Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  • Waarom is een historisch-etnologisch onderzoek over de wederopbouw van boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig zo relevant?

    Naar aanleiding van het verschijnen van het boek van etnoloog Sophie Elpers: ‘Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2019.

    door Sophie Elpers

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meer dan negenduizend boerderijen verwoest. De wederopbouw ervan begon reeds na de verwoestingen van de eerste oorlogsdagen in 1940. Vanaf 1945 werden de getroffen boerderijen van het laatste oorlogsjaar aangepakt totdat het herstel in 1955 afgesloten kon worden. De wederopbouw werd georganiseerd en gecoördineerd door een overheidsinstelling, het Bureau Wederopbouw Boerderijen.

    Buiten dit institutionele kader waren er veel andere spelers die direct of indirect invloed uitoefenden op de boerderijbouw, zoals particuliere architecten, gemeentelijke schoonheidscommissies, de Bond Heemschut, de Rijkslandbouwarchitect, de Nederlandse Heidemaatschappij, de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst, de landbouworganisaties en de individuele boeren en boerinnen. Tussen hen ontstond een heftige strijd over traditie en modernisering die uiteindelijk de architectuur van de nieuwe boerderijen bepaalde.

    Symboliek versus gebruiksobject

    Aan deze strijd lagen twee verschillende functies van boerderijen ten grondslag. Het waren enerzijds objecten met een uitgesproken symbolische functie: zij stonden voor bepaalde tradities en waarden en moesten bijdragen aan de versterking en de vorming van een nationale identiteit. Anderzijds betrof het agrarische gebruiksobjecten die van cruciaal belang waren voor de modernisering van de Nederlandse landbouw.

    Aan de ene kant was er een groep die boerderijen terug wilde zien in een regionaal-traditionele vormentaal, zogenoemde streektypen. Zij dachten dat hiermee nationale eenheid (in verscheidenheid!) zou kunnen worden gesymboliseerd en een dreigend verlies van traditionele plattelandscultuur tegengewerkt zou kunnen worden.

    Een andere groep wilde vooral moderne wederopbouwboerderijen waarbij het streektype verlaten kon worden om plaats te maken voor totaal nieuwe boerderijvormen. Volgens deze groep was modernisering van de landbouw in Nederland dringend nodig. Zij zagen de wederopbouw als kans.

    Uiteindelijk zouden de moderniseerders een sterkere positie verwerven.Kwesties van traditie en modernisering werden ondergeschikt gemaakt aan de economische werkelijkheid die dringend een modernisering van de boerderijen vereiste.De meeste wederopbouwboerderijen kregen een streekeigen uiterlijke vorm met een modern interieur. Maar bij de boerderijen uit de late wederopbouwjaren werdende streektypen in de boerderijbouw steeds meer verlaten.

    Idylle of plek van crisis

    Veel plattelandsgebieden worden nog steeds bepaald door de wederopbouwboerderijen uit de jaren 1940 tot 1955. Voorbeelden zijn de Gelderse Vallei, Walcheren, de Betuwe, de omgeving van de gemeenten Groesbeek en Arnhem. Slechts tegen de achtergrond van het dynamische proces van de wederopbouw zijn deze duizenden nog existerende wederopbouwboerderijen te begrijpen en te waarderen. Hoe dynamisch en complex de wederopbouwperiode was, kunnen we opmaken uit de verschillende standpunten, tegenstrijdigheden en ambivalenties, de worstelingen, de conflicten en allianties, de toenaderingen en de compromissen tijdens het plannings- en bouwproces van de boerderijen.

    Bovendien krijgt het platteland krijgt tegenwoordig veel aandacht in de samenleving. Dit betreft zowel de concrete transformaties die plaatsvinden als ook voorstellingen die mensen hebben van het platteland. Het wordt gezien als een idyllische plek van rust en harmonie. Tegelijkertijd wordt het platteland als plaats van crisis geïnterpreteerd: landvlucht, vergrijzing, ontbrekende sociale en medische voorzieningen, schaalvergroting en intensivering van de landbouw die ecologische en ethische kwesties oproepen, maar ook boeren die hun bedrijf sluiten.

    En steeds gaat het ook over architectuur: Hoe moet de neo-traditionalistische architectuur op het platteland, woonhuizen in de vorm van historische boerderijen en landhuizen die in alle delen van Nederland herrijzen, geïnterpreteerd worden? Wat doet deze architectuur met de mensen? Moeten nieuwe hoogtechnische agrarische bedrijfsgebouwen ingepast worden in het landschap en aangepast aan reeds aanwezige (historische) architectuur? En zo ja, hoe? Hoe kunnen op locaties van voormalige agrarische bedrijven nieuwe activiteiten ontwikkeld worden? En hoe kunnen leegstaande boerderijen, ook wederopbouwboerderijen, het beste herbestemd worden?

    De analyse van de strijd over traditie en modernisering in de wederopbouwperiode maakt duidelijk waarover het ook tegenwoordig gaat: de nauwe relatie tussen enerzijds vragen en debatten over plattelandsarchitectuur en anderzijds diagnosen van wat het platteland is en voorstellingen hoe het zou moeten zijn in de toekomst. Er is sprake van een complex netwerk van verschillende stakeholders met verschillende ideologieën, belangen en argumenten. Alleen als deze goed ontrafeld en gereflecteerd worden, kunnen oplossingen voor de toekomst gevonden worden.

    Afbeeldingen: 1. Streektypische wederopbouwboerderij in Elst, Gelderland.2. Neotraditionalistische architectuur op het platteland, 21e eeuw.

     

    Bron:

    Sophie Elpers: Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom informanten uit het buitenland werven op een Nederlands festival?

    Het klinkt een beetje paradoxaal: informanten in het buitenland werven voor wetenschappelijk onderzoek op een Nederlands talenfestival. Toch is dit precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben geprobeerd tijdens het DRONGO talenfestival op 9 en 10 november 2018.

    door Kristel Doreleijers

    Op zaterdag 10 november presenteerden zij daar het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ dat sinds juli dit jaar wordt uitgevoerd in samenwerking met de Nederlandse Taalunie. Het doel van dit project is om in kaart te brengen hoe geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen met de Nederlandse taal en cultuur omgaan in den vreemde (zie ook dit artikel over het onderzoek). Verandert hun taalgebruik en hun cultuurbeleving in het buitenland of houden ze vast aan de talige en culturele gewoonten van hun vaderland? Bezoekers konden op DRONGO meer te weten komen over de opzet van het project en inzicht krijgen in de doelstellingen en enkele (voorlopige) resultaten. Dat een onderzoek als dit relevant is (óók voor een niet-wetenschappelijk publiek) staat buiten kijf, aangezien jaarlijks tienduizenden Nederlanders en Vlamingen emigreren om in een ander land een nieuw leven op te bouwen. Een groot aantal mensen dat Nederland verlaat, remigreert naar het land van herkomst of heeft al een andere buitenlandse identiteit, maar er zijn ook heel veel Nederlanders en Vlamingen die hun vertrouwde geboorteland én moedertaal achterlaten. In 2017 waren dat om precies te zijn 10.817 Vlamingen (Statbel) en 43.378 Nederlanders (CBS).

    Burgerwetenschappers

    In het project ‘Vertrokken Nederlands’ onderzoeken taalkundigen van het Meertens Instituut via verschillende enquêtes de attitude van emigranten ten opzichte van de Nederlandse taal en de Nederlandse/Vlaamse cultuur. De eerste twee enquêtes over taalgebruik (juli 2018) en cultuur en behoeftes aan talige ondersteuning vanuit de Lage Landen (oktober 2018) worden inmiddels volop ingevuld. Wereldwijd hebben al meer dan 5000 informanten hun bijdrage aan dit onderzoek geleverd. Die informanten worden vooral bereikt via sociale media (Facebook), maar ook via burgerwetenschappers. Deze innovatieve maar sterk opkomende manier van wetenschapsbeoefening gaat uit van een intensieve samenwerking tussen professionele wetenschappers en burgers zonder wetenschappelijke (in dit geval: taalkundige) expertise. De burgerwetenschappers van ‘Vertrokken Nederlands’ (in totaal meer dan zestig) treden wereldwijd, in verschillende landen, op als ambassadeurs van het onderzoek. Zo helpen ze met het aanleggen van informantennetwerken in den vreemde, via de eigen familie-/kennissenkring tot (inter)nationale nieuwsbrieven, koffieclubs, lokale emigrantengemeenschappen, Nederlandse kerken in het buitenland, onderwijsinstellingen (bv. Nederlandstalige scholen) of lokale krantjes. Maar hoe komen professionele onderzoekers met geschikte burgerwetenschappers in contact? De aard van dit type onderzoek doet vermoeden dat professionals en leken elkaar logischerwijs zouden ontmoeten tijdens momenten waarop gedeelde onderzoeks- of taalinteresses bij elkaar komen. Bijvoorbeeld op een talenfestival als DRONGO, dus! Onderzoekers van het Meertens Instituut vroegen zich in deze context het volgende af: zijn DRONGO-bezoekers wellicht ook potentiële burgerwetenschappers?

    Vragenlijst op DRONGO

    Emigratie heeft natuurlijk nooit een eenzijdige impact: mensen die emigreren en hun geboorteland en moedertaal achterlaten zijn een interessant onderzoeksobject, maar óók de achterblijvers (familie en vrienden van de emigranten) zijn onderdeel van het emigratieproces. Zelden hoor je dat emigranten alle contacten met het thuisfront verbreken. Dit gegeven maakt het interessant om ook deze laatste groep eens onder de loep te nemen, en dat is precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben gedaan op DRONGO 2018. Uit het grote aantal flyers dat bezoekers meenamen, bleek dat een aanzienlijk deel van de DRONGO-gasten interesse had in het onderzoeksproject. Van sommige bezoekers bleek die interesse des te duidelijker toen zij een uitgebreid gesprek aanknoopten met de aanwezige onderzoekers van ‘Vertrokken Nederlands’. Dit bood de onderzoekers een uitstekende gelegenheid om meer te weten te komen over het potentiële netwerk van deze bezoekers. Hebben zij Nederlandse of Vlaamse familieleden/vrienden die in het buitenland wonen? Zo ja, in hoeverre hebben zij contact met deze emigranten en via welke kanalen? En in welke taal of talen vindt communicatie plaats, en hangt dit bijvoorbeeld nog samen met de periode van emigratie (bv. langer of korter dan vijf jaar geleden)?

    Onderzoekers van het Meertens Instituut lieten 25 duidelijk geïnteresseerde DRONGO-bezoekers een korte vragenlijst invullen om deze informatie te achterhalen, waarvan 21 bezoekers aangaven contact te hebben met familieleden of vrienden in het buitenland. De frequentie van dit contact bleek te variëren van zelden (een keer per jaar), tot regelmatig (maandelijks) of vaak (wekelijks of zelfs dagelijks). DRONGO-bezoekers vulden in niet alleen af en toe op bezoek te gaan in het buitenland, maar het contact vooral ook telefonisch of via e-mail, videobellen, korte chatberichten (Messenger of Whatsapp) en sociale media te onderhouden. Daarbij bleek het Nederlands in alle gevallen de voertaal te zijn, ongeacht de periode van emigratie (langer of korter dan vijf jaar). Afgaande op dit resultaat is het Nederlands als communicatiemiddel met het thuisfront dus ook in den vreemde nog springlevend, zij het dat een aantal bezoekers aangaf zo nu en dan het Nederlands ook af te wisselen met Engels, Spaans of Duits. Een enkeling vertelde bovendien nog geregeld in dialect te communiceren met Nederlandse contacten in het buitenland, zoals het Limburgs of het Bildts.

    Wat levert deze kennis nu op? Behalve dat het belang van het Nederlands in den vreemde (als communicatiemiddel met het thuisfront) op basis van deze kleine steekproef bevestigd lijkt, is het natuurlijk bijzonder relevant om te weten of de DRONGO-bezoekers ook een schakel kunnen vormen tussen onderzoekers en de betreffende contacten in het buitenland. Om die reden werd de bezoekers ook gevraagd of ze bereid zouden zijn hun contacten te activeren om deel te nemen aan dit onderzoek, bijvoorbeeld door de links naar de enquêtes onder hen te verspreiden. Zestien bezoekers gaven aan dit zeker te willen doen en de overige bezoekers zagen hier liever van af of gaven aan nog te twijfelen. In alle gevallen konden ze een flyer meenemen met onze contactkanalen (website, Facebook, e-mail) om de informatie over het project thuis nog eens rustig na te lezen, én hopelijk door te zetten naar relevante buitenlandse contacten. Een ding kunnen we in elk geval concluderen: animo en potentie blijkt er onder het DRONGO-publiek zeker te zijn!

    Woordenschattest

    DRONGO-bezoekers met een interesse in ‘Vertrokken Nederlands’ konden tijdens het festival ook een Woordenschattest van het Nederlands invullen. Deze test is ontwikkeld door Heleen Vander Beken, Evy Woumans en Marc Brysbaert van de Universiteit Gent en zal binnenkort ook worden afgenomen onder geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen. We zijn benieuwd of de woordenschat van Nederlandse en Vlaamse niet-emigranten afwijkt van die van emigranten. Wie de test op DRONGO heeft gemist, kan hem ook nu nog invullen via de website van het Meertens Instituut.

    Dit artikel verscheen eerder op Neerlandistiek

  • Een lezeres van de nieuwsbrief hoorde onlangs in de trein iemand vertellen dat zijn tante ‘Hooghaarlemmerdijks’ spreekt. Zij vroeg ons wat dat voor dialect is. Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door Nicoline van der Sijs.

    Met Hooghaarlemmerdijks wordt een deftig, onnatuurlijk, ‘bekakt’ Nederlands bedoeld. Hooghaarlemmerdijks wordt vooral gebruikt in Friesland en Groningen, maar niet in Amsterdam, hoewel het daar vandaan komt. Het woord verwijst namelijk naar de Amsterdamse Haarlemmerdijk en de taal die daar werd gesproken.

    In het verleden werden er volgens taalkundigen verschillende dialecten of ‘tongvallen’ gesproken in de Amsterdamse wijken. Een daarvan was het zogenaamde Haarlemmerdijks, dat te horen was in de omgeving van de Haarlemmerdijk en de Haarlemmerpoort (officieel de Willemspoort). Omstreeks 1775 gold de uitspraak/ee/ voor de lange a als kenmerkend voor het Haarlemmerdijks: de Haarlemmerdijkers zeiden street in plaats van straat, wat leidde tot spotzinnetjes voor het Haarlemmerdijks als: ien neelde met ien bleeuwen dreed, en slee de heek in de peel en heel nee je.In het Kattenburgs - een ander Amsterdams dialect – zou dit zijn uitgesproken als: een naald met een blauwe draad en sla een haak in de paal en haal naaje [naar je]. Een andere typerende uitspraak voor het Haarlemmerdijks was Men moet de Maiden meiden ‘men moet de meiden mijden’.

    Typisch Amsterdams

    De taalkundige Johan Winkler onderscheidde in 1874 maar liefst negentien verschillende Amsterdamse dialecten. Onder die dialecten noemde hij ook het Haarlemmerdijks. Als kenmerkend voor dit dialect vermeldde hij de uitspraak van de lange a, die lang werd aangehouden en neigde naar oa: zo klonk maan volgens Winkler als moa-an.“Deze uitspraak wint, zonderling genoeg, hoe langer hoe meer veld in dit gedeelte van Amsterdam”, aldus Winkler. Daarin heeft hij gelijk gekregen, want de uitspraak oa geldt momenteel als typisch voor het Amsterdams. Opvallend is dat deze klank kennelijk jong was, want in de 18e eeuw kwam hij in het Haarlemmerdijks nog niet voor.

    Een ander kenmerk van het Haarlemmerdijks was volgens Winkler “de sterk rochelende (haarlemsche) uitspraak der g”. Andere taalkundigen wezen nog op de uitspraak oi in plaats van ui: loizig, doizend, sloier, oit voor luizig, duizend, sluier, uit. Kattenburgers zeiden daarentegen leuizig of deuizend. Echte Kattenburgers lieten er zich in die tijd op voorstaan dat ze nooit aan het Aêr-end, het ‘andere eind’ ofwel de Haarlemmerpoort, waren geweest...

    Het Haarlemmerdijks was dus, zo blijkt uit de voorbeelden, volkstaal of plat-Amsterdams. Mensen die sociaal hogerop wilden, zwoeren de Haarlemmerdijkse tongval af, en stapten over op wat door mensen buiten Amsterdam spottend Hooghaarlemmerdijks werd genoemd. Zo schreef Het volk: dagblad voor de arbeiderspartij over het eerste optreden in de Kamer van minister van Marine J. Wentholt (geboren in Overijssel) op 11-12-1907:

    “Tot elks verbazing heeft bovendien deze Excellentie een accent in zijn stem, dat Nolting met sympathie deed vragen: Waar, voor den drommel, heeft die vent zijn Hoog-Haarlemmerdijksch vandaan?”

    Met Nolting wordt Piet Nolting bedoeld, een Amsterdamse biljartmakersgezel die in 1897 als een van de eerste arbeiders voor de Radicale Bond toetrad tot de Tweede Kamer en die zijn redevoeringen met een onvervalst Amsterdams accent uitsprak - en dus niet in Hooghaarlemmerdijks.

    Bierkaais

    Een ander berucht Amsterdams dialect was het zogenaamde Bierkaais, gesproken rond de Bierkaai, een deel van de Oudezijds Voorburgwal, gelegen bij de Oude Kerk in Amsterdam. Johan Winkler schreef hierover: “De Bierkaai heeft nog een zeer oorspronkelijke bevolking; nog kan men er op de Bierkaai vinden, die roemen dat ze van ouder tot ouder Bierkaaiers zijn, en dat hun voorouders nooit ergens anders gewoond hebben. [...] Hun tongval is zeer klankrijk, maar ik zie geen kans hem met letters af te beelden; men moet hem uit den mond der Bierkaaiers hooren.” Een andere taalkundige durft het wel aan enkele speciale klanken te vermelden: hij noemt als typisch Bierkaais boiten voor ‘buiten’, ik bin voor ‘ik ben’, en een o-achtige a in haor ‘haar’.

    Het Bierkaais behoort inmiddels tot het verleden, maar de Bierkaai is bewaard gebleven in het spreekwoord tegen de bierkaai vechten. Aan de Bierkaai werden vaten met bier aangevoerd en door sjouwers geladen en gelost. Die sjouwers waren sterk en hadden een kort lontje; ze golden dan ook als beruchte vechtersbazen. Vandaar dat de uitdrukking tegen de bierkaai vechten voor ‘een bij voorbaat verloren strijd strijden’ begin 19e eeuw zijn intrede deed.

    Hoe goed is jouw Amsterdams?

    Tussen de Amsterdamse wijken bestaan tegenwoordig geen uitspraakverschillen meer. Wel wordt het Amsterdamse dialect gekenmerkt door typisch Amsterdamse woorden. Althans: dat wordt beweerd. Klopt dat wel, of zijn Amsterdamse woorden tegenwoordig ook ver buiten Amsterdam bekend? Om dat na te gaan hebben we in samenwerking met het tijdschrift Quest de test ‘Hoe goed is jouw Amsterdams?’ ontwikkeld. In een van de vragen komt ook de Haarlemmerdijk aan de orde: weet u wat de uitdrukking Haarlemmerdijkies maken betekent? Als u het antwoord wilt weten, doe dan even mee aan de test. Die is hier te vinden: https://www.quest.nl/test/hoeveel-amsterdams-ken-jij

    Meer informatie

    Quiz: hoe goed is jouw Amsterdams?

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (november 2018) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Welke dooddoeners gebruikt men in Nederland?

    Bert Staal uit Eindhoven benaderde het Meertens Instituut met een Gronings woord dat hij zich van zijn ouders herinnerde: “Wipketeern”. Of dat woord bij ons bekend was. Het begrip werd door de ouders gebruikt als een dooddoener. Als de kinderen vroegen “Waar gaan jullie naar toe?” en de ouders hadden even geen zin in een serieus antwoord, dan zeiden ze "Wie goan noar Wipketeern" – een gefingeerde plaatsnaam die eigenlijk ‘nergens’ (of: ‘dat gaat je niks aan’) betekende. In het Fries kon er wel met “Koetsjefinne” geantwoord worden. Als het kind vroeg "Wèr gjinne heit en mem hinne?” dan kon het antwoord zijn: "nei Koetsjefinne".

    Door Theo Meder

    Belangstelling naar de ‘dooddoeners’ was hiermee weer gewekt. Ze lijken in het verleden vooral gebruikt te zijn als cliché-antwoorden om (als irritant ervaren) vragen van kinderen af te wimpelen. Zouden mensen zich die dooddoeners nog kunnen herinneren? Zouden ze ze zelf ook nog gebruiken? Herkennen jongeren de dooddoeners en zijn er wellicht nieuwe bijgekomen? Of stammen dooddoeners vooral uit de tijd dat kinderen nog weinig hadden in te brengen? De verhoudingen tussen ouders en kinