Waarom is een historisch-etnologisch onderzoek over de wederopbouw van boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig zo relevant?

Naar aanleiding van het verschijnen van het boek van etnoloog Sophie Elpers: ‘Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2019.

door Sophie Elpers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meer dan negenduizend boerderijen verwoest. De wederopbouw ervan begon reeds na de verwoestingen van de eerste oorlogsdagen in 1940. Vanaf 1945 werden de getroffen boerderijen van het laatste oorlogsjaar aangepakt totdat het herstel in 1955 afgesloten kon worden. De wederopbouw werd georganiseerd en gecoördineerd door een overheidsinstelling, het Bureau Wederopbouw Boerderijen.

Buiten dit institutionele kader waren er veel andere spelers die direct of indirect invloed uitoefenden op de boerderijbouw, zoals particuliere architecten, gemeentelijke schoonheidscommissies, de Bond Heemschut, de Rijkslandbouwarchitect, de Nederlandse Heidemaatschappij, de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst, de landbouworganisaties en de individuele boeren en boerinnen. Tussen hen ontstond een heftige strijd over traditie en modernisering die uiteindelijk de architectuur van de nieuwe boerderijen bepaalde.

Symboliek versus gebruiksobject

Aan deze strijd lagen twee verschillende functies van boerderijen ten grondslag. Het waren enerzijds objecten met een uitgesproken symbolische functie: zij stonden voor bepaalde tradities en waarden en moesten bijdragen aan de versterking en de vorming van een nationale identiteit. Anderzijds betrof het agrarische gebruiksobjecten die van cruciaal belang waren voor de modernisering van de Nederlandse landbouw.

Aan de ene kant was er een groep die boerderijen terug wilde zien in een regionaal-traditionele vormentaal, zogenoemde streektypen. Zij dachten dat hiermee nationale eenheid (in verscheidenheid!) zou kunnen worden gesymboliseerd en een dreigend verlies van traditionele plattelandscultuur tegengewerkt zou kunnen worden.

Een andere groep wilde vooral moderne wederopbouwboerderijen waarbij het streektype verlaten kon worden om plaats te maken voor totaal nieuwe boerderijvormen. Volgens deze groep was modernisering van de landbouw in Nederland dringend nodig. Zij zagen de wederopbouw als kans.

Uiteindelijk zouden de moderniseerders een sterkere positie verwerven.Kwesties van traditie en modernisering werden ondergeschikt gemaakt aan de economische werkelijkheid die dringend een modernisering van de boerderijen vereiste.De meeste wederopbouwboerderijen kregen een streekeigen uiterlijke vorm met een modern interieur. Maar bij de boerderijen uit de late wederopbouwjaren werdende streektypen in de boerderijbouw steeds meer verlaten.

Idylle of plek van crisis

Veel plattelandsgebieden worden nog steeds bepaald door de wederopbouwboerderijen uit de jaren 1940 tot 1955. Voorbeelden zijn de Gelderse Vallei, Walcheren, de Betuwe, de omgeving van de gemeenten Groesbeek en Arnhem. Slechts tegen de achtergrond van het dynamische proces van de wederopbouw zijn deze duizenden nog existerende wederopbouwboerderijen te begrijpen en te waarderen. Hoe dynamisch en complex de wederopbouwperiode was, kunnen we opmaken uit de verschillende standpunten, tegenstrijdigheden en ambivalenties, de worstelingen, de conflicten en allianties, de toenaderingen en de compromissen tijdens het plannings- en bouwproces van de boerderijen.

Bovendien krijgt het platteland krijgt tegenwoordig veel aandacht in de samenleving. Dit betreft zowel de concrete transformaties die plaatsvinden als ook voorstellingen die mensen hebben van het platteland. Het wordt gezien als een idyllische plek van rust en harmonie. Tegelijkertijd wordt het platteland als plaats van crisis geïnterpreteerd: landvlucht, vergrijzing, ontbrekende sociale en medische voorzieningen, schaalvergroting en intensivering van de landbouw die ecologische en ethische kwesties oproepen, maar ook boeren die hun bedrijf sluiten.

En steeds gaat het ook over architectuur: Hoe moet de neo-traditionalistische architectuur op het platteland, woonhuizen in de vorm van historische boerderijen en landhuizen die in alle delen van Nederland herrijzen, geïnterpreteerd worden? Wat doet deze architectuur met de mensen? Moeten nieuwe hoogtechnische agrarische bedrijfsgebouwen ingepast worden in het landschap en aangepast aan reeds aanwezige (historische) architectuur? En zo ja, hoe? Hoe kunnen op locaties van voormalige agrarische bedrijven nieuwe activiteiten ontwikkeld worden? En hoe kunnen leegstaande boerderijen, ook wederopbouwboerderijen, het beste herbestemd worden?

De analyse van de strijd over traditie en modernisering in de wederopbouwperiode maakt duidelijk waarover het ook tegenwoordig gaat: de nauwe relatie tussen enerzijds vragen en debatten over plattelandsarchitectuur en anderzijds diagnosen van wat het platteland is en voorstellingen hoe het zou moeten zijn in de toekomst. Er is sprake van een complex netwerk van verschillende stakeholders met verschillende ideologieën, belangen en argumenten. Alleen als deze goed ontrafeld en gereflecteerd worden, kunnen oplossingen voor de toekomst gevonden worden.

Afbeeldingen: 1. Streektypische wederopbouwboerderij in Elst, Gelderland.2. Neotraditionalistische architectuur op het platteland, 21e eeuw.

 

Bron:

Sophie Elpers: Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.