verhoren meldt de politie op 11 oktober dat het meisje de verkrachtingen verzonnen heeft. Op 8 november 2002 wordt bekend dat Tathnoeska zelf de bank in de woonkamer in brand had gestoken. Toen ze de brand niet meer onder controle kreeg, besloot ze het verkrachtingsverhaal te vertellen (kennelijk primair om straf te ontlopen). In februari 2003 eist de officier van justitie in Groningen een werkstraf van 50 uur en vijf maanden voorwaardelijke jeugddetentie tegen Tathnouska. Daarnaast wordt hulpverlening in het vooruitzicht gesteld.

Een verkrachtings-scenario uit de media was voorhanden, en in combinatie met kennelijke onenigheid met andere etnische groepen in de omgeving lag het alibi voor de zelfgestichte brand voor het grijpen.

In een interview met specialist zedenzaken John Staps wordt verklaard dat zo’n 10 procent van de zedenzaken na politieonderzoek niet waar blijkt. Er moet altijd kritisch gekeken worden naar het verhaal: het gebruik van blinddoeken bij de misdaad of een vaag signalement van de dader kunnen aanwijzingen zijn. Een valse aangifte van sexueel misbruik kan gedaan worden uit wraak of jaloezie, spijt van toegestande seks of als alibi om overspel te verhullen. Bij jongeren kunnen er ook andere motieven zijn: ongewenste zwangerschap, geslachtsziekte, verlies van maagdelijkheid, of een alibi waarom ze te laat thuis waren. John Staps meent: "Je ziet dat ze zich baseren op verhalen in de media. Daardoor zijn het soms extreme misdrijven, als groepsverkrachtingen. Begrijpelijk, want een gewone verkrachting komt al niet eens meer in de krant." Met een beschuldiging van verkrachting kan men de schuld bij een ander leggen en buiten zichzelf plaatsen. Als een kind tegen de ouders liegt over een verkrachting, overziet het vaak de gevolgen niet. Op zeker moment kan het kind niet meer terugkrabbelen en volgt er een aangifte, met alle vervelende gevolgen vandien.

Copycat-gedrag en proto-ostension

We kunnen vaststellen dat de werkelijkheid van de groepsverkrachting in Westerpark aanleiding heeft gegeven tot een verhaal in de media dat onder mensen is gaan rondzingen. Het verhaal is schokkend, maar sluit voor veel mensen naadloos aan bij de negatieve berichtgeving over criminele groepen allochtone jongeren in het algemeen. De media-ophef creëert weer nieuwe verhalen. Het gruwel-scenario ligt klaar om vervolgens - in het tijdsbestek van enkele maanden - door drie pubermeisjes te worden hergebruikt en aangedikt. Het lijkt sterk op het bekende copycat-gedrag, waarbij media-verhalen aanleiding kunnen zijn voor vergelijkbare gebeurtenissen. Het copycat-gedrag heeft niet alleen het kopiëren van daden, maar ook van verhalen tot gevolg. De werkelijkheid geeft dus aanleiding voor nieuwe verhalen, maar in de beleving van de argeloze krantenlezer en omstanders worden de verhalen ook weer gruwelijke werkelijkheid.

We bevinden ons met verhalen in het dagelijkse leven veel vaker in een schemerzône dan we denken. Een verhaal kan waar zijn. De waarheid kan een beetje opgerekt worden. De feiten kunnen gefilterd of gekleurd worden weergegeven. Feiten kunnen gemanipuleerd zijn en propaganda blijken. Verhalen en feiten kunnen nagespeeld worden. Een verhaal kan een Broodje Aap zijn, maar een Broodje Aap kan ook werkelijkheid worden. Een verhaal kan een gerucht zijn, een roddel, een leugen... Lang niet alles is controleerbaar, en veel mensen geloven vooral wat ze willen geloven.

Als meisjes zich een verhaal over een reële groepsverkrachting toe-eigenen alsof hen hetzelfde of iets dergelijks is overkomen, dan noemen we dat ‘proto-ostension’: een schokkend media-verhaal wordt persoonlijk ervaringsverhaal. Een soortgelijk geval van ‘proto-ostension’ kennen we nog van de joodse acteur Jules Croiset uit 1987. In een periode dat de gemoederen hoog opliepen in een antisemitisme-discussie, en er volop verhalen voorhanden waren over ontvoeringen en extreem-rechts geweld, verstuurde de acteur extreemrechtse dreigbrieven uit naam van het "Nederlands Fascistisch Jongeren Front" en zette hij zijn eigen ontvoering in scène. Om daarmee letterlijk uit te beelden dat het herlevend antisemitisme een bewezen zaak is.

Slachtoffers kunnen op onze sympathie rekenen, en hebben in principe geen schuld. De voorbeelden van het toe-eigenen van geweldsscenario’s zijn gemakkelijk uit te breiden. In 1995 vertelt de 11-jarige jongen Donny door een Groningse jeugdbende in brand te zijn gestoken. In werkelijkheid had de jongen zelf een ongeluk gehad toen hij met vuur speelde, en was hij bang voor een pak slaag van zijn ouders. Het incident en de navolgende verontwaardiging hadden overigens ook een positief effect, zoals de Volkskrant meldt, want ook al was het verhaal niet waar, het was symptomatisch voor de wijk. Op een buurtbijeenkomst kwam alle frustratie aan overlast eruit: lawaaiterreur, brandstichting, diefstal, mishandeling, afpersing, vernielingen en intimiderend, agressief gedrag.

Exempel-functie, het beeld van de ‘Ander’ en demonisering

Ook al was het verhaal van Donny niet waar, de buurtbewoners hebben het ervaren als een verhaal met een hoog exemplarisch gehalte. Het is een goed voorbeeld van hoe het er in de beleving van mensen aan toegaat in de buurt. Het imaginaire leed van Donny kreeg iets voorbeeldigs, alsof de daders er van meet af aan rekening mee hebben gehouden dat de moraal van het verhaal ondubbelzinnig moest wezen.

In veel ware, half-ware en onware verhalen staat de angst voor ‘The Other’ centraal. Het wantrouwen voor de ‘Andere’ is een universele menselijke eigenschap, een evolutionair ingebakken overlevingsstrategie. De argwaan ten aanzien van de ‘Andere’ is van alle tijden en alle culturen. De ‘Andere’ is anders op basis van categorieën als cultuur, politiek, religie, geaardheid en etniciteit. In de Broodje Aap-verhalen die ik in mijn jeugd hoorde en geloofde, figureerden als gevaarlijke ‘ander’ onder meer de motorrijder, de neger en de homo. Nadien kwamen de punker en de skinhead. Na 11 september 2001 is de nadruk vooral komen te liggen op de etnische en religieuze verschillen: de ‘Ander’ is nu bovenal de allochtoon, de moslim.

De criminalisering en demonisering van allochtonen en moslims is natuurlijk allerminst politiek correct. Maar met verhalen mag je vaker zeggen wat rechtstreeks niet kan. De verhalen die in feite bevestigen dat allochtonen criminelen zijn en moslims terroristen, vinden bij autochtone Nederlanders maar al te gemakkelijk gehoor en geloof, en getuigen van latente etnische en religieuze vooroordelen. Het wereldnieuws voedt, zeker sinds 11 september, deze vooroordelen en gedachten nog eens. Het Midden-Oosten is momenteel het toneel van geweld. Moslims komen wereldwijd vooral nog in het nieuws als stenen- of bommengooiende terroristen. In Nederland viel Pim Fortuyns oordeel over de islam als een "achterlijke cultuur" ook al tijdelijk bij velen in vruchtbare bodem. Berichtgeving over soms dodelijke gevallen van 'zinloos geweld' waarbij jonge Marokkanen betrokken zijn (René Steegmans in Venlo, Anja Joos in Amsterdam) zijn inmiddels in hoge mate bepalend geworden voor de Nederlandse beeldvorming ten aanzien van andere etnische groepen in de samenleving. Positieve berichtgeving over moslims of allochtonen is in de afgelopen tijd ver te zoeken.

Daarmee is een geduchte voedingsbodem gelegd voor geruchten en urban legends. Dergelijke verhalen imiteren soms het echte leven, of doen er nog een schepje bovenop. Ze kunnen worden verzonnen om de eigen angsten of wanen in te kunnen projecteren, of om anderen de schuld te geven en buiten zichzelf te plaatsen. En de verhalen kunnen zich verspreiden omdat ze latente angsten perfect onder woorden brengen. De verhalen kunnen door anderen vervolgens weer als werkelijkheid, als nieuwsfeit, worden beleefd.

Sinds enige tijd circuleren er in Vlaanderen en Nederland verhalen over allochtone bendes die eenzame meisjes ’s nachts de keuze geven tussen groepsverkrachting of de ‘engelenlach’ – in Nederland wordt wel het begrip ‘smiley’ gebruikt. Een meisje dat zo naief is om voor het laatste te kiezen, worden de mondhoeken met een mes tot de oren uitgesneden. In de jaren 1950 bestond het verhaal al in Engeland: toen stonden voetbalsupporters bekend om het toebrengen van de Chelsea-smile. Het verhaal lijkt in 2000 het Kanaal te zijn overgestoken, en duikt in Brest op met een etnische inslag: de aanvallers waren allochtonen. Het verhaal reist van Wallonië naar Brussel, en rukt in het Vlaams op naar Gent, waar het eind 2002 veel onrust veroorzaakt onder studentes. In 2003 arriveert het in een Nederlandse studentenstad: Leiden. Maar ook in Zaltbommel en Rotterdam steekt het de kop op. Telkens doet de politie onderzoek, maar een slachtoffer wordt niet gevonden.

Een andere urban legend met een negatieve boodschap over moslims bereikte Nederland in december 2002. In een column in de Haagsche Courant doet Peter van der Hoest op 17 december verslag van een aankondiging van kerstmartkterreur, en hij is er heilig van overtuigd dat het verhaal waar is: hij kent de betrokken dames immers persoonlijk. Begin december gaan de twee dames met een touringcar de grens over om te winkelen in het Duitse Oberhausen. In het winkelcentrum stuiten ze plots op een verlaten tas, waar een kapitaal aan Amerikaanse dollars in blijkt te zitten. Juist als ze besluiten om met de tas naar de politie te gaan, meldt zich een zenuwachtige, Arabisch uitziende man. Hij is een tas kwijt, en als hij een accurate beschrijving ervan geeft, besluiten de dames om hem de tas terug te geven. De man is dolgelukkig en wil de dames meenemen naar een juwelier, waar ze iets zouden mogen uitkiezen. De dames weigeren dit, waarop de man zegt: "Ik wil u toch iets geven! Daarom zeg ik u: kom hier vóór kerst niet meer terug. U moet me beloven, doe dat niet!" En dan maakt de man zich uit de voeten. Het begint tot de twee vrouwen door te dringen, dat er een terroristische aanslag in voorbereiding is, en ze doen aangifte bij de Duitse politie. Eenmaal thuisgekomen melden ze het incident ook bij de touroperator, die meteen besluit om alle trips naar Oberhausen te annuleren.

Het kerstmarktterreur-verhaal circuleerde al wat langer, niet alleen over de grens in Oberhausen en andere winkelcentra in het Ruhrgebied, maar ook in Limburg, en dan met name over de kerstmarkten in Maastricht, Sittard en Heerlen. Dagblad De Limburger meldt dat de kerstmarkt Winterland op het Vrijthof in Maastricht door de hardnekkige geruchten enige tijd toch minder druk bezocht is geweest. En Milot Reizen in Rotterdam heeft op basis van het verhaal daadwerkelijk enkele winkelreisjes naar Oberhausen verplaatst naar Düsseldorf. De Duitse en de Nederlandse politie hebben nooit een aangifte gehad, hebben na onderzoek nooit de betrokken personen gevonden, maar hebben wel veel telefoontjes ontvangen van verontruste burgers.

Feit is, dat de bewuste urban legend al bijna een eeuw oud is. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1915, circuleerde het gerucht al in Engeland. Een Engelse verpleegster zou door een dankbare gewonde Duitse officier zijn gewaarschuwd voor een aanslag in de Londense metro. Na de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001 maakte deze urban legend een ongekende come back door. In de VS en ook in Nederland gonsde het van de geruchten: de aanslagen waren al aangekondigd door een dankbare Arabier, of nieuwe aanslagen werden voorspeld. In de Amsterdamse metro zou een Arabier zijn portemonee zijn verloren. Een vrouw die de beurs aan hem terug gaf, kreeg van de man te horen dat ze op een bepaalde datum niet naar Londen moest gaan, omdat er een grote aanslag gepleegd zou worden.

Het is duidelijk dat de gevreesde ‘Ander’ in het verhaal op de golven van de tijdgeest met gemak meeverandert: was de vijand voorheen de Duitser, nu is het de (extremistische) moslim. De urban legend van de kerstmarktterreur appelleert sterk aan latente gevoelens van onbehagen en paranoïa ten aanzien van moslims: ‘ze zijn onder ons en ze zijn tegen ons’ is de onderliggende gedachte. Het verhaal over een aanstaande aanslag op een kerstmarkt heeft bovendien een grote symboolwaarde. Het toont op een narratieve manier aan dat moslimterroristen het voorzien hebben op onze westerse welvaart en onze christelijke wortels.

Het verhaalonderzoek toont ten aanzien van allochtonen, en in het bijzonder van moslims, een toenemende demonisering. Ze worden in verhalen steeds vaker geportretteerd als de gevaarlijke ‘anderen’: de onbetrouwbare buitenstaanders, de gewelddadigen, de terroristen, de criminelen.

Conclusie

We kunnen vaststellen dat er in de dagelijkse vertelcultuur - waarbinnen de media een belangrijke en soms doorslaggevende rol spelen - vaak sprake is van een interferentie tussen feit en fictie. Sterke verhalen kunnen soms een enorme impact hebben op de werkelijkheidsbeleving en kunnen een barometer zijn voor het maatschappelijke klimaat. Voor volkskundigen is de vraag naar de beleving interessanter dan de absolute waarheidsvraag: waarom beleven mensen bepaalde verhalen als waar? Dé absolute waarheid bestaat immers niet - waarheid is een kwestie van conceptie.

Verder hebben we kunnen vaststellen dat niet alleen verhalen het echte leven imiteren, maar ook omgekeerd dat het echte leven verhalen imiteert. We vertellen, horen, zien en lezen sagen, maar we geloven, spelen, beleven en leven sagen ook weer. Voor dit laatste is ostension een bruikbaar begrip. Voor een bepaald type verhalen is de term proto-ostension van nut: mensen vertellen sagen alsof ze er zelf bij betrokken zijn geweest - omdat ze dat zelf geloven, zelf willen geloven of omdat ze willen dat anderen dat geloven. Dat geldt zowel voor Jules Croiset, voor Yolanda uit Epe, voor de Koeweitse ooggetuige, als voor Miranda uit Assen en Tathnoeska uit Hoogezand. In hun verhalen figureren, net als in veel moderne sagen, de gevaarlijke ‘Anderen’ die schuldig en niet te vertrouwen zijn: rechtsextremisten, satanisten, vijandige soldaten, maar de laatste tijd in toenemende mate allochtonen en moslims. Dat is voor etnologen een cultureel en historisch gegeven, voor de media een reden tot voorzichtigheid en terughoudendheid, en voor politiek en samenleving een bron van zorg.

Tot slot nog een journalistieke ‘moraal van het verhaal’. Een ‘sagenchecker’ bestaat niet. Het zou ook niet zoiets zijn als een ‘spellingschecker’, maar eerder zoiets als een ‘viruschecker’. Een goed computervirus slaagt erin om de viruschecker te omzeilen. De checker hobbelt namelijk altijd achter de feiten aan en brengt alleen oude bekende virussen tot staan. Ik bedoel dit als troost: journalistieke voorzichtigheid is geboden, maar ondanks dat zal het gebeuren dat een journalist soms in een sterk verhaal trapt... en dat is geen ultieme schande.