elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: specie 

specie  , specie , spies  , metselkalk, kalkmortel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
specie , spesie , [zelfstandig naamwoord] , 1 metselkalk.; 2 stof. ‘t Eten was lekker, moar ‘t was ook beste spesie.; 3 klinkende munt. In spesie betoalen.
Bron: K. Ter Laan (1952), Nieuw Groninger woordenboek, 2e druk (herdruk 1989), Groningen
specie , specie , 1. specie. 2. veen in bepaald stadium der turfbereiding
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
specie , specie , 0 , 1. specie Hej specie genog veur die muur? (Bal), De specie wordt al hard! (Sle), z. ook spijs II 2. dunne veenmodder (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Bie het baggeln luip de specie in het paand (Erf) 3. geld (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Die vent hef specie genog (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
specie , specie , zelfstandig naamwoord , de; specie, ook: veenspecie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal