Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  •  

    De vraag van de maand wordt deze keer beantwoord door etnoloog Peter Jan Margry.

    Welke bedevaartplaatsen bieden soelaas in tijden van corona?
     
    Bedevaartplaatsen zijn plekken die door gelovigen voor heiliger, sacraler worden gehouden dan de omgeving waarin men dagelijks verkeert. Dat heeft vaak te maken met een wonderbaarlijke gebeurtenis die er ooit plaatsvond of omdat er een heilig persoon wordt vereerd. Daarom meent men daar de bovennatuur (god) beter in te kunnen roepen tegen onheil en ziekten of, als hen dat al is overkomen, om er weer bovenop te geraken. 
     
    In het verleden was het in de regel een vanzelfsprekendheid om bij ziekte of onheil naar zulke plaatsen toe te gaan, maar in de geseculariseerde samenleving van vandaag de dag veel minder. Immers de meeste mensen zien een virus niet als meer een God-gestuurde strafmaatregel, maar als een biologisch fenomeen. Niettemin zijn er nog altijd velen die in tijden van de crisis hun hoop in het geloof vinden of bescherming willen afsmeken bij God, Maria of een beschermheilige. 
     
    In de afgelopen jaren zagen we dat met name bij epidemieën die voor dieren gevaarlijk waren: zoals bij de varkenspest van 1999, de langdurige BSE of ‘gekkekoeienziekte’ of de mond- en klauwzeerepidemie van 2001. Die stimuleerden bedevaarten, met name van boeren, naar plaatsen waar beschermheiligen van het vee: Antonius Abt, Cornelius of Nicolaas van Tolentino, terwijl Sint Gerlach in Houthem-St. Gerlach weer populair was vanwege het ‘beschermende’ mergelpoeder dat in zijn heiligdom kon worden afgehaald ter vermenging in het veevoer.
     
    Nu in 2020, in tijden van corona, gaat het niet om dieren, maar is er een epidemie die de mens bedreigt. Immers er bestaat vaccin noch medicijn. Dat is een situatie die we nauwelijks meer kenden. En waar de natuur rücksichtlos zijn gang gaat, gaan mensen een beroep doen op de bovennatuur. Men gaat bidden of roept heiligen in. Vorige week werd daartoe in Maastricht de zogenaamde Noodkist van Sint Servaas uit de schatkamer gehaald en publiek in de basiliek geplaatst. Deze wordt alleen in tijden van grote nood tevoorschijn gehaald, zoals voor het laatst tijdens de golfcrisis in 1991. De gelovigen kunnen dan hun gebeden effectiever tot hem richten. Al eeuwen wordt Servaas, de heilige van Neerlands oudste bedevaartplaats (6e eeuw), ingeroepen bij besmettelijke ziekten.

    Maar hij was lang niet de enige. Er bestond en bestaat een variëteit aan heiligen en bedevaartplaatsen in Nederland. Men ging ernaar toe bij pokkenepidemieën, pest, cholera, de Spaanse Griep of voor welke ziekte dan ook. Ze staan allemaal in de Bedevaartbank. Maar eigenlijk was de heilige Rochus, de klassieke pestheilige, de speciale beschermheilige tegen besmettelijke ziekten. In het zuiden van Nederland werd hij in het verleden op diverse plaatsen vereerd. In de meeste plaatsen bestaat er echter nu geen actieve cultus meer of is de kerk vanwege de ontkerkelijking gesloten.
     
     
    Hoe specifiek Rochus ook moge zijn geweest, binnen de katholieke gemeenschap, maar ook voor menigeen daarbuiten, blijft Maria een soort universele heilige, van een buitencategorie, die eigenlijk voor alles kan worden ingeroepen; een moeder die iedereen probeert te beschermen of te helpen. Zij wordt als moeder van Jezus Christus beschouwd als de machtigste voorspreker in de hemel. 
     
    Hoewel er maar één H. Maagd Maria is, manifesteerde zij zich veelal op verschillende, cultuurspecifieke wijzen. In haar verbeeldingen en bij haar verschijningen ziet zij er telkens weer anders uit en ook krijgt ze dan vaak een lokale naam, zoals O.L. Vrouw van… De populairste onder hen heten ‘natuurlijk’ ook weer het effectiefst te zijn. In tijden van corona gaat men nu bijvoorbeeld graag O.L. Vrouw Sterre der Zee in Maastricht aangeroepen, naar de Zoete Lieve Moeder in Den Bosch, of natuurlijk O./L. Vrouw ter Nood in Heiloo. Maar het probleem is dat de kerken vaak zijn gesloten en zelfs Lourdes (en menig ander drukbezocht heiligdom) voor het eerst in zijn geschiedenis op slot werd gedaan. We zien hier in feite een botsing tussen geloof en de moderniteit met zijn biologisch-natuurkundige inzichten. Wie zich tot Maria wil wenden zal dat vooralsnog thuis moeten doen, of moeten zoeken op de Bedevaartbank waar een heiligdom vooralsnog is te bezoeken, zoals Heiloo.
     
    Dat het inroepen van bovennatuurlijke steun in heiligdommen, natuurlijk niet louter een katholiek verschijnsel is, moge blijken uit berichten uit het buitenland waar bijvoorbeeld in Iran de heilige steden Mashhad en Qom vanwege het corona en het besmettingsgevaar (aanraken en kussen van de heilige graftombes door de pelgrims) werden gesloten. Ze werden daarop bestormd door radicale sjiitische moslims die in de sluiting ervan een miskenning van het geloof en Allah zagen.


     
     
     
     
  • De vraag van de maand wordt deze keer beantwoord in een reeks video's. Aan het eind van 2019 en het begin van 2020 maakt Marc van Oostendorp, taalwetenschapper aan het Meertens Instituut en hoogleraar aan de Radboud Universiteit, een serie video’s over de stand van zaken in (delen van) de taalwetenschap. De aanleiding vormt het verschijnen van het boek Human Language. From Genes and Brains to Behavior onder redactie van de Nijmeegse hoogleraar Peter Hagoort.

    In iedere video behandelt Van Oostendorp een hoofdstuk uit dat boek; inmiddels zijn er al meer dan 30 video's verschenen. Samen vormen de video's een soort inleiding in de psycholinguïstiek en de neurolinguïstiek, respectievelijk de kruising tussen experimentele psychologie en taalkunde en hersenwetenschap en taalkunde. Wat weten we bijvoorbeeld over taal in de hersenen? Hoe is het evolutionair ontstaan? Op welke manier zijn communicatiesystemen van dieren met taal te vergelijken? 

    Naar de videoserie Menselijke taal: van genen en hersenen tot gedrag (via Neerlandistiek)

     
     
  • Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door Guido Moerdijk, student Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en stagiair op het Meertens Instituut. Guido heeft met enkele andere stagiairs onder beleiding van Nicoline van der Sijs een aantal maanden gewerkt aan de zeventiende-eeuwse kranten die door vrijwilligers zijn overgetikt, en die in de loop van 2020 op Delpher zullen worden gepresenteerd. De stagiairs hebben de informatie van de kranten op artikelniveau ontsloten en aangevuld, zodat onderzoekers alle artikelen apart kunnen opvragen. Tijdens dit werk heeft Guido speciaal gekeken naar de berichtgeving over de Glorious Revolution in 1688. Hoe berichtten Nederlandse kranten in de zeventiende eeuw over het nieuws van de Glorious Revolution? Was men in de tijd zelf op de hoogte van de achtergronden? Hieronder een verslag van zijn bevindingen.

    (Longread)

    Berichtgeving in de Oprechte Haerlemsche Courant over de Glorious Revolution in 1688
    door Guido Moerwijk
     

    Toen de Britse historica Lisa Jardine in een Frans restaurant zat te werken aan een boek, vroeg de medewerker van het restaurant wat ze aan het schrijven was. Jardine antwoordde dat ze een boek aan het schrijven was over de Nederlandse verovering van Engeland in 1688. “U maakt een grapje zeker,” antwoordde de man. Hij zei dat hij zich niet kon voorstellen dat een klein landje als Nederland ooit een grootmacht als Engeland zou kunnen verslaan, laat staan binnenvallen en de strijd nog winnen ook. Jardine antwoordde dat dat in 1688 toch echt was gebeurd. 

    De ‘Glorious Revolution’, zoals de Nederlandse invasie van Engeland genoemd wordt, staat zowel in de Britse als de Nederlandse geschiedenis bekend als een belangrijke gebeurtenis. Dat kwam met name omdat zowel de Engelsen als de Nederlanders in die tijd zelf ook meenden dat een invasie van Engeland niet mogelijk zou zijn. De Engelsen hadden een groot staand leger van ongeveer 40.000 mensen, die sterk onder controle stond van de katholieke Engelse koning Jacobus II. De positie van de Engelse koning was echter zwak omdat een groot deel van de Engelse bevolking protestants gezind was. De Staten-Generaal in de Republiek zat ook niet te wachten op inmenging in een buitenlands conflict, laat staan via een militaire inval. Toch zou de invasie van Engeland worden doorgezet, omdat men bang was dat Frankrijk en Engeland zouden gaan samenspannen tegen de Republiek, net zoals in 1672.  Dit hele invasieplan was een initiatief van stadhouder (legeraanvoerder) Willem III, die met steun van een deel van de protestantse Engelse bevolking een mogelijkheid zag zijn monarchale ambities waar te maken en koning van Engeland te worden. 

    Hoe berichtten Nederlandse kranten in de zeventiende eeuw over het nieuws van de Glorious Revolution? Was men in de tijd zelf op de hoogte van de achtergronden? Dat heb ik uitgezocht tijdens mijn stage op het Meertens Instituut onder leiding van Nicoline van der Sijs. Ik heb daarvoor krantenartikelen verzameld uit de Oprechte Haerlemsche Courant. Deze krant werd in grote delen van de Republiek gelezen, maar ook in het buitenland, waaronder Londen en Moskou. Engeland had een staatskrant waarop de overzicht toezicht hield, maar het importeren van buitenlandse kranten was niet verboden. Door zijn vrije nieuwsgaring was de Oprechte Haerlemsche Courant in Engeland populair, en er verscheen dan ook een Engelse vertaling op de markt. In de Republiek verscheen de krant in die periode op dinsdag, donderdag en zaterdag. Lezers kregen dus drie keer in de week vers nieuws van de overkant van de Noordzee.

    Lees verder (pdf)

    Afbeelding: Aankomst van Willem III in Londen in december 1688. Prent van Romeyn de Hooghe.

    Ook stage lopen bij het Meertens Instituut? Kijk op onze website voor meer informatie over de beschikbare stageplekken
     
  • Hoe vieren geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen Sinterklaas?

    door Nicoline van der Sijs

    Half november zijn de resultaten bekendgemaakt van het wereldwijde onderzoek dat het Meertens Instituut en de Taalunie hebben uitgevoerd naar het behoud van de Nederlandse taal en cultuur onder geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat Nederlanders en Vlamingen die naar een ander land emigreren, blijven vasthouden aan de Nederlandse taal en cultuur. Dat is opvallend, omdat uit eerder onderzoek was gebleken dat Nederlanders en Vlamingen die in de twintigste eeuw vertrokken naar andere continenten, juist vaak hun taal snel opgaven.

    Een van de vragen was welke Nederlandse of Vlaamse feestdagen emigranten blijven vieren in hun nieuwe vestigingsland. Uit de antwoorden bleek dat Sinterklaas alle andere feestdagen slaat, zelfs Koningsdag. Een van de deelnemers aan het onderzoek vertelt: ‘Ik heb heel hard geprobeerd om onze kinderen Nederlandstalig te maken. Helaas geen success. Behalve Sinterklaas vieren!’

    Sinterklaas wordt natuurlijk gevierd in gezinsverband, zeker door emigranten met kinderen of kleinkinderen, maar ook veel via Nederlandse of Vlaamse clubs of Koffieclubs. Ook de Nederlandse scholen in het buitenland houden de o zo Nederlandse traditie van Sinterklaas stand. Sommige emigranten doen hun best de Nederlandse Sinterklaastraditie te verbreiden, maar dat heeft niet altijd met succes; zo meldt een deelneemster: ‘5 December probeer ik altijd een kadootje van mijn man te ontworstelen (tot heden toe niet gelukt :-)).’

    Voor migranten die geïsoleerd wonen en geen Nederlandse of Vlaamse club of gemeenschap in de buurt hebben, is het lastig. Zo schrijft een deelnemer:

    ‘Het is soms heel eenzaam om zo je best te doen om iets van de Nederlandse cultuur door te geven. Bijvoorbeeld Sinterklaas vieren in een land waar dat niet bestaat; je moet alles zelf opzetten, in je eentje de liedjes zingen bij de schoorsteen met kinderen die je met grote ogen aankijken... Op school werden ze vreemd aangekeken op deze traditie, en dan toch maar doorgaan. De middelste zoon heeft geloofd tot 12 jaar!’

    Hoe wordt Sinterklaas gevierd?

    De meerderheid van de geëmigreerden zingt Nederlandse sinterklaasliedjes: ‘Mijn dochters zingen nog steeds heel braaf met hun schoen klaar Sinterklaas kapoentje.’ Ook lezen ze Sinterklaasboekjes, kijken ze naar de film Het paard van Sinterklaas, en sommigen kijken via internet en online kranten naar de intocht van Sinterklaas en naar het Sinterklaasjournaal.

    En dan zijn daar natuurlijk de typische Sinterklaaslekkernijen, die, ook in het buitenland, onlosmakelijk met de verjaardag van de Goedheiligman zijn verbonden. De meeste emigranten vermelden dat ze sinterklaasgebak, sinterklaasletters of sinterklaassnoep eten, in de vorm van pepernoten, kruidnoten, taaitaai (‘tai tai’), marsepein, chocoladeletters, ‘stroogoed’, speculaas, speculoos of ‘speculates’ en ‘kikkers en muizen’.

    Het is niet altijd eenvoudig om aan die lekkernijen te komen: sommigen maken ze zelf aan de hand van oude recepten, en delen die recepten met andere emigranten via Facebookgroepen, anderen bestellen ze via internet bij Heimweewinkel, VanderVeen’s The Dutch Store, Dutch Expat Shop of Stroopwafelworld.com, en nog weer anderen schakelen hun Nederlandse familie in: ‘Ouders sturen elk jaar een sinterklaaspakket op uit Nederland’, ‘familie stuurt marsepein en chocolade letters met sinterklaas’, ‘jaarlijks noodpakket van mijn broer met Sinterklaas’.

    Aanpassingen van het Sinterklaasfeest

    Natuurlijk verandert er in het buitenland het nodige aan het Sinterklaasfeest, net zoals dat trouwens in Nederland en Vlaanderen het geval is. Zo merkt een deelnemer uit Grand Rapids, Michigan op dat daar Sinterklaas wordt gevierd, maar het is ‘een heel ander soort kinderfeest geworden’. In Suriname is Sinterklaas omgedoopt tot ‘Kinderdag’. Een Australische schrijft: ‘we houden Sinterklaas maar we vieren het tweede kerstdag als Sinta.’ Uit de oproep van het Canadese Dutch Network blijken enkele bijzonderheden van het Sinterklaasfeest overzee:

    ‘Nieuwsgierig naar het eten dat we verkopen tijdens het Sinterklaasfeest? Er zullen kroketten, puddingbroodjes, bitterballen en nog veel meer lekkere dingen verkocht worden! Poffertjes kunnen helaas alleen geserveerd worden indien er genoeg vrijwilligers zijn!’

    De genoemde lekkernijen – broodje kroket, puddingbroodjes, bitterballen en poffertjes – zijn allemaal typisch Nederlands, maar in Nederland en Vlaanderen associëren we deze niet met Sinterklaas.

    Uit vragen in Facebookgroepen blijkt dat tweede of derde generatie geëmigreerde Nederlanders de Sinterklaastraditie graag in ere willen houden, maar niet precies weten hoe dat moet. Zo schreef iemand vlak voor 5 december:

    ‘I was the only member of my family born in Australia. My parents didn't continue the Sinterklaas tradition. Now I have my first Grandchild and my Daughter and son in law would like to start it again. I have the knopen what are all the other things I need to do?’

    Uit het bijgevoegde plaatje blijkt dat de schrijfster met knopen doelt op klompen, nodig om hooi en wortels voor het paard van Sinterklaas in te doen. De vraag leidde tot veel positieve bijval en tips. Een van de reacties luidde:

    ‘Lovely! I am also continuing the tradition. My dad was born there. I am celebrating this year with my one year old and 4 year old. They get a chocolate letter of their initial. I look for something Dutch or go to a Dutch store for candy or peppernotten. Last year they got a Nijnte (English version is the cartoon Miffy) book and rattle (baby was a few days old last year). This year I found a wooden windmill toy to go with their train set. They will also get an orange in their klompen.’

    De Sinterklaastraditie wordt dus doorgegeven, met eigen toevoegingen, ook door emigranten die inmiddels de Nederlandse taal hebben losgelaten en zijn overgestapt op het Engels.

    Vervolg op het onderzoek

    Emigranten bleken niet alleen vragen te hebben over hoe ze tradities als het Sinterklaasfeest in stand kunnen houden, maar ook over hoe ze hun kinderen het best tweetalig kunnen opvoeden, hoe ze op de hoogte kunnen blijven van nieuwe Nederlandstalige literatuur, films en culturele ontwikkelingen. De belangrijkste aanbeveling van de pilot ‘Vertrokken Nederlands’ is dan ook om te onderzoeken of het mogelijk is een digitaal of fysiek informatiecentrum over de Nederlandse taal, cultuur en onderwijs op te zetten ten behoeve van geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen. Zo’n informatiecentrum kan een samenwerkingsverband zijn tussen instellingen als de Taalunie, de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN), de Stichting NOB voor het Nederlandse onderwijs wereldwijd en consulaten.

    Instellingen of personen die belangstelling hebben om mee te werken aan of mee te denken over een dergelijk informatiecentrum kunnen zich melden bij projectleider This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ze worden dan uitgenodigd voor een discussiebijeenkomst begin 2020.

     

    Meer lezen?

    Een kort verslag met een link naar het volledige onderzoeksrapport ‘Vertrokken Nederlands’ lees je op Neerlandistiek.

  • Hoe een computer broodjeaapverhalen leert categoriseren

    Door Myrthe Reuver

    Een onderzoeksproject naar het automatisch met de computer indelen van broodjeaapverhalen, hoe gaat dat eigenlijk? Voor mijn onderzoeksstage met de Volksverhalenbank van het Meertens Instituut heb ik geprobeerd de computer te leren broodjeaapverhalen in verschillende typen in te delen.

    Broodjeaapverhalen zijn de oorspronkelijke ‘virale verhalen’. Spannende, vaak enge of afschrikwekkende verhalen die zich verspreiden van mond tot mond - of van emailbox tot emailbox. Het Meertens Instituut heeft ongeveer 3.000 van dit soort verhalen in de Volksverhalenbank. Een goed voorbeeld is “de babysitter en de man boven”, een verhaal waar een babysitter tv kijkt in het huis van een familie bij wie ze oppast. In verschillende versies van het verhaal worden de kinderen op de bovenverdieping vermoord, of de oppas zelf.

    De setting van deze verhalen is altijd modern, en dichtbij: het zou kunnen gebeuren met jou, je zus, of je neef. Ze worden vaak jarenlang doorverteld. Broodjeaapverhalen hoeven niet geheel onwaar te zijn: de details zijn soms geheel of gedeeltelijk echt gebeurd. Emoties voeren vaak de boventoon. Volgens sommige theorieën helpen broodjeaapverhalen mensen om te gaan met veranderingen in de samenleving, zoals nieuwkomers en technische ontwikkelingen.

    Verhaaltypen

    Jan Harold Brunvand, een Amerikaanse folklorist, merkte op dat broodjeaapverhalen ook nog andere dingen gemeen hebben. Naast de bovenstaande gemeenschappelijke kenmerken zijn er ook gemeenschappelijke verhaaltypen. Hij bestudeerde duizenden verhalen, en vond dat zij samenvielen in 10 hoofdtypen (bijvoorbeeld “CAR”, verhalen over auto’s, of “ANIMAL”, verhalen over dieren), met in elk hoofdtype ook een handvol subtypes (“CAR HORROR”), waar vervolgens ook weer specifieke plots in zitten (“De afgerukte hand in de auto”).

    Alle verhalen in de Verhalenbank hebben een BRUNVAND-indexnummer. Deze zijn aan de verhaaltypen gekoppeld door het Meertens Instituut. Het is namelijk handig en interessant om te weten welke verschillende verhalen tot hetzelfde type behoren. Zo’n indeling kan ook helpen met het vergelijken van verhalen. Het is dus een hulpmiddel om broodjeaapverhalen te analyseren en te onderzoeken.

    Als er nu een nieuw verhaal binnenkomt op het Meertens Instituut, moet iemand analyseren tot welk specifiek Brunvand-indexnummer het verhaal behoort. Mensen lezen een verhaal dan uitgebreid door, en gebruiken hun ervaring met eerdere verhalen om te kijken welk verhaaltype er het dichtst bij ligt. Een computermodel kan echter ook verhaaltypen leren indelen, maar doet dit anders. Zo’n computermodel leest het verhaal niet als geheel, maar telt allereerst de woorden en hoe vaak bepaalde woorden in verhalen voorkomen. Het is dus een heel andere manier van “lezen”.

    Het algoritme trainen

    Een machine learning-algoritme krijgt een heleboel voorbeelden van verhalen die ingedeeld zijn in een bepaald verhaaltype. Het algoritme plaatst al deze voorbeelden in een multidimensionale ruimte waaruit duidelijk wordt welke verhalen op elkaar lijken en welke niet. Daarna is er een soort plattegrond van broodjeaapverhalen: de teksten met bepaalde waarden horen bij bepaalde verhaaltypen. Het model ontdekt vervolgens grenzen: waar in deze multidimensionale verhalen zitten “HORROR” verhalen? En waar zitten “ANIMAL” verhalen?

    Met dit getrainde model kunnen we vervolgens nieuwe broodjeaapverhalen classificeren. We geven het model een totaal nieuw broodjeaapverhaal, en geven het model de opdracht om het juiste verhaaltype erbij te vinden. Vervolgens kan het model dat razendsnel, en soms beter dan mensen, door het verhaal in die multidimensionale ruimte te plaatsen en te kijken of het dichtbij “HORROR” verhalen ligt, of juist dicht bij “CAR” verhalen.

    Ruis in de data

    De aanname van het classificatie-model is dat de verschillende verhaaltypen allemaal een uniek woordgebruik hebben. “CAR” broodjeaapverhalen zullen vooral woorden hebben over auto’s, “ACADEMIC” zullen voornamelijk vol staan met woorden als “school”, “campus” en “universiteit”. Meestal werkt deze simpele aanname erg goed (sommige broodjeaapverhalen worden 80 tot 90 procent van de tijd juist herkend!), maar soms leiden ze ook tot verwarring.

    Het Meertens instituut krijgt namelijk broodjeaapverhalen uit verschillende bronnen: interviews, krantenartikelen, en zelfs e-mail. Een serie interviews over voedsel heeft bijvoorbeeld vaak het woordje “uhm”. Het model leert dan van de data dat “uhm” een kenmerk is van voedsel-broodjeaapverhalen, omdat deze vaak “uhm” in de tekst hebben. Om dit te voorkomen, moeten we de data schoonmaken. Dat wil zeggen: we moeten ervoor zorgen dat het model niet in de war kan raken door dit soort (spreek)taal-elementen. Deze woorden moeten dus verwijderd worden uit de woordenlijst waarmee een broodjeaap-categorie voorspeld wordt.

    Interactieve demo

    Maar ook na het opschonen waren de resultaten waren nog niet voor elk type even goed. Zo bleek dat sommige verhaaltypen, zoals “poedel in de magnetron”, bijna perfect herkend werden door het model, en andere verhaaltypen  zoals “toerist horror verhaal” heel slecht. Dit kwam doordat de eerste categorie meer eenduidige verhalen opleverde, de tweede was meer een soort restcategorie: dit verhaal kan zich vrijwel overal afspelen, met allerlei enge gebeurtenissen, met als enige gemene deler dat er iets ergs met toeristen gebeurt. Het model vond dat (te) lastig om te onderscheiden van andere verhalen, en in één type in te delen.

    Om het model te verbeteren, hebben we nu een demo ontwikkeld. Als de bovenste categorie wel correct is (“CAR”), maar de subcategorie bijvoorbeeld niet, kunnen gebruikers het model zelf corrigeren door onderaan de pagina een interactieve boom van broodjeaapverhalen te verkennen. Zij kunnen vervolgens zien welke subcategorieën er onder “CAR” vallen, en welke verhaaltypen weer onder die subcategorieën vallen. Zo vullen model en mens elkaar aan om de verhalen toch correct te classificeren, met behulp van de hiërarchie van de verhaaltypen.

    Dit is een verkorte versie van een artikel dat op 10 oktober 2019 verscheen op Neerlandistiek

  • 'En kan het hier blijven staan?'
    Het bureau uit Het Bureau

    door Douwe Zeldenrust

    foto: Elise 't Hart

    ‘Een uitzonderlijk groot bureau met een opbouw, dat lang geleden eigendom van een beroemd taalgeleerde was geweest.’ Zo beschrijft Maarten Koning het bureau van Beerta in de roman Het Bureau. Tegenwoordig staat het massief eikenhouten bureau, waar directeur P.J. Meertens aan heeft gewerkt, tentoongesteld in het Meertens Instituut. Maar wat is de betekenis van dit meubel en wat gaat ermee gebeuren?

    Pijploos orgel

    Het zware bureau van Meertens kan in eerste instantie gezien worden als een rekwisiet uit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. In de roman staat er een schrijfmachine op (die we niet meer hebben; de typemachine op de foto is een andere) en de directeur heeft in een la een botervloot en een pakje hagelslag zitten voor de lunch. Door de populariteit van de boeken is het bureau een literair en museaal object geworden. Inmiddels zijn er in dat kader dan ook verzoeken van verschillende instellingen geweest om het bureau te gebruiken bij tentoonstellingen en is het uitgeleend geweest aan de Zeeuwse Bibliotheek. Bij bezoekers van het Meertens Instituut is er wel eens verwarring over wat het bureau precies is. Dan wordt de vraag gesteld: ‘Is dit dan Het Bureau?’. ‘Nee’, is dan het antwoord, ‘dit is de werktafel van de directeur geweest’. De huidige medewerkers van het Meertens Instituut zien Het Bureau vooral als verwijzing naar de boekenreeks. Maar voor lezers is vaak ook het meubel Het Bureau. Het is met andere woorden een literair object geworden.

    Het bureau maakt deel uit van de inventaris van het instituut en het kan tevens gezien worden als een collectieonderdeel. Het valt op tussen de andere collecties: die bestaan voornamelijk uit goed hanteerbare informatiedragers zoals papieren vragenlijsten, cassettebandjes of digitale data. Het bovenmatige bureau wordt in de wandelgangen van het instituut ook wel het ‘pijploos orgel’ genoemd en het heeft, samen met het instituut, een aantal verhuizingen achter de rug. De laatste keer in 2016. Toen is het verhuisd van de voormalige Coca-Colafabriek bij de Amstel, waar het Meertens Instituut 20 jaar gehuisvest is geweest, naar het Spinhuis in de binnenstad van Amsterdam, waar het Meertens Instituut zich nu bevindt.

    Beheer en behoud

    De collecties van het Meertens Instituut worden duurzaam bewaard. De papieren collecties en de audiodragers staan in geklimatiseerde ruimtes in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, dat samen met het Meertens Instituut, en het Huygens ING onderdeel is van het Humanities Cluster. Ook de digitale collecties worden duurzaam bewaard en het Meertens Instituut is daarvoor speciaal gecertificeerd met het kwaliteitskeurmerk Core Trust Seal.

    Net als die andere collecties zal het bureau goed geconserveerd worden. Daarvoor wordt het in de komende periode gereinigd en worden beschadigingen gerepareerd. Ook komt het meubel op een klein podium te staan. De losse onderdelen zoals de brievenweegschaal zullen tentoon worden gesteld. Zo blijft het bureau behouden als onderdeel van de collecties van het Meertens Instituut. In Het Bureau vroeg Beerta nog bij zijn afscheid in 1965 wat met het meubel zou gebeuren: 'We hebben het nog niet over mijn bureau gehad.' 'Dat blijft uw bureau,' antwoordde Maarten zonder van zijn werk op te zien. 'En kan het hier blijven staan?' 'Natuurlijk. Waar anders?’

    Voor meer informatie over de collecties van het Meertens Instituut kunt u contact opnemen met Douwe Zeldenrust, Collectiemanager: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it..
     

  • Een nieuwsbrieflezer uit Groningen vroeg zich af waarom er op het bekende leesplankje van Hoogeveen onderscheid gemaakt wordt tussen de o in bok en die in hok. Boven de o van bok staat vaak een stip. Wat betekent dat? De vraag wordt beantwoord door Marc van Oostendorp.

    Een van de weinige echte discussies over standaarduitspraak gaat over deze klinker: is het 'standaard-Nederlands' om hok en bok met dezelfde klinker uit te spreken, of juist om onderscheid tussen deze twee te maken? Op het leesplankje van Hoogeveen waren de woorden hok en bok allebei opgenomen omdat ze verschillende klinkers zouden hebben. Veel sprekers uit de Randstad maken niet of nauwelijks verschil en - wat belangrijker is - horen geen verschil als anderen het wel maken. Gezaghebbende taalkundigen hebben dan ook gezegd dat het verschil 'ongemerkt' uit de standaardtaal verdwenen is.

    Voor sprekers die het verschil wel maken, is de tong bij hok iets hoger opgetild dan bij bok. Wanneer je het preciezer wil opschrijven, kun je het eerste woord als [hʊk] noteren, en het tweede als [bɔk]. Nu kun je in dit geval nog zeggen dat het verschil veroorzaakt wordt door verschillen tussen de medeklinkers die ervoor staan (mij is uit de literatuur nooit duidelijk geworden wat de mechanica precies zou moeten zijn die dit verklaart).

    Wanneer je alleen dit soort voorbeelden zou hebben, zou de kwestie niet de moeite waard zijn om te noteren - zoals we ons ook niet druk maken over het feit dat een [k] net wat anders klinkt voor een [i] dan voor een [u]. Maar in het geval van de <o> blijft het er niet bij: er zijn woorden waar het enige verschil de uitspraak van de klinker is. Een klassiek voorbeeld is het verschil tussen d[ɔ]ffer voor 'mannelijke duif' en d[ʊ]ffer, dat 'meer dof' betekent.

    Er bestaat natuurlijk geen goede mechanische verklaring voor het verschil tussen doffer en doffer. Dus moeten sprekers dat verschil op de een of andere manier geleerd hebben - het moet deel uitmaken van het taalsysteem. Aan de andere kant zijn er natuurlijk ook in bijvoorbeeld Noord-Nederland (een van de duidelijkste bolwerken van het onderscheid) inmiddels al hele horden jongeren die geen idee hebben dat er een apart woord is voor een mannelijke duif.

    Maar spreken de mensen die het verschil wél maken, dan geen standaard-Nederlands? Moeten ze zich het verschil afleren? Het goede nieuws is: die vraag hoeven we niet te beantwoorden. Degenen die het verschil zelf niet maken, horen het ook niet als anderen dat wel doen. Degenen die het verschil wél maken, raken zelden of nooit in verwarring van het feit dat hun gesprekspartners sommige klinkers een beetje wonderlijk uitspreken. Er is wat variatie, maar die levert voor niemand echte problemen op.

    Deze tekst is afkomstig uit de Klankencyclopedie van het Nederlands

    Afbeelding: Leesplankje van Hoogeveen. Publiek domein.

     

  • Op 5 juni vond op het Meertens Instituut de jaarlijkse Kiliaanlezing plaats, georganiseerd door de Kiliaanstichting. Deze stichting heeft tot doel het etymologisch onderzoek in België en Nederland te bevorderen. Jan Peter Verhave sprak over het Yankee Dutch in Michigan. Later dit jaar verschijnt zijn biografie over Paul de Kruif, Amerikaans auteur van Nederlandse afkomst.

    door Mathilde Jansen

    De stad Holland in Michigan werd in 1847 gesticht door Nederlandse calvinisten, onder leiding van dominee Albertus C. Van Raalte. Nog steeds heeft veertig procent van de ruim 35 duizend inwoners Nederlandse wortels. Maar het Nederlands wordt er niet meer gesproken volgens Jan Peter Verhave.

    Verhave is gepensioneerd parasitoloog en momenteel honorary research fellow aan het Van Raalte Institute in Michigan. Daar schrijft hij aan een biografie van Paul de Kruif (1890-1971), een van de meest gelezen volksvoorlichters in Amerika over ziekten, volksgezondheid en geneesmiddelen. De Kruif was kleinzoon van Nederlandse immigranten en daardoor bekend met het Yankee Dutch – de mengelmoes van Nederlands en Engels die de Nederlandse immigranten in Amerika spraken.

    Nederlandse dialecten

    De oorspronkelijke groep migranten vormde een afsplitsing van de Nederlandse Hervormde kerk. Aanvoerder van deze groep was dominee Albertus van Raalte, die zich aangesloten had bij de Afscheiding van 1834, een beweging die uiteindelijk zou leiden tot zelfstandige gereformeerde kerken naast de Nederlandse Hervormde kerk. Zij waren geïnspireerd door de theologie van Calvijn.

    Van Raalte stichtte diverse koloniën aan de oostkust van Lake Michigan. De Nederlandse kolonisten die zich er vestigden kwamen uit verschillende delen van Nederland. In het nieuwe land groepeerden ze zich aanvankelijk ook weer naar regio, waardoor de verschillende dialecten in het begin behouden bleven. Ook de Statenbijbel had een behoudende invloed, want die werd gelezen in het Nederlands.

    Derde generatie

    Toch werd de omgangstaal meer en meer Engels en bij de derde generatie was het Nederlands zo goed als verdwenen. Wel bleef men trots op de Nederlandse roots, vertelt Verhave. Op het Van Raalte Institute worden vandaag de dag nog steeds lessen gegeven over de Nederlandse geschiedenis, die druk worden bezocht, met name door gepensioneerden.

    Ook Paul de Kruif behoorde tot de derde generatie: zijn grootouders waren Zeeuwse emigranten. De Kruif zelf werd in 1890 geboren in Zeeland, Michigan. Hij groeide op in een belezen gezin, en op zijn zesentwintigste promoveerde hij in de bacteriologie aan de Universiteit van Michigan. Toch zette hij zijn carrière als wetenschapper niet voort. Hij werd wetenschapsjournalist, o.a. voor Readers Digest, en schreef veel kritische stukken over zijn medische collega’s die volgens hem niet altijd even wetenschappelijk te werk gingen. Zijn boek Microbe Hunters werd in twintig talen vertaald, waaronder het Nederlands.

    Yankee Dutch

    De Kruif raakte tijdens zijn loopbaan als journalist bevriend met journalist en schrijver Henry Mencken, die zelf kind was van Duits-Amerikaanse ouders. Ze hadden meer gemeen: een provocerende pen en een atheïstische levensvisie – De Kruif had gebroken met het calvinisme.  

    Mencken was onder meer geïnteresseerd in de Amerikaanse dialecten en De Kruif hielp hem met zijn kennis over het Nederlands in Amerika. In het uiteindelijke boek The American Language (1919) was een heel hoofdstuk gewijd aan het zogenaamde Yankee Dutch, de taal van Nederlandse Amerikanen. Waarschijnlijk is de naam Yankee afgeleid van Jan-Kees. De namen Jan en Kees kwamen veel voor onder de Nederlandse kolonisten. De Britten gebruikten het woord ‘Yankee’ aanvankelijk als scheldnaam voor inwoners van New England in Amerika, die het later zelf gingen gebruiken als geuzennaam, waarna het voor iedere Amerikaan werd gebruikt.

    Meer lezen?

    In 2006 verscheen het boekje ’n Fonnie Bisnis van Dirk Nieland, een heruitgave van de editie uit 1929. Het vertelt op gekscherende wijze het verhaal van een prototypische Nederlandse migrant. Serieuzer van aard zijn de (populair)wetenschappelijke boeken How Dutch Americans Stayed Dutch van Michael Douma en Yankees, cookies en dollars van Nicoline van der Sijs. Dit najaar verschijnt de biografie van Paul de Kruif van Jan Peter Verhave bij Van Raalte Press, getiteld ‘A constant state of emergency’.

    Lees ook dit artikel op NEMO Kennislink: 'Hoe Jan-Kees een Yankee werd'.

  • Sterven achternamen uit?

    De eerste aflevering van de Grote Vragen Podcast van de Volkskrant gaat over achternamen. Aanleiding was de lezersvraag: Sterven achternamen uit? Hoe erg is dat? Onze naamkundige Leendert Brouwer werkte eraan mee. Voor de nieuwsbrieflezers gaat hij nog eens uitvoerig in op deze vragen.

    door Leendert Brouwer

    Dat men zich zorgen maakt om de extinctie van diersoorten is begrijpelijk. Maar waarom men zich zorgen maakt om het uitsterven van achternamen begrijp ik niet zo goed. Het zal toch niet zo zijn dat men het uitsterven van families met specifieke namen vreest, want ook families of familietakken met veelvoorkomende namen kunnen door gebrek aan nazaten ‘uitsterven’.

    verspreidingskaart van de naam Jansen (bron: CBG)

    Versteende bijnamen

    Wat voor een naamkundige vooral moeilijk is in deze kwestie, is dat hij moet uitleggen wat achternamen eigenlijk zijn. In wezen zijn achternamen immers versteende bijnamen. Vóór de invoering van de burgerlijke stand in 1811 waren achternamen nog los vast: men heette zoals men genoemd werd. En dat kon gedurende een levensloop veranderen. Men kon bijvoorbeeld naar zijn of haar vader of moeder genoemd worden. Maar daarnaast kon men ook een andere naam aangemeten krijgen, of een alias die de goegemeente spontaan voor je bedacht had. Jan Bakker, die zo heette omdat zijn grootvader een broodbakker was, kan ook Jan de Rooie genoemd zijn omdat hij opvallend rood haar had. Zíjn zoon werd wellicht Cornelis Janszoon de Roode of De Rooij of Rood genoemd. Bij de invoering van de burgerlijke stand kreeg je zo van één grootvader mogelijk nakomelingen met de namen Bakker, Rood en De Rooij.

    Het kon vóór 1800 alle kanten opgaan met de naamgeving en omdat er nog geen uniforme spellingsregels waren, was er ook een grote variatie in schrijfwijze. Hoeveel spellingsvarianten zijn er wel niet van een naam als Van den Boogaard (Bongers, Boomgaards, Boogert, Uittenbogaard plus tientallen andere naamvormen), terwijl die mensen heden ten dage allemaal Van de Boomgaard zouden hebben geheten. Ware het niet dat men de namen bij de invoering van de burgerlijke stand in bevroren toestand heeft vereeuwigd.

    Eigenlijk is het naamgevingsproces daardoor verstard. In de eeuwen daarvoor werden namen genoteerd die kwamen en gingen en sommige namen van veelvoorkomende beroepen bijvoorbeeld zag men overal terugkeren. De voornaam Jan was een van de populairste roepnaamvormen van de doopnaam Johannes. Vandaar dat de ervan afgeleide achternamen Janse, Jansen en Janssen wijdverbreid zijn.

    Curieuze achternamen

    Ja, een curieuze achternaam had dus de kans om van korte duur te zijn. Zulke individuele namen kunnen heel fraai zijn, maar zonder nakomelingen waren ze geen lang leven beschoren. Neem bijvoorbeeld namen als Dwaaslicht, Fierenblaas, Guldentong, Hardevuist, Hutspot, Jongemooimeisje, Van de Korenmarkt, Kriekenboom, Lootsman, Macropedius, Negenvinger, Onweer, Plantijn, Plukkeroos, Smijtegeld, Spaarpot en Sterveling. Misschien zijn er enkele generaties van geweest, maar inmiddels bestaan ze niet meer. Dat is misschien spijtig voor een aantal namen, maar al die namen maakten in feite gewoon deel uit van de taalschat, en die was en is veranderlijk.

    Verspreidingskaart van de naam Poepjes (bron: CBG)

    Ook ongunstige namen zoals de toenamen ‘t Hoertje en De Lul zijn in het verleden genoteerd. Nog steeds zijn er namen die een ongunstige associatie hebben. De naam Poepjes is misschien wel de meest beruchte, al was men zich bij de naamgeving van geen kwaad bewust; Poepjes heeft niets met faecaliën te maken. Bron: CBG Familienamenbank.

    Zoals sommige woorden niet of nauwelijks meer in gebruik zijn, zo verdwenen ook sommige achternamen. Na de invoering van de burgerlijke stand is het echter louter een demografische kwestie geworden. Gedurende twee eeuwen nam de verspreiding van namen in grote gezinnen met veel jongens toe en hadden de bijzondere namen van kleine families kans uit te sterven. Kijken we naar de namenvoorraad van nu dan tellen we ongeveer 300.000 familienamen. Na de oorlog waren het er 125.000. Gemiddeld heeft een naam in de tussenperiode anderhalf keer zoveel naamdragers gekregen en er zijn veel nieuwe namen bijgekomen.

    Immigratieland

    Je zou het alarmerend kunnen vinden dat van de 300.000 familienamen de helft door minder dan vijf personen wordt gedragen en derhalve met uitsterven wordt bedreigd. Maar dan moet je wel bedenken dat er veel namen van buitenlandse origine bij zijn die waarschijnlijk nog veelvuldig in andere landen voorkomen. Ook zijn er veel Spaanse en Iraanse dubbele namen bij die weliswaar uit meer voorkomende enkelvoudige namen zijn samengesteld, maar als dubbele naamvorm vrij uniek zijn. En dan zijn er nog duizenden zeldzame spellingsvarianten van meer voorkomende namen waarvan het merendeel naoorlogse immigranten toebehoort.

    Na de oorlog was het bovendien niet anders. De helft van de toenmalige 125.000 namen werd evengoed door minder dan vijf personen gedragen. Ook toen betrof het grotendeels namen van buitenlanders. Nederland is van oudsher een immigratieland.

    Maar het is hoe dan ook spijtig dat sommige unieke namen nog slechts tragisch in het archief vergelen bij het overlijden van de laatste naamdrager. Gelukkig is er inmiddels een naamrechtelijke mogelijkheid om een zeldzame naam te behouden. Ouders kunnen immers sinds 1998 hun kinderen de naam van de moeder meegeven. Deze keuzemogelijkheid biedt tevens een goede oplossing om het aantal van de veelvoorkomende namen enigszins te beknotten. Zo zijn er nu ietsje minder Brouwers dan er zouden kunnen zijn, omdat mijn dochter de achternaam van haar moeder heeft meegekregen. Het spreekt voor zich dat deze keuzemogelijkheid ook een goed middel is om van minder gunstige namen af te komen. Die worden dan helaas weer met uitsterven bedreigd. Maar dat zal bij deze namen wellicht slechts de naamkundigen spijten.

    Beluister hier de podcast: https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/podcasts/serie/de-grote-vragen-podcast/sterven-achternamen-uit/

  • Wat betekent erkenning van het Limburgs?

    De Rijksoverheid erkent het Limburgs als volwaardige streektaal. Dat heeft minister van Binnenlandse Zaken Ollongren op 15 maart 2019 bekendgemaakt. Het is in feite een bevestiging van een eerdere erkenning. Wat betekent dit in de praktijk voor het Limburgs?

    De vraag wordt beantwoord door Leonie Cornips, onderzoeker Taalvariatie aan het Meertens Instituut en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht.

    15 maart heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties Kajsa Ollongren aangegeven positief te staan tegenover een Convenant voor het Limburgs. Met dit Convenant bevestigt de Nederlandse overheid nogmaals dat het Limburgs in 1997 als officiële regionale taal onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend is. Het Europees Handvest is opgesteld door de Raad van Europa dat 47 lidstaten kent. De Belgische overheid heeft in tegenstelling tot de Nederlandse overheid het Europees Handvest niet ondertekend waardoor het Limburgs in Belgisch-Limburg geen regionale taal mag heten.

    Limburgs stimuleren

    De Nederlandse overheid wijst de uitvoering van het regionale taalbeleid toe aan de Provincie Limburg maar blijft zelf eindverantwoordelijk. De Nederlandse overheid stuurt om de drie jaar een rapport aan de Raad van Europa, bijvoorbeeld over de hoeveelheid uren die leerkrachten in het onderwijs aan het Limburgs besteden, en hoeveel Limburgs er in de media te beluisteren valt. Tot nu toe zijn er geen eenduidige regelingen hoe de nationale, regionale en lokale overheden het gebruik van het Limburgs zouden moeten ondersteunen en stimuleren. De Raod veur ’t Limburgs, het Huis voor de Kunsten in Limburg inclusief de streektaalfunctionaris en Veldeke, de oudste (sinds 1926) en grootste dialectvereniging in Limburg adviseren de Provincie. Zij organiseren activiteiten om het Limburgs in beweging te houden, waarbij de Provincie faciliteert.

    Nieuwe kansen

    Al met al zou een kniesoor zeggen dat er met het Convenant niets wezenlijks verandert aan de positie van het Limburgs. Een optimist ziet echter nieuwe kansen, afhankelijk van de manier waarop het Convenant na de zomer vorm en inhoud zal krijgen in de samenwerking tussen het Ministerie, Provincie Limburg en betrokken partners.

    Het Convenant krijgt nu al positieve aandacht in de nationale media en het genereert hernieuwde belangstelling voor de meertaligheid van Limburg, waar inwoners naast vele andere talen ook het Nederlands en Limburgs als afzonderlijke talen spreken. Natuurlijk heeft een brede groep van streektaal- en letterenorganisaties in Limburg al eerder wensen geformuleerd. Hopelijk zijn die nu samen met het Rijk en culturele en onderwijspartners te realiseren. Men wil graag verjongen en feminiseren, het Limburgs vernieuwen door digitale media, het imago versterken door Limburgs aan te bieden in het onderwijs, op radio en televisie en het te horen brengen op allerlei theater, muziek- en poppodia.

    Tweetaligheid

    Vanuit het wetenschappelijk onderzoek van de leerstoel Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht leven er drie wensen. De eerste is het stimuleren van tweetalig opgroeien van peuters, dus ook in het Limburgs naast het Nederlands en kennisverspreiding van de cognitieve voordelen ervan. De tweede is dat iedereen in Limburg, werkend in bedrijfsleven of bij de overheid, voor de klas of in het ziekenhuis, oud- of nieuwkomer, jong of oud, man of vrouw, immigrant of van elders in Nederland, expat of niet het Limburgs als Tweede Taal (LT2) kan leren van professionals die weten hoe het leren van een tweede taal succesvol verloopt.Het zou een taak voor de provincie kunnen zijn deze LT2-taalverwerving te stimuleren en eventueel te institutionaliseren. Ten derde ligt er in navolging van het KNAW-rapport ‘Talen in Nederland – Talen voor Nederland’  (2018) een mogelijke taak voor de provincie en gemeenten. Zij zouden professionals in de zorg, het onderwijs, bij politie en justitie bewust kunnen maken van het belang om in de thuistaal van hun patiënten, leerlingen of cliënten te communiceren en kennis over te dragen.

    foto: https://www.dbnl.org/letterkunde/limburg/