Over doekoe en roti. Het Nederlands in Suriname

Datum
6 september 2013

Tot nu toe was er nauwelijks iets bekend over de ontwikkeling die het Nederlands in Suriname doormaakte vanaf de zeventiende eeuw. Het pas verschenen Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 brengt daar verandering in. De woorden werden verzameld door de overleden bioloog Jan van Donselaar. Nicoline van der Sijs legde de laatste hand aan deze uitgave.

door Mathilde Jansen

In 1667 veroverden de Nederlanders Suriname op de Engelsen en brachten zij ook de Nederlandse taal mee. De Nederlandse taal paste zich aan aan zijn nieuwe omgeving, met andere planten, dieren, etenswaren en leefgewoonten. Er werden nieuwe samenstellingen en afleidingen gevormd en er werden woorden geleend uit inheemse talen. De woorden die zo ontstonden werden door bioloog Jan van Donselaar, die eerder dit jaar overleed, uit een groot aantal schriftelijke bronnen verzameld.
 
Van der Sijs, die Van Donselaar persoonlijk heeft gekend, legt uit hoe zijn fascinatie voor de taal ontstond: “Eind jaren ‘50 ging hij met zijn vrouw naar Suriname om materiaal te verzamelen voor zijn proefschrift over de lokale vegetatie. Hij zag dat er in Suriname heel andere plantennamen werden gebruikt dan hij kende uit Nederland. Daardoor werd zijn interesse ook voor andere woorden gewekt.” 
 

Historisch woordenboek


Toen Van Donselaar na zijn promotie in de jaren ’60 terugkeerde naar Suriname, ging hij systematisch woorden en betekenissen verzamelen die in het Nederlands van Suriname voorkwamen en afweken van het Nederlands in Nederland. Het resultaat publiceerde hij in  1977 in zijn Woordenboek van het Surinaams–Nederlands (uitgebreid in 1989). Dat was het eerste woordenboek van deze overzeese variëteit van het Nederlands. Hij ontving voor zijn werk o.a. de De La Courtprijs van de KNAW. Daarna ging hij door met het verzamelen van de oudere woorden. Van der Sijs licht toe: “Hij heeft een enorme hoeveelheid Nederlandstalige teksten uit Suriname doorgespit. Uit archieven en dergelijke. Hij heeft vooral gekeken welke woorden en betekenissen daar gebruikt werden die wij niet kenden.”

Die woordenlijst heeft hij voor zijn dood kunnen voltooien, maar de inleiding met uitleg niet. Van der Sijs: “Toen hij ouder werd zag hij in dat hij het zelf niet meer kon uitgeven en heeft hij mij gevraagd of ik de uitgave ervan wilde verzorgen. Hij heeft wel documentjes achtergelaten en daaruit heb ik de gegevens gedestilleerd die nodig zijn om de gehanteerde methode en de in het woordenboek gebruikte terminologie te  begrijpen. In de woordenlijst had hij ook veel afkortingen staan. Ik heb er een uitgave van gemaakt die voor iedereen goed leesbaar is.”
 
Samen met het moderne woordenboek van Van Donselaar uit 1989 biedt deze uitgave nieuwe perspectieven voor onderzoek, aldus de onderzoekster: “Het woordenboek uit 1989 heb ik enkele jaren geleden gedigitaliseerd. Aan de gegevens hiervan voegen wij het materiaal uit het historische woordenboek toe  in een SQL-database. We gaan die twee woordenboeken aan elkaar koppelen en die komen dan op de website van het Meertens Instituut zodat onderzoekers er van alles mee kunnen gaan doen. Eigenlijk hebben we van geen enkele variëteit van overzee – behalve van het Afrikaans – zoveel historisch en modern materiaal. Dat is uniek.”

Pindakaas en schaafijs

Het onderzoek naar het Surinaams-Nederlands krijgt hierdoor een impuls. Van der Sijs schetst alvast een paar historische ontwikkelingen: “Je ziet woorden opkomen en soms weer verdwijnen, doordat de samenleving verandert. Andere zijn bewaard en weer andere zijn ook teruggekomen in de moedertaal, het Europese Nederlands. Het historische woordenboek bestaat vooral uit losse woorden, omdat we weinig gesproken of geschreven taaluitingen uit die tijd hebben. In de moderne woordenboeken zie je daarnaast aardige syntactische verschijnselen. Ook daarvan zijn sommige weer naar Nederland gekomen, zoals Ííís goed, met een langgerekte i. Iets dat mensen tegenwoordig vaak zeggen. Dat is waarschijnlijk van Surinamers overgenomen.”

“Als het om woorden gaat, zijn het vooral veel namen van voedingsmiddelen die hun weg vonden naar Nederland: kouseband, roti, pom. Een onverwacht voorbeeld is pindakaas. Dat is uitgevonden in Suriname. Vroeger schaafde je stukjes van een dik blok gestampte pinda’s af, zoals je ook kaas schaaft. Vandaar dat het pindakaas heet en niet boter, zoals in het Engelse peanut butter. De huidige variant die in Nederland wordt gemaakt is wel boterig. Die is speciaal gemaakt voor de Europese markt. Maar de oorspronkelijke pindakaas die gemaakt werd in Suriname is dus een blok.”

“Surinaamse woorden hoor je nu ook veel in straattaal. Doekoe voor geld is een heel bekende. Dit woord gaat terug op het Sranan maar wordt ook gebruikt in het Surinaams-Nederlands. Het Surinaams-Nederlands heeft veel leenwoorden uit het Sranan. Een voorbeeld van een nieuwvorming is schaafijs. Dat is ijs dat je met een lepeltje eet.” Van der Sijs leest voor: “’Schaafijs is een versnapering bestaand uit ijsschaafsel en stroop’. Stroop heeft in Suriname de betekenis van limonadesiroop. Dat is dus een voorbeeld van een Nederlands woord dat Surinamers op een andere manier gebruiken.”

Meertaligheid

In Suriname is eigenlijk iedereen meertalig opgevoed. Maar omdat er zoveel bevolkingsgroepen zijn, fungeert het (Surinaams-)Nederlands als bindende factor, vertelt Van der Sijs: “Dat spreekt dus eigenlijk iedereen. Er is wel variatie. Sommigen spreken Surinaams-Nederlands dat dicht tegen het Europees-Nederlands aanligt en anderen - of dezelfde mensen in een andere context - met heel veel invloed van het Sranan.”

“Naar etnische variëteiten van het Nederlands is heel weinig onderzoek gedaan, terwijl we wel veel weten van regionale variatie binnen Nederland en Vlaanderen. Daarom heb ik met collega Sjef Barbiers afgesproken dat wij als pilot een deel van de enquêtes MAND, SAND en FAND uit gaan voeren in Suriname. Om te zien welke fonologische, morfologische en syntactische verschijnselen typerend zijn voor  het Surinaams-Nederlands, en of die kunnen worden verklaard uit taalcontact, of uit autonome ontwikkelingen. Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar het Surinaams-Nederlands, omdat er tot voor kort maar weinig materiaal voorhanden was. Daar is nu verandering in gekomen.”

Het boek is uitgegeven door het Meertens Instituut met subsidie van de Nederlandse Taalunie. Het boek (ISBN 978 90 7038 977 2, ingenaaid, 290 blz.) is exclusief te koop bij het Genootschap Onze Taal. Prijs: €25,–. België: € 31,–.
 
Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (septermber 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.


Foto onder: Schaafijs, Carribean Zoetermeer 2010 door FaceMePLS (Flickr)