VERTEL EN JIJ ZULT VERTELD KRIJGEN

Bram van der Wurff

(Toespraak gehouden op dinsdag 4 maart 2003 ter gelegenheid van het openbaar worden

van de Foppe-collectie in het Meertens Instituut.)

 

Vandaag is in het huis waarin orale verhalen, hun vertellers en zelfs hun hoeders vrijelijk mogen verblijven, een nieuwe bewoner komen wonen: Frans Foppe.

Frans Foppe noemde zich een vertelprofessor. Een titel die hij altijd met een wat jongensachtige glimlach en ernst uitsprak. Alsof hij wist dat hij geen professor was maar het wel wilde zijn. Geen universitaire professor, maar een professor zoals uit een jongensboek omgeven door een verstrooid en versluierend aureool. Een professor waarvan je aannam dat hij nooit kind was geweest of op zijn minst als professor was geboren. Hij wilde altijd overtuigen dat hij alle verhalen, alles over de vertelkunst en vooral alle vertellers kende. Zo was hij bezig een vertelbibliografie op te zetten, wilde hij vertelscholen veroorzaken in welke vorm dan ook. Hij wilde zich in verhalen hullen maar daarbij boden verhalenbundels, video- en geluidsbanden met verhalen hem onvoldoende. Hij wilde boven alles vertellers verzamelen.

 

Vertellers onder elkaar

Frans Foppe was een man die naar vertellers speurde. Bij mijn beste weten was hij altijd wat vaag over wie hij wel en wie hij niet als verteller zag. Het zal ergens in juni 1982 zijn geweest dat Frans en ik voor het eerst met elkaar kennismaakten. Vanaf 1975 mocht ik me als jeugd- en schoolbibliothecaris en wat later als consulent literaire vorming me verdiepen in de bijzondere wereld van de vertelkunst. Frans zocht mij op in mijn toenmalige woonplaats ‘s-Hertogenbosch. Ik haalde hem bij het station op en een kwartier daarna zaten we in een eetcafé. Nog voordat de bediende onze koffie op tafel had gezet, hield hij met zijn beide handen mijn hoofd vast en met de charme van de vieze oude man ging hij mij een verhaaltje vertellen. Ik geneerde me, maar luisterde. Nog nooit heb ik zo intens naar een verhaal geluisterd als toen. Frans was nog niet klaar met zijn verhaal of hij zei: "En nou jij!" Hij zag dat ik aarzelde. "Ik heb jou een verhaal verteld en nou moet jij ook een verhaal vertellen. Dat hoort zo." Hij zei het zo overtuigend dat ik me als een kind voelde dat voor het eerst met vreemde kinderen aan een spelletje meedeed waarvan ik de spelregels niet kende. En Frans was het bazige jongetje die deed alsof hij het voor het zeggen had.

Met het gevoel dat ik niet helemaal aan zijn wensen kon voldoen, vertelde ook ik een verhaal. Ik zag dat hij genoot. Of hij mijn verhaal volgde, weet ik niet; hij bekeek me. Taxeerde mijn expressie. Met mompelende geluidjes en met die kenmerkende muizig-mimische trekjes op zijn gezicht volgde hij mijn verhaal. Samenzweerderig zei hij na afloop: "Nu zijn wij als vertellers onder elkaar."

Hij pakte zijn fototoestel en maakte een foto van me.

"Ik herken meteen vertellers," zei hij. "Voortaan moeten wij elkaar vertellen."

Vanaf die dag hebben Frans en ik vele gesprekken gevoerd, maar zijn idee te vertellen om daarmee een verhaal terug te krijgen is me tot de dag van vandaag blijven boeien. Als verteller ontmoet ik veel kinderen. Het is zeker ook Frans Foppe geweest die mij voortdurend uitdaagde mijn vertelervaringen uit te dragen. Ook vandaag wil ik dat graag doen.

 

Waar is een verteller zonder publiek?

