Het Meertens Instituut bezit ruim 80.000 boeken, 4.000 tijdschrifttitels, ruim 50 digitale collecties, duizenden uren aan geluidsmateriaal en ongeveer 500 archieven. Samen vormen zij een unieke bron van informatie over Nederlandse taal en cultuur. Medewerkers van het Meertens Instituut kiezen in deze rubriek een favoriet collectiestuk, boek, tijdschrift, geluidsmateriaal, vragenlijst of archiefstuk en lichten het belang van dit stuk toe.

Frans Hinskens is senior onderzoeker variatielinguïstiek op het Meertens Instituut.

Frans Hinskens: Tijdreizen in de Meertens Collecties

De collecties van het Meertens Instituut zijn rijk en omvangrijk. Dat geldt ook voor de verzameling van apparaten en instrumenten waarmee veel onderzoek uitgevoerd wordt. Maar één ding ontbreekt nog steeds jammerlijk en dat is de tijdmachine. Velen van ons zouden graag eens willen rondwandelen in de Vroege Middeleeuwen, toen men vormen als hebban en enda gaandeweg inruilde voor hebben en ende, in de Late Middeleeuwen, toen onder meer de moderne tweeklanken die we spellen als ij en ou in een groot deel van het huidige Nederland voet aan de grond kregen en woorden als brugge en (ik) lope verkort werden tot brug en (ik) loop, of in de 17e eeuw, toen zich in een groot deel van het taalgebied de ui (als in uit, huis en muis) ontwikkelde uit uu, die eerder was ontstaan uit oe.

En net zo graag zouden we een kijkje willen nemen in het jaar 2215, om eens te beluisteren hoe het Nederlands en zijn vele huidige verschijningsvormen dan klinken. Uiteraard zouden wij op al die expedities onze moderne apparatuur meenemen, al zouden zowel de middeleeuwers als de 23e eeuwers daarvan opkijken en ons waarschijnlijk wantrouwen, maar voor het onderzoek hebben we dat graag over.

Klankverandering

Bij gebrek aan tijdmachines zullen we het echter moeten doen met het voorhanden materiaal en dat is alleen voor het verleden beschikbaar. Maar daarvan is er in de Meertens collecties dan ook heel veel te vinden. Wie vooral geboeid is door klankverandering onderzoekt dat fenomeen liefst aan spraakopnames. En dan bij voorkeur opnames van sprekers van wie we weten waar en wanneer ze geboren en opgegroeid zijn, hoe hun levensloop er ongeveer uitzag tot het moment van opname, met wie ze intensief verkeren en dergelijke dingen meer – dingen die ons een beeld geven voor welke groepen deze individuen misschien representatief zijn. Nog mooier zou het zijn als we pakweg een miljoen sprekers van het moderne Nederlands, verspreid over het hele taalgebied, zouden kunnen opnemen en wie weet wordt dit inderdaad werkelijkheid, misschien al op afzienbare termijn.

Gelijkenis van de Verloren Zoon in 186 lokale dialecten

Tot ongeveer het begin van de 20e eeuw zijn er amper spraakopnames beschikbaar. Voor het onderzoek van de verschijningsvormen van het Nederlands van vóór die tijd zijn we daarom aangewezen op enerzijds de dialectverscheidenheid (die soms verschillende stadia van de historische ontwikkeling weerspiegelt - al is dat beeld vaak vertroebeld door allerlei bijkomende veranderingen) en anderzijds de overgeleverde documentatie. Veel daarvan is als het ware onbedoeld tot stand gekomen; zo worden er al eeuwenlang oorkonden van allerlei aard opgesteld. Andere documentatie was van het begin af aan voor onderzoek bedoeld. Een voorbeeld van die laatste categorie betreft de vertalingen van de Gelijkenis van de Verloren Zoon (Lucas 15:11-32) in 186 lokale dialecten in het hele taalgebied.

De nieuwe Winkler en de voorganger van Winkler

Deze verzameling is in 1874 tot stand gekomen op initiatief van de journalist en schrijver Johan Winkler. De Parabel is telkens door een plaatselijke geletterde en doorgaans met de middelen van de toenmalige Nederlandse spelling te boek gesteld (te lezen via de site van de DBNL). Vooral voor het historisch klankonderzoek schiet dit materiaal daarom soms tekort – maar beter vergelijkbare feiten voor de bewuste dialecten van 150 jaar geleden zijn niet voorhanden. Hoewel… de Nijmeegse dialectologen Frens Bakker en Joep Kruijsen ontdekten in 2002 vertalingen uit de jaren 1806-1807 van dezelfde Parabel voor een zevental Limburgse dialecten (waarvan die van Maastricht, Roermond, Venlo en Weert ook in de verzameling van Winkler zitten) en van die van 10 plaatsen in het naburige Duitse Rijnland. Deze dialectversies waren opgesteld op last van de toenmalige Franse overheid. In hun boek Het Limburgs onder Napoleon van 2007 presenteren Bekker en Kruijsen de dialectvertalingen en allerlei (ook onderzoeksgerelateerde) zaken die daarmee samenhangen.

De tijdreis kan ook in omgekeerde richting worden afgelegd dankzij Harrie Scholtmeijer, die in 1996 voor 86 van de door Winkler onderzochte dialecten de Gelijkenis opnieuw te boek liet stellen. Scholtmeijers collectie (die ook weer de dialecten van Maastricht, Roermond, Venlo en Weert omvat) is te vinden via de Meertens site op http://www.meertens.knaw.nl/books/winkler/.

Wie er niet genoeg van krijgt kan weer een flink aantal jaren terug in de tijd met behulp van de Meertens Vragenlijsten, uitgezonden en jaar op jaar door vele honderden enthousiaste vrijwilligers  ingevuld vanaf 1931. De verzameling wordt stapsgewijs gedigitaliseerd en voor iedereen toegankelijk gemaakt. Meer daarover bij een andere gelegenheid.

________________________________________________________________

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (april 2015) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

Afbeelding in kader: De terugkeer van de verloren zoon door Gustave Duré (bron: Wikiart, publiek domein)

Foto van Johan Winkler (bron: Wikipedia, publiek domein)