Geliefd bij het volk, buitenbeentje in de wetenschap

Datum
12 november 2019

Dirk Jan van der Ven was een pionier in het etnografisch onderzoek naar de Nederlandse volkscultuur. Als een van de eersten trok hij het land in om lokale gebruiken te bestuderen en vast te leggen op film. Hoewel zijn reputatie binnen de academische wereld omstreden was, werd hij door het grote publiek op handen gedragen. In de afgelopen jaren is er door het Meertens Instituut gewerkt aan de toegankelijkheid en ontsluiting van zijn papieren nalatenschap. Ter afsluiting is er in november een lezingenmiddag.

door Mathilde Jansen

In het jaar na de Eerste Wereldoorlog vond er in Arnhem een groot ‘Volksfeest’ plaats, waarbij de Nederlandse cultuur in al zijn glorie werd getoond en gevierd. In een grote optocht trokken taferelen van een Friese bruiloft, Sint Maarten en de Meiboom voorbij aan het publiek, dat in groten getale was gekomen. Na de lusteloze oorlogsjaren was dit precies waar het Nederlandse volk in 1919 behoefte aan had. De organisator van dit succesvolle evenement was Dirk Jan van der Ven, en het maakte hem alom geliefd. Behalve in de wetenschap, waar hij met ‘slechts HBS’ wantrouwig werd bekeken.

120 verhuisdozen

Toch was zijn werk van grote betekenis voor de ontwikkeling van de volkskunde. Daarom was het Meertens Instituut een logische plek om zijn collectie boeken, artikelen, foto’s en correspondentie te archiveren. Dit gebeurde in 2002 toen het Openluchtmuseum in Arnhem, waar de collectie in eerste instantie terecht was gekomen, zijn bibliotheekfunctie moest opgeven. Maar het archiveren bleek geen klusje van een dag. “Er waren 120 verhuisdozen”, vertelt bibliotheekmedewerker Diedrik van der Wal. “Sommige ervan waren door muizen aangevreten, en enkele dozen had mijn voorganger Koos Schell al uitgezocht. Na haar pensionering heeft het nog wat jaren geduurd, o.a. door de verhuizing naar de binnenstad, voordat ik ermee aan de slag kon. Vijf jaar geleden ben ik begonnen met de inventarisatie en nu is het af.”

Hoewel het archief bij het Openluchtmuseum al in te zien was voor onderzoek, is de collectie nu ook toekomstbestendig opgeslagen: in zuurvrij papier en op de juiste temperatuur. Bovendien is de volledige archiefinventarisatie nu online te bekijken. Deze inventaris is een gigantische lijst die veel vertelt over het professionele leven van Van der Ven. “Je ziet dat hij van jongs af aan bezig is met het verzamelen van krantenknipsels over allerlei Nederlandse culturele gebruiken, die hij vervolgens in schriftjes plakte. Die persoonlijke fascinatie voor volkscultuur deelde hij later met zijn vrouw, Elise ten Bensel, die hem hielp zijn carrière als publicist en organisator van evenementen op te bouwen. En dat liep meteen van een leien dakje. Het Volksfeest in Arnhem was een grote klapper. Daar heeft hij zichzelf mee op de kaart gezet.”

Botsing met de wetenschap

In de periode dat Van der Ven een lans brak voor de eigen volkscultuur, kwam ook in de wetenschappelijke wereld de bestudering van de volkscultuur van de grond. De belangrijkste persoon op dit vlak was Jos Schrijnen, hoogleraar in Nijmegen, die het eerste handboek Volkskunde publiceerde. “De volkskunde in de 19e eeuw was nog sterk filologisch georiënteerd”, vertelt Peter Jan Margry, etnoloog aan het Meertens Instituut. “Schrijnen keek wat er in oude boeken en geschriften te vinden was en op basis daarvan stelde hij zijn handboek samen. Dat kwam hem op flinke kritiek te staan van Van der Ven, die zei: ‘kom eens achter je bureau vandaan’. Zelf trok Van der Ven het land in om de plaatselijke gebruiken gade te slaan en er aan deel te nemen. Hij deed als eerste volkskundig veldwerk.”

Dat zorgde voor een confrontatie met Schrijnen, die sowieso al neerkeek op Van der Ven omdat hij geen wetenschappelijke achtergrond had. Schrijnen verweet Van der Ven ook dat hij te veel ingreep in de volkscultuur. Margry: “Hij liet dagelijkse rituelen als folklore opvoeren tijdens het Arnhemse Volksfeest. En ook daarna organiseerde hij nog allerlei toeristische optochten. Hij legde dus niet alleen vast wat hij zag, maar wilde de volkscultuur ook nog eens extra stimuleren.”

Bij het grote publiek en ook bij de regering kon Van der Ven rekenen op veel goodwill. De politiek steunde Van der Ven bij het organiseren van het Volksfeest, en bij de door hem voorgestelde uitbreiding van het Openluchtmuseum. De identiteitskwestie leefde op dat moment ook al sterk. Uiteindelijk moesten Schrijnen en Van der Ven wel af en toe samenwerken, omdat zij in internationale volkskundige organisaties Nederland vertegenwoordigden.

Volkscultuur op film

Tussen het Meertens Instituut en Van der Ven waren de contacten indertijd koeltjes, zo blijkt uit brieven die ook bewaard zijn in het archief. Maar de huidige generatie etnologen ziet vooral de waarde in van het werk van Van der Ven, zegt Margry. “Hij was in zijn tijd heel vernieuwend. Hij heeft eerst het veldwerk geïntroduceerd, en daarna kwam hij met een volgende innovatie: hij ging filmen. Er waren in die tijd internationale volkskundige organisaties, die actief manieren zochten om volkscultuur in de westerse samenleving op de kaart te zetten. Op een van die congressen heeft Van der Ven het gebruik van film geïntroduceerd. Dat werd in heel Europa overgenomen.”

“Zijn verzamelingen waren misschien niet altijd even systematisch en objectief, maar dat gold misschien ook wel voor de verzamelingen destijds op het Meertens Instituut. Zijn uitgaven zijn nu belangrijke bronnen voor ons, omdat hij zaken heeft opgetekend en gefotografeerd die je nu niet meer kan achterhalen. Hij schreef boeken over carnaval, trouwrituelen, kinderspelletjes. En zijn films bevatten uniek beeldmateriaal dat niemand anders heeft vastgelegd. We weten dat hij daar ook in ensceneerde maar dat ging niet anders in die tijd. Dus je moet het in die historische context zien.”

Germaanse woorden

“Bovendien had hij commerciële belangen”, voegt Van der Wal toe. “Hij was heel handig in het combineren van allerlei zaken. Na het Vaderlandse Volksfeest maakte hij een boek met foto’s van het feest. En tot de jaren 1970 hield hij ook lezingen over de films die hij had gemaakt. Hij was ontzettend productief en schreef duizenden artikeltjes voor allerlei soorten tijdschriften. Zijn vrouw ondersteunde hem daarbij. In hun huis de Meihof in Oosterbeek organiseerde zij ook volksdanscursussen.” Zijn vrouw was overigens niet de enige persoon die hem ondersteunde. In 1914 kwam hij onder een tram waarbij hij één arm verloor. Hij had dus mensen nodig om zijn manuscripten uit te typen en zijn films te maken. “Er zijn nog aantekeningen van hem in zijn moeilijk leesbaar linker handschrift.”

In de Tweede Wereldoorlog zette Van der Ven zijn carrière voort. Er verschenen boeken en artikelen, die onder meer werden gepubliceerd in het nationaalsocialistische blad Hamer. Direct na de oorlog volgde een publiciteitsverbod. De stukken uit de zaak die volgde zijn ook opgenomen in de collectie. Van der Wal: “Van der Ven verdedigde zich door te zeggen dat hij nooit politieke motieven had gehad, maar alles had geschreven in dienst van het volk. Uiteindelijk werd hij ‘gering schuldig’ verklaard, zoals veel mensen die wel een beetje hadden meegedaan, maar geen nationaalsocialist waren. Na de uitspraak mocht hij weer publiceren. Zijn reputatie bij het grote publiek raakte er niet door geschaad. Hij bleef een geliefd publicist en filmmaker tot aan zijn dood in 1973.”

De lezingenmiddag over D.J. van der Ven vindt plaats op 21 november 2019. Aanmelden? Klik hier.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier.