Vieze liedjes geven beeld van hun tijd

Datum
3 oktober 2014

Vorige maand verscheen bij uitgeverij Vantilt het boek Vieze liedjes uit de zeventiende en achttiende eeuw, samengesteld door Annemieke Houben. Een groot deel van de liedjes verzamelde Houben in de periode dat ze werkzaam was aan het Meertens Instituut. Inspiratie voor dit boek putte ze uit de Nederlandse Liederenbank.

door Mathilde Jansen

Houben werkte zo’n drie jaar voor de liederenbank totdat ze verder ging als freelancer. In die periode werd de kiem gelegd voor haar boek. Een boek dat eigenlijk per toeval is ontstaan. “Tijdens het werken met de Nederlandse Liederenbank kwam ik zoveel leuke liedjes tegen dat ik dacht: daar moet ik iets mee doen”, vertelt Houben, die kunstgeschiedenis en historische letterkunde studeerde aan de Universiteit van Amsterdam.

“Toen ik wegging bij het Meertens Instituut, typte ik de leukste liedjes uit voor een paar vrienden en collega’s, zodat ze konden zien waar ik al die tijd mee bezig was geweest. Dat begon met een stuk of zes liedjes, maar gaandeweg werden het er steeds meer. En toen ik zag dat er best veel seks in die liedjes zat, ben ik daar op gaan selecteren. Op een gegeven moment had ik zoveel verzameld dat ik ze naar een uitgever heb gestuurd.”

Grote oplages

Gek genoeg was er nog heel weinig geschreven over dit specifieke genre. Wel was er het in 1992 verschenen boek Razernij der liefde van Hans van Straten, een verzameling van obscene teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw. “Daarin staan ook veel vieze liedjes, maar die zijn niet als zodanig aangemerkt. Ze worden gepresenteerd als gedichten. Door collega’s van het Meertens Instituut zoals Louis Grijp en Natascha Veldhorst was wel bekend dat er in die tijd vieze liedjes werden gezongen, maar er was nooit echt studie naar gedaan.”

Houben vond haar bronnen deels via de liederenbank, maar ook ‘in het wild’: in de Koninklijke Bibliotheek of online via Google Books. Het gaat vooral om goedkoop geproduceerde liedboekjes, vaak gedrukt in Amsterdam. Sommige liederen kwamen van liedbladen, andere uit pornografische romans, maar de meeste uit almanakjes. In welke oplages die boekjes verschenen, kan Houben niet vertellen, maar vast staat dat het niet om kleine aantallen ging: “Ik heb één advertentie gevonden van zo’n almanakje. Daarin geeft de uitgever aan dat hij al 3000 exemplaren heeft verkocht aan de boekhandels. Of je dat soort cijfers moet geloven weet ik niet, maar het laat zien dat het niet om twintig of dertig boekjes ging.”

Anoniem

Veel van de boekjes waren anoniem. “De schrijvers van wie we wel een naam hebben zijn allemaal mannen onder de 35”, zegt Houben: “Vrouwen schreven überhaupt minder dan mannen, maar ze wilden zich ook niet associëren met dit specifieke genre. Hetzelfde gold voor oude mannen. Dat waren de mores van die tijd.”

De boekjes werden wel vaak opgedragen aan jonge vrouwen uit een bepaalde stad of streek. Dat wil niet zeggen dat ze ook alleen voor vrouwen bedoeld waren. “Het is bekend dat de liedjes gezongen werden door jong en oud, zowel mannen als vrouwen. En voor alle lagen van de bevolking: je kunt de liedjes terugvinden in heel dure uitgaven, maar ook in goedkope boekjes die je voor een halve cent op straat kon kopen. Ze werden gezongen op allerlei gelegenheden zoals bruiloften, picknicks, in cafés, op feestjes maar waarschijnlijk ook gewoon aan de tafel thuis. En misschien wel in bed.”

Plaswedstrijd

Wat de liedjes zo aantrekkelijk maakt, is dat het in feite kleine verhaaltjes zijn met een grappige strekking. In de categorie ‘een man gaat naar de dokter’: een jongen heeft zijn eerste natte droom en denkt dat er een zweer is uitgebarsten. Of de favoriet van Houben: de plaswedstrijd. “Drie meisjes lopen over de stadswal en krijgen het idee om een plaswedstrijd te doen, wie het verste kan plassen. Terwijl ze dat doen zit er onderaan de stadswal een soldaat en die ziet die meisjes hun rokken oplichten en lekker van de stadsmuur af plassen. Hij ziet natuurlijk niet alleen de urine zelf maar ook hun vagina’s. Daarvan wordt hij enorm opgewonden. Uiteindelijk krijgen de meisjes ruzie over wie er gewonnen heeft. Als de man tevoorschijn springt om zich te melden als jury, rennen ze snel weg.”

Wat was voor Houben de belangrijkste ontdekking die ze deed? “Ik heb veel bronnen gebruikt waaruit voor zover ik weet nooit eerder gepubliceerd is. Maar een van de leukste ontdekkingen was toch wel de Almanak à la Figaro. Dat zijn drie boekjes uit de Koninklijke Bibliotheek, voor zover we weten de enige exemplaren die zijn overgeleverd. Het is uitgegeven aan het eind van de achttiende eeuw, met heel leuke verhaaltjes, liedjes en anekdotes en mooie gravures.”

Historische informatie

Met de intrede van de radio en andere geluidsdragers kwam er een einde aan de mondelinge overlevering van liederen, vertelt Houben. Is daarmee ook een muziekgenre verloren gegaan? Dat gelooft Houben niet. Schunnige teksten bestaan nog steeds, bijvoorbeeld in rapliedjes. Denk maar aan De stofzuiger van de Jeugd van Tegenwoordig. Maar vieze liedjes zoals we die aantreffen in de zeventiende en achttiende eeuw zijn er niet meer. En daarom is het zo leuk om nu een groot aantal ervan bij elkaar te hebben en terug te lezen. Gewoon omdat ze grappig zijn, maar ook omdat ze een goed beeld geven van de samenleving van toen.

Houben: “Historici denken er niet zo gauw aan om dit soort bronnen te raadplegen. Eigenlijk doen ze dat nog veel te weinig. Maar in feite zijn liedjes vaak veel interessanter voor historici dan voor letterkundigen. Er zit een heleboel historische informatie in verborgen.”

 

Het boek Vieze liedjes uit de zeventiende en achttiende eeuw verscheen vorige maand bij Uitgeverij Vantilt. Bij tweederde van de liedjes uit Vieze liedjes uit de zeventiende en achttiende eeuw is de melodie terug te vinden in de Nederlandse Liederenbank: www.liederenbank.nl

Wij mogen twee exemplaren weggeven van het boek, wilt u kans maken op het boek Vieze liedjes geef dan het juiste antwoord op de volgende vraag: Wie of wat zingt er in het onderstaande lied uit 1750? Stuur het goede antwoord voor 10 oktober 2014 naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

GEZANG.

Ik wort van al de werelt

Als een Prinses geviert,

Hoe wel niet ryk beperelt,

Nog vorstelyk verziert,

Ik kan de werelt dwingen.

Al wat ik wil geschiet.

Ja zelfs de hemelingen

Staan onder mijn gebiet,

En macht, en macht.

 

Al wie my heeft bekeken,

Die stont gelyk een paal,

Wil imant met my spreken,

Komt in myn binnezaal.

Hy hoeft niet lang te groeten,

En buygen zynen hals,

Maar twee lakeyen moeten

Myn heer verzellen als

Hy komt, hy komt.

 

'K heb altyt lust tot eten

Al is het nnoch zoo vroeg.

Schoon dat ik heb gegeten

'k Heb nimmermeer genoeg.

'k Kan door myn keel niet slikken,

'k Ben van gebit ontbloot.

'k Zal evenwel niet stikken,

Al is de brok wat groot,

En dik, en dik.

 

'k Woon binnen de enge palen

Van een belommert wout,

Dat febus met zyn stralen,

Noch zon, noch maan aanschoudt.

De naam van dees vorstinnen,

Schoon dat gy die niet hoort,

Kan eyder ligt verzinnen,

Zy is vervat in 't woort

Van kunst, van kunst.

____________________________

Afbeelding in kader: Liefdespaar, toegeschreven aan Jacob van Loo, ca. 1650-60, Rijksmuseum Amsterdam

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (oktober 2014) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.