Wie goed vertelt laat zijn publiek genieten. Kinderen laten een verteller delen in hun plezier als hij een verhaal goed vertelt. Zij hebben een interactieve relatie met de verteller. Ze zijn muisstil als ze heel benieuwd zijn naar wat er gaat komen. De verteller bespeurt onrust onder zijn jonge publiek als de spanning hen teveel wordt. Of is het ook hun ongerustheid over het verloop van het verhaal, soms? Tot nu toe heb ik zeker twee keer meegemaakt dat een paar kinderen met dikke tranen rollend over hun wangen zonder één woord te zeggen, aan mij vroegen het verhaal niet verkeerd te laten aflopen. Jonge kinderen zeker bootsen de gebaren van een verteller graag na. Het is daarom voor de verteller een verrukkelijk spel zijn gebaren tijdens zijn verhaal extra aandacht te geven.

Rumoerig zijn ze als de verteller hen even in verwarring brengt, rumoerig ook als de verteller zijn verhaal niet meer in de hand heeft. O ja, ze roepen, joelen, lachen, klappen in hun handen of stampen op de grond ook bij wijze van bewondering en aanmoediging. In het begin van de carrière van iedere verteller bezorgt deze hilariteit hem vaak een natte rug, zeker als je een verteller van de koude grond bent. Daarom is het heerlijk om in Nederland veel vertellers uit bijvoorbeeld de Caraïben te hebben. Velen hebben de verwachte hilariteit van hun publiek al in hun vertelling ingebouwd. Sommige van die verhalen kun je niet eens meer vertellen als het dansen en zingen daarbinnen wordt weglaten.

 

Verhalen vertellen over de levenskunst

Wie aan kinderen vertelt, geeft plezier en biedt hen een sfeer van geborgenheid. Een verteller vervult voor hen ook een pedagogische functie. Met zijn verhalen reikt de verteller hen vergelijkingen aan. Verhalen helpen het kind zijn wereld differentiëren en helder maken. Het kind krijgt door het luisteren naar verhalen mogelijkheden aangereikt die zijn vaardigheden vergroten qua taal, motoriek, cognitie, emotie, fantasie en zintuiglijke waarneming.

Afhankelijk van hoe vaardig een kind op deze gebieden is, kunnen verhalen een gids zijn bij zijn speuren naar en het ontdekken van zijn levenskunst.

Zoals die ene keer. Marieke, een dreumes van nog geen drie, stond bij mij in de tuin naar een hommel te kijken die hommelend de klokjes van mijn vingerhoedskruid binnendrong. Ze liep naar me toe en wees: "Wat doet die daar?" Al mijn kennis over het vergaren van nectar en kruisbestuiving lieten me bij het zoeken naar mijn antwoord aan haar in de steek. Wat schuldig zei ik tegen Marieke: "Die hommel vindt dat lekker, binnenin de bloem zit een hele kleine lolly. Alleen hommels vinden dat lekker." Ze keek me even wat bedenkelijk aan, daarna liep ze terug en ze ging opnieuw naar de hommel. Na een tijdje kwam ze opnieuw naar mij toe en vroeg: "Mag ik een lolly?" Ik vond in het snoepdoosje alleen maar wat zuurtjes en ik gaf er een aan haar. Wonderlijk genoeg stelde zij zich daarmee tevreden. Heel geduldig ging ze voor het vingerhoedskruid zitten. Met haar hoofd bootste ze de kenmerkende manier van vliegen van de hommel na. Daarbij maakte ze met haar tong hoorbare likbewegingen. Telkens als een hommel de bloem binnendrong, likte ze slurpend aan haar zuurtje. Omdat ik graag met haar wilde genieten, nam ik ook een zuurtje en ging naast haar zitten. Met de ernst van een onderzoeker, liet Marieke me af en toe aan haar zuurtje likken. Vanzelfsprekend keurde ze ook die van mij. Zelden heb ik mij zo kunnen identificeren met een hommel als toen.

 

Vertellen doe je oprecht

Iemand die aan jonge kinderen vertelt, is naar zijn beste kunnen altijd oprecht. Wat je voelt, komt altijd over bij kinderen, zeker bij jonge kinderen. Zelfs als je jouw gevoel probeert te verstoppen. Juist dan pikken de kinderen datgene op wat je probeert te verbergen.

Voorbeeld.

Je hebt de keuze een verhaal uit een boek over een grote hond wel of niet te vertellen. Jouw ervaringen met een grote hond zijn nu bepalend of je dit verhaal wel of niet kunt vertellen. Bedenk dat je tijdens en na het vertellen allerlei vragen van het kind krijgt! Stel, je loopt met een jong kind aan de hand over straat. In de verte zie je een grote hond aankomen. Dan heb je minstens drie mogelijkheden. Je loopt gewoon door en aan die hond schenk je geen aandacht. Je zoekt even contact met het dier, aait hem misschien zelfs. Of je slaat, bang als je bent, angstvallig een ander straatje in. Maar als dat niet kan? Dan knijp je angstvallig in het handje van het kind als die hond dichterbij komt. Op het nippertje steek je de straat over. Je sleurt dan dat jonge kind bijna achter je aan met de woorden: "Hondje doet niks hoor." Zelf ben je overduidelijk bang. Terwijl je eigenlijk probeert te vermijden dat het kind bang voor een grote hond is, maak je het kind nu juist volop attent op jouw angst. Zo'n angst slaat over op dat kind.

Heb je dan gefaald? Och, je bent immers een mens met goede en oprechte bedoelingen. Maar je gaat vast en zeker wel fouten maken als je, bang als je bent, dat verhaal daarna over die grote 'enge' hond gaat vertellen aan kinderen. Tijdens jouw vertelling breng je dan ongewild iets van jouw bangigheid over op kinderen, al is het nog zo'n leuk verhaal.

Als een verhaal je tegenstaat, vertel het dan niet.

 

Vertellen is meer dan gezellig, alleen

Wie aan kinderen vertelt, is zich misschien niet zo bewust van de sociale functie van het vertellen. Een verteller laat het kind ervaren hoe prettig het is in zijn eentje of in een groep van iemand te genieten die een verhaal vertelt. Maar ook het kind dat gewend is naar verhalen te luisteren, biedt zijn ervaringen over gezelligheid aan zijn verteller aan. Tegelijkertijd ervaart het kind dat het luisteren naar een ander ook andere bijzondere kanten heeft: het kind leert een ander beter kennen.

Een kind wil jou als verteller nadoen en wil zelf ook gaan vertellen. Wie naar een kind wil luisteren daagt hem uit zijn verhaal aangenaam en in rust te vertellen. Als wij kinderen bijvoorbeeld alleen maar vragen naar ons te luisteren, dan zullen zij onze verhalen wel horen met hun oren maar niet horen met hun hart.

Hoe kan het toch dat wij de ene persoon heerlijk vinden vertellen, terwijl we dat gevoel bij een ander helemaal niet hebben. Integendeel, je volgt niet eens het verhaal terwijl de gebeurtenis op zich spectaculair kan zijn. Waar zit dat in? Hèt antwoord heb ik daar niet op.

Eén van de belangrijkste dingen is dat de verteller opnieuw beleeft wat er gebeurde, opnieuw de situatie als het ware doorvoelt en doorleeft met de geur en de smaak, met de geluiden en de beelden, met alle gevoelens voor de mensen in dat verhaal en de gevoelens voor wat er gebeurt. Dan komen de woorden vanzelf en draagt de verteller zijn gevoel over. Een verhaal krijgt een extra maar ook noodzakelijke dimensie wanneer een verteller blijk geeft zijn publiek te kennen. Zo zal een vader en een moeder hun kind een rol te geven in een verhaal. Dit geeft een kind eenzelfde gevoel van mystiek als de geheimzinnige waas die rondom het boek van Sinterklaas hangt. Wie aan onbekende kinderen vertelt, bijvoorbeeld aan kleuters, dient in mijn ogen de kleuterwereld te kennen. Zonder die kennis is een verteller met vreemden in één ruimte, waarbij niet alleen het verhaal wegkwijnt.

 

… ze willen zelf ook vertellen

Kinderen kunnen allemaal vertellen en hoe! Ze moeten wel van het begin af aan luisteraars gehad hebben. Wanneer ouders, broertjes, zusjes, opa's of oma's de tijd hebben genomen naar de verhalen van het kind te luisteren voelt het kind zich serieus genomen. Dan voelt het kind dat het de moeite waard is om naar te luisteren, dat zijn of haar verhaal belangrijk is. Dan leert het kind gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en ideeën onder woorden te brengen. En al doende durft het kind alles naar voren te brengen. Omdat het al doende ook heeft geleerd wat het, wanneer het en hoe het kan vertellen. Het kind oefent zo het ordenen van gedachten en gevoelens. Het kind leert de wereld met de mensen kennen. Het kind oefent natuurlijk op deze manier het vertellen en groeit al doende in actief taalgebruik. Een kind naar wie geluisterd wordt, dat serieus genomen wordt, is ook beter in staat zelf naar anderen te luisteren en anderen serieus te nemen.

Niet alle kinderen hebben het geluk aandachtige volwassenen om zich heen te hebben. Deze kinderen voelen dat hun verhaal in de regel niet belangrijk is. Zij verleren het vertellen en krijgen ook steeds meer moeite duidelijk te zijn omdat ze of te snel willen vertellen of eindelijk zo genieten van de aandacht dat ze te uitgebreid vertellen. Beide wijzen van vertellen roepen bij de betreffende volwassene en andere kinderen irritatie op. Met als gevolg dat het kind het de volgende keer nog moeilijker heeft met vertellen en misschien meteen al merkt dat de luisteraar zich voorbereidt op een nieuwe irritatie. Je kunt je voorstellen dat zo'n spiraal in de regel bergafwaarts draait.

Kinderen aan wie regelmatig veel voorgelezen en vooral verteld wordt, hebben het geluk de sfeer van geborgenheid te kennen en ze leren vele verhalen kennen. Zij ontwikkelen hun gevoelsleven 'in natura' en niet alleen in de verhalen van tv-films en videobanden. Luisteren naar verhalen heeft invloed op de manier van tegen de wereld aankijken en heeft invloed op de manier waarop kinderen hun eigen verhalen vertellen.

In mijn leven heb ik bijzondere mensen ontmoet die de kunst van het vertellen beheersten, maar ook mij uitdaagden met mijn vertellen aan de slag te gaan. Van één wil ik jullie laten genieten. Willem Iven, hij overleed eind zestiger jaren.

 

Mijn meester vertelde

Mijn hoofdonderwijzer heette Willem Iven. Hij is mijn voorbeeld als verteller. Ik pas nog dagelijks in mijn vak als verteller zeker drie dingen toe die ik van hem heb geleerd. Bestaande gebeurtenissen in een verhaal zo te bewerken dat anderen er zich ook in zullen herkennen. Met al mijn zintuigen verblijf ik in een verhaal, al vertel ik daar niet over, maar als jij mij midden in het verhaal zou stoppen en mij bijvoorbeeld zou vragen wat voor een weer het is, kan ik jou dat meteen zeggen. Het derde dat ik heb geleerd, is eindeloos aan een verhaal te blijven sleutelen.

Maar kom, ik wil jullie mijn meester voorstellen.

Hij zag er voor mij in het begin gevaarlijk uit. Hij had een groot hoofd. Hij droeg een zware bril met een zwart montuur. Hij had zijn 'lange' zwarte haren achterover gekamd. Hij kon brullen als een stier in nood. In de kerk zong en bad hij altijd vanuit het koor veel te hard mee. Hij sjokte een beetje. Het kruis van zijn broek hing dikwijls te laag.

Hij wist dat juist de kleintjes op school het bangst voor hem waren. Daarom kwam hij aan het begin van het schooljaar met zijn solex naar school en mochten alle eersteklassers bij hem achterop. Hij scheurde dan met zo'n bang wezentje op de bagagedrager een rondje over de speelplaats. Een keer reed hij zelfs de school binnen. Ik weet dat nog zo goed omdat ik toen bij hem achterop zat.

Het zou nog vijf jaar duren voordat ik hem als leraar kreeg. Hoe mijn vijfde en zesde klas bij hem precies verliepen weet ik niet meer zo goed. Wat ik wel heb onthouden is zijn vertelkunst. Van zijn verhalen ben ik de tekst kwijt. Maar de beelden kan ik me nu, zelfs na zo’n 38 jaar, nog steeds voor de geest halen en pas dan komen er weer woorden. Woorden die inmiddels van mij zijn. Iven gaf zijn woorden in bruikleen, met de bedoeling dat wij er onze eigen weg mee zouden inslaan.

Zelfs als hij les gaf, vertelde hij. Hij kon me rekenen leren, vooral de redactiesommen, omdat hij met zijn vertellen de sommen liet leven. Als de ramen vanwege de hitte open stonden en hij behandelde de poolgebieden, zat je te blauwbekken in je bank. Hij nam je aan zijn vertelhand in de gangen van een mol mee. Daarom hoorde ik later bijvoorbeeld bij het lezen van Bomans' Erik, of Het kleine insectenboek niet Bomans' karakteristieke stem, maar de stem van Willem Iven. Ondanks zijn wisselende en soms ongenaakbare humeur werd zijn vertelkunst voor mij een gids bij het lezen van verhalen en later een leidraad bij het vertellen van mijn eigen verhalen.

Op een keer, ik zat toen in de zesde klas, vroeg ik aan Iven waar hij zijn verhalen vandaan haalde. Hij liep daarop naar een glazen wandkast en schoof de enige deur, waar een gordijntje voor hing, open. Hij pakte een boek, waarvan ik de titel (1) pas later, toen ik het bij een antiquariaat kocht, weer herkende. Ik mocht het meenemen. Op weg naar huis had ik een waas voor mijn ogen: ik had nu zijn geheim in mijn bezit. Ik zou, als ik het boek had gelezen, ook kunnen vertellen. Het was: mijn steen van Rosetta. Ik las. Lezen buiten school om was toen voor mij iets onbekends omdat we thuis geen boeken hadden. Niemand uit onze klas, in dat dorpje van nauwelijks duizend inwoners (2), had boeken. Een bibliotheek was er toen niet.

Ik bladerde en ik las fragmenten, maar nergens herkende ik de verhalen die ik had gehoord. O jawel, de verhalen leken wel, maar meester Iven maakte er andere verhalen van.

Na een week toen ik het boek terugbracht, vertelde ik mijn teleurstelling. Hij reageerde nors. Ik had het gevoel alsof ik weer dat bange jongetje achterop zijn solex was. Een maand later, geloof ik, kreeg ik van hem tijdens de les verplicht stillezen het boek Dode lente van Rachel Carson (3).

Iedereen mocht een uurtje lezen in de Kinderen van 1813 van An Rutgers van der Loeff-Basenau (4), het eerste kinderboek dat we ooit zonder bruine kaft onder ogen kregen, lezen. Ik moest van hem twee weken op een rij in Dode lente lezen. Populair-wetenschappelijke literatuur van één van de wonderlijkste vrouwen die ik ken. Zij was het die voor het eerst vanuit een wetenschappelijke visie het gebruik van synthetisch-organische verdelgers scherp aan de kaak stelde. Voor mij werd dit mijn eerste echte lesboek, niet in milieu-educatie, maar in de vertelkunst.

Er heerste een merkwaardige doodse stilte. De vogels bijvoorbeeld, waar waren ze gebleven? Velen spraken erover, onbegrijpend en verontrust. De voedertafels in de achtertuinen bleven onbezocht. De weinige vogels die nog gezien werden, zieltoogden; zij trilden over hun lijven en konden niet vliegen. Het was een lente zonder lentestemmen. De morgens, die eens vervuld waren van het gezang en geroep van roodborstjes, spotlijsters, duiven, Vlaamse gaaien, winterkoninkjes en tal van andere vogels waren nu dood; geen geluid klonk over de velden en bossen en heiden.

Op de boerderijen broedden de kippen wel, maar geen kuikens werden geboren. De boeren klaagden dat ze geen varkens meer konden fokken; de worpen waren klein en de jongen leefden slechts enkele dagen. De appelbomen bloeiden wel, maar geen bijen gonsden om de bloesem, zodat er geen bevruchting plaats vond en er dus geen vruchten zouden komen. De bermen van de weg, die eens pronkten van schoonheid, waren thans begroeid met bruine en halfvergane planten, alsof er een vuur had gewoed. Ook de wegen lagen stil en verlaten, alsof geen levende wezens ze meer wilden betreden. Zelfs de beken waren levenloos. Hengelaars kwamen er niet meer, want de vis was uitgestorven.

De mens had dit over zichzelf gebracht. (5)

Op een dag vertelde meester Iven een verhaal. Het kwam regelrecht uit Dode lente. Ik zat op het puntje van mijn stoel. Knap hoe hij voor ons het boek samenvatte. We genoten van zijn verhaal, maar ik luisterde ook als een leerling-verteller naar hem. Ik kende de tekst, zoals ik deze had gelezen. Hij gebruikte eigenlijk alleen de inleiding van Carsons boek. Ik kreeg door hoe hij ons, als boerenkinderen, aansprak op wat we al wisten. Zijn kijk op de dingen gaf beroering. Hij kende als dorpsmeester ons huiselijk leven als geen ander. Iedereen in de klas had tijdens Ivens vertelling het kippenhok, varkenskot, de melk- of koeienstal of haag of beuk in zijn of haar eigen omgeving voor ogen. Hij wijdde uit over wat we zo goed kenden. We griezelden bij de gedachte dat de dood van een koe of het verdwijnen van madeliefjes in het weiland misschien wel kwam omdat onze vaders met gif hadden gespoten.

De stiltes in zijn verhaal waren om te snijden. Hij luisterde dan of hij een vogel hoorde fluiten. Tijdens zo'n stilte hoorden we alleen af en toe een auto voorbijrazen. Geen rampenfilm heeft op mij later meer indruk gemaakt, dan Ivens vertelling toen. Met zijn handen in de zakken van zijn veel te wijde broek wapperde hij ijsberend door de klas. Zijn onrust, omdat geen vogel wilde zingen, ging bij ons door merg en been. Hij floot slecht, maar toen was elk geluid waarmee hij een vogel nabootste, een verademing. Hij gaf ons hoop.

Hij declameerde in zijn verhaal het gedicht Gierzwaluwen van Guido Gezelle.

Gierzwaluwen

(Cypselus Apus)

'Zie, zie zie,

zie! zie! zie!

zie!! zie!! zie!!

zie!!!

tieren de

zwaluwen,

twee-driemaal

drie,

zwierende en

gierende:

'Niemand, die...

die

bieden den

stiet ons zal

Wie? wie? wie??

wie???'

Piepende en

kriepende,

zwak en ge-

zwind;

haaiende en

draaiende,

rap als de

wind;

wiegende en

vliegende,

vlug op de

vlerk,

spoeien en

roeien ze

ringsom de

kerk.

Leege nu

zweven ze, en

geven ze

bucht;

hooge nu

hemelt hun'

vlerke, in de

lucht:

amper nog

hoorde ik... en

die 'k niet en

zie,

lijvelijk

zingen ze:

'Wie??? wie??? wie?

Wie...'

Als Iven vertelde was geen vorm hem vreemd. Tijdens zijn vertellingen zagen we hem improviseren. Hij kon als hij een verkeerde weg was ingeslagen, plotseling achter zijn bureau gaan zitten. Als een verslagen man zat hij dan letterlijk met zijn handen in het haar. Hij streek zijn haren naar achter. Soms zette hij zijn bril af en wreef dan woest over zijn gezicht. Op dat moment was bij ons de spanning te snijden. We zaten stokstijf aan onze banken gekluisterd. Op zulke momenten leerden we onszelf respect te hebben voor iemand die in zijn verhaal blijft steken. Al doende vonden we het heel natuurlijk als hij zijn verhaal even kwijt was, want we wisten dat hij na zo'n kleine onderbreking sterker zou terugkomen.

Maar hij deed nog meer. Hij gaf aan begrippen als microbiotische pesticide, DDT, herbiciden, een Japanse kever die per ongeluk de Verenigde Staten binnenkwam en chromosomen een persoonlijke betekenis. Het werden karakters. Iven deed dat vooral als de zakelijke betekenis van een begrip wat moeilijk uit te leggen was. Of zoals ik hem ook leerde kennen, vond hij het van tijd tot tijd leuk om de gewichtigheid waarin de wetenschap zich graag hult op de hak te nemen. Toen ik later de wetenschappelijke betekenis van deze begrippen leerde was zijn manier van uitleggen eerder een steun dan een sta-in-de-weg voor mijn studie.

Na de lagere school liep ik weleens met hem op. Hij kwam dan in z'n eentje als een eenvoudig geklede jager met een (k)wispelturige jachthond voorbijgelopen. Uit de weinige woorden die we dan wisselden, begreep ik dat hij zijn omgeving als een allegorie beschouwde: alles hing samen met alles.

Meester Iven wist op een bijzondere manier wat we kenden en van wat vreemd voor ons was te verbinden. Een koe stond niet alleen voor een beest, maar was voor velen van ons de reden van het boerenbestaan. Ivens vertelkracht zat hem vooral in het feit dat hij deed alsof hij iedereen en alles uit het verhaal, zelfs de schurken, persoonlijk kende. Hij kende de beelden, de woorden kwamen dan vanzelf. Een aantal verhalen vertelde hij elk jaar weer opnieuw. Van mijn broertjes en zusje hoorde ik, toen zij bij hem in de klas zaten, die verhalen terug. Altijd had hij nieuwe feiten en kleine veranderingen in de gebeurtenissen aangebracht.

Zijn verhalen leefden met hem mee.

 

 

Noten

(1) Het nieuwe boek voor de jeugd. Amsterdam, Amsterdamsche boek- en courantmaatschappij, 1941.

(2) Elsendorp (Noord-Brabant).

(3) Rachel Carson: Dode Lente; 2e dr. Amsterdam, Becht, 1962. Rachel Carson (1907-1964) begon haar literaire leven toen ze acht jaar was. Ze studeerde Engelse letterkunde aan het Pennsylvania College for women. Haar behoefte om schrijfster te worden werd overschaduwd door haar interesse voor de natuur om haar heen. In 1929 sloot ze haar studie biologie af. Na die tijd deed ze wetenschappelijk onderzoek. Vooral de maritieme biologie interesseerde haar hevig. In 1952 verscheen haar boek The sea around us (onder de titel De wereldzee in de 6e druk als Salamanderpocket verschenen). Haar boek, Dode Lente, heeft een aanzet gegeven om in alle lagen van de bevolking over de hele wereld het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen kritisch te bekijken.

(4) Verschenen ter gelegenheid van ons 150-jarige Koninkrijk.

(5) Uit het eerste hoofdstuk van Dode lente; zie verder noot 3.