elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: griezel

griezel , griessel , voor hark, alsmede het werkwoord griesselen. Anders zegt men: eene houten en ijzeren reek. Zie hierover De Navorscher XIX 1869 bl. 463.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
griezel , [kleinigheid] , griezelke , kriezelke , Beetje, kleinigheid; verwisseling van ie en ui (als kieken en kuiken): gries, gruis, gruizen, gruizel, gruizelen, vergruizelen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
griezel , grûsel , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] huiverig.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
griezel , grü̂sel , (bijvoeglijk naamwoord) , huiverig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
griezel , griezel , afkeer, afschuw, walging, afgrijzen; ’k heb d’r’n griezel veur = als ik dat zie of er om denk gaat mij eene griezeling door de leden; gōng (of: d’r gōng) mie ’n griezel over de grauel = ik huiverde bv. toen ik den dierentemmer in het leeuwenhok zag gaan; ook Overijselsch: de griwwel ôver de grawwel, en aldaar: griewel = rilling, huivering, griezeling; Stadsfriesch gries = afschuw; Neder-Betuwsch griesel = huivering; Oostfriesch grisel = afkeer, afschuw; Noordfriesch grese, gresing = griezeling. Middel-Nederlandsch grisel = iets afschuwelijks, weerzin- of walgingwekkends (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
griezel , griezeltje , zie biet * (bldz. 503.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
griezel , griesel , m , hark.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
griezel , griesel , zelfstandig naamwoord , ijzeren tuinhark. Het werkwoord griesele (harken) is hiervan afgeleid. Op zondagen, met de kermis en andere feestdagen moest het zand voor het huis en d’n hofpad keurig gegrieseld worden, in schòòn zig-zag banen, dè stònd, mardie.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
griezel , griezels , kriebels, rillingen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
griezel , grisselties , grusselties , kleine deeltjes, splintertjes.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
griezel , griezel , grissel, griezen , griezels , Ook grissel (Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 2.), griezen (mv. Zuidoost-Drents zandgebied in bet. 1.) = 1. rilling Het was zo kold, de griezels laipen mie over de rugge (Vtm), De griezels gungen mie over de hoed (Bov), ...over de grouwel (Nije), ...over de grouwels (Sle), ...de grouwe (Coe), De griezen gaot mij over de grouwen (Pdh), Zij kreeg de griezel, toe as ze det geile spek op het bord kreeg (Ruw), zie ook grouwel, gril 2. griezelig iemand of iets Wat is dat een griezel van een kerel (Hol), als uitroep Grote griezel, wat heb ie ’n mooie hote, Knelis (Hijk), Grote griezel en gien èènde allemachtig (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
griezel , [hark] , griesel , hark.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
griezel , griezels , grîêzels , (Kampen) rillingen. Ook: grîêzels (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
griezel , griezels , rillingen. De griezels loop mien aover de rugge.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
griezel , griessel , tuinhark , Meej 'n griessel van iizer, daor griesselde ze rond 't hûis meej óp. Met een tuinhark van ijzer, daar harkten ze het erf rondom het huis mee op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
griezel , griezel , zelfstandig naamwoord , de 1. gruwel 2. engerd, griezelig iemand 3. zie grieze en grisseltien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
griezel , grieze , griezel , zelfstandig naamwoord , (bet. 2) de; in de grieze gaot me over de grauwe de kou gaat me over de rug, ik krijg er rillingen van; ook in D’r gaot mi’j een griezel over de rogge rilling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
griezel , griesel , tuinhark
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
griezel , griesel , hark
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
griezel , griesel , werkwoord , tuinhark (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
griezel , griesel , zelfstandig naamwoord , griezel; Henk van Rijen –  tuinhark; GG gruis, fijn erdeeld materiaal of patroon; tuinhark; WBD III.4.4:206 'vergriezelen' = verpulveren; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - griesel zelfstandig naamwoord  - tuinhark
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut