Luistertaal in Limburg

Datum
7 juni 2013

Op 28 mei presenteerden studenten van de Universiteit Utrecht een documentaire over luistertaal: een situatie waarin gesprekspartners in hun eigen moedertaal blijven spreken, waarbij alleen een passieve beheersing van de vreemde taal nodig is. Leonie Cornips, werkzaam aan het Meertens Instituut en de Universiteit Maastricht, hield een lezing over luistertaal in Limburg. Uit onderzoek blijkt dat dialect uitstekend als luistertaal kan fungeren, met name in een grensgebied als Limburg.


door Mathilde Jansen

Luistertaal
is nog een nog vrij onbekende term voor een reeds bekend begrip: dat van de onderlinge verstaanbaarheid van talen. Nederlanders en Duitsers hebben over het algemeen weinig moeite elkaar te verstaan. Ze kunnen in de onderlinge communicatie daarom makkelijk hun eigen moedertaal blijven spreken, en ‘luisteren’ naar de andere taal. Dat is ook de conclusie van de Utrechtse taalwetenschapper Jan ten Thije, die uitgebreid onderzoek deed naar dit verschijnsel. Zijn studenten maakten een documentaire over luistertaal en organiseerden deze lezingenmiddag.

Tijdens de lezingenmiddag wordt duidelijk dat luistertaal veel voordelen heeft. Mensen kunnen zich het beste uitdrukken in hun moedertaal. Ook is er bij een gesprek in luistertaal tussen twee verschillende moedertaalsprekers niemand in het nadeel. En soms heeft luistertaal ook een financieel voordeel. De Europese Unie zou bijvoorbeeld een hoop vertaalkosten kunnen besparen door meer gebruik te maken van luistertaal. Cornips laat vanmiddag zien dat dialectsprekers ook kunnen ‘luistertalen’ (hier gebruikt als werkwoord: het luisteren naar talen). Immers: aangrenzende dialecten hebben vaak meer gemeen dan buurtalen.

Meertalig Limburg


In meertalige situaties kan luistertaal een uitkomst bieden. Limburg is daarom ook een unieke casus voor luistertalen, begint Cornips haar lezing. Wie de kaart van Nederland bekijkt, ziet dat Limburg diep ligt ingebed in andere delen van Europa. Er zijn meer kilometers grens met België en Duitsland dan met Nederland. Vandaar dat de blik van de Limburgers veel meer gericht is op het oosten en het westen dan op het noorden. En vandaar ook dat Frans en Duits tot 1900 de belangrijkste talen waren in Limburg. Bovendien werd Limburg pas laat in de negentiende eeuw een provincie, daarvoor was het nog geen eenheid. En nog steeds voelt 75 procent van de Limburgers zich sterk verbonden met de omringende buurlanden. Gesprekken over de grens zijn dus meer regel dan uitzondering.

Hart van Europa


De relatief korte geschiedenis van de provincie Limburg verklaart ook waarom de dialecten in Limburg nog zo vitaal zijn. In Limburg wordt meer dialect gesproken dan elders in Nederland, het is de informele omgangstaal. Bovendien werd het Limburgs in 1997 erkend volgens het Europees Handvest voor Minderheidstalen. Daarbij plaatst Cornips de kanttekening dat ‘het Limburgs’ niet bestaat: het is een politiek begrip. Het Limburgs bevat een scala aan taalvariëteiten.

Ondanks deze vitaliteit zijn de dialecten weinig zichtbaar wanneer de provincie Limburg gepromoot wordt naar buiten toe, laat Cornips zien. Binnen haar leerstoel aan de Universiteit van Maastricht onderzoekt ze onder meer hoe Limburg zich ‘op de kaart zet’. Limburgers zetten hun provincie dan vooral neer als een ‘stukje buitenland in Nederland’ of als het ‘hart van Europa’. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het pr-filmpje voor het WK Wielrennen 2012 of het promofilmpje voor Maastricht als Culturele Hoofdstad in 2018. In de filmpjes wordt Nederlands, Engels en Frans gesproken. Dialect komt er niet aan te pas.

Over grenzen heen


Uit onderzoek van de Universiteit Maastricht is gebleken dat het zogenaamde ‘luistertalen’ als onbeleefd wordt ervaren. Toch biedt juist het dialect een oplossing in veel meertalige situaties in Limburg, meent Cornips: "Wanneer een Limburger met een Waal of een Duitser praat, zitten hun dialecten veel dichter bij elkaar dan de landstalen, omdat dialecten over grenzen heen lopen. De grens tussen maken en machen bijvoorbeeld, loopt dwars door Limburg. En die grens loopt dus niet, zoals men wellicht zou verwachten, parallel aan de landsgrens Nederland-Duitsland."

Ook Cornips is daarom van mening dat luistertalen een hoop te bieden hebben. Voorlopig zijn ze in Limburg nog niet genoeg in het vizier: "Het dialect komt pas in beeld als andere talen niet werken." Poolse arbeidsmigranten bijvoorbeeld, begrijpen het dialect beter dan het Nederlands. Overigens wordt dialect in veel Limburgse gezinnen wél als luistertaal gebruikt, merkt Cornips op: dan spreken de ouders onderling dialect, en met de kinderen Nederlands. En ook in de Euregio’s gebruikt men al veel luistertaal. Wanneer meer mensen zich bewust worden van de voordelen, kan luistertaal in nog veel meer situaties ingezet worden.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (juni 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.