Naar aanleiding van de discussies over het vernoemen van straten naar historische figuren zoals JP Coen vroeg ik me af: Vanaf wanneer worden in Nederland straten vernoemd naar individuen? P. de Leeuw, Leiden.

De vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen.

Hoewel er veel publicaties zijn waarin de straatnamen van een bepaalde woonplaats worden verklaard, zijn er weinig boeken die ingaan op de algemene geschiedenis van straatnamen. Maar toevallig is eind vorig jaar wel een heel prettig leesbaar boek verschenen van René Dings: Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Ik heb zijn boek geraadpleegd voor het beantwoorden van deze vraag, en raad het iedereen aan die nog meer interessante feitjes wil lezen over straatnaamgeving.

Dagelijks gebruik

Nu vinden we het misschien heel vanzelfsprekend dat we in de Sint Annalaan of de Kerkstraat wonen, maar dat is niet altijd zo geweest. In de middeleeuwen werden nog vooral punten van herkenning gebruikt, om aan te duiden over welke straat men het had: achter de kerk, of bij de markt. Aan het eind van de middeleeuwen kwamen er steeds meer samenstellingen om straatnamen te benoemen, maar die lagen niet vast. Wat voor de een de Dwarssteeg was, kon voor een ander net zo goed de Kerksteeg zijn.

Hoewel de naamgeving in die tijd vaak gebeurde op basis van herkenningspunten, vond vernoeming van personen ook al plaats. Daarvoor hoefde je geen bijzondere daden te hebben verricht: als je op de hoek van de straat woonde kon de straat zomaar naar je worden vernoemd. Maar de namen ontstonden in die tijd dus gewoon in het dagelijks gebruik; het was niet een hogere instantie die die namen bepaalde.

Eerste straatnaamborden

Vanaf de zestiende eeuw zijn er steeds meer voorbeelden van straatnamen te vinden die van hogerhand werden bedacht. In Amsterdam werd bijvoorbeeld een wijk aangelegd met straten die eenzelfde thema hadden: naast de Jonkerstraat en de Ridderstraat, had je ook de Koningsstraat en de Keizerstraat. Maar pas in de eeuwen hierna krijgen straatnamen een echt officiële status. Dat had te maken met een aantal ontwikkelingen.

Toen in 1795 en 1796 de eerste landelijke volkstelling werd gehouden, begon men uit praktische overwegingen in Amsterdam met het ophangen van straatnaamborden en het nummeren van huizen. Amsterdam was daarmee de koploper in Nederland. Veel andere gemeenten kregen pas straatnaamborden in de negentiende eeuw, toen steeds meer wegen werden verhard.

Franse invloed

Met de invoering van de Gemeentewet in 1851 werd de rol van de gemeenteraden vastgelegd, en een van de taken was het vaststellen van de straatnamen. Maar in die allereerste periode hadden vooral aannemers nog veel in de melk te brokkelen. Zij vernoemden bijvoorbeeld graag hun kinderen. De Piet Heinstraat in Utrecht verwijst dan ook niet naar de zeeheld, maar naar de zoons van een lokale aannemer: Piet en Hein.

Het vernoemen om personen te eren werd pas in de negentiende eeuw gebruikelijk. Volgens Dings speelt Franse invloed mogelijk een rol: vanaf de Franse tijd komt het namelijk veel vaker voor. Inmiddels hebben veel gemeentes een speciale straatnamencommissie, die het college van B & W adviseert. Elke gemeente heeft eigen richtlijnen waar straatnamen aan moeten voldoen, maar op veel punten komen die overeen. Zo mogen alleen personen worden vernoemd die niet meer in leven zijn, onomstreden zijn en een goede reputatie hebben.

Bron:

René Dings, Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Nijgh & Van Ditmar 2017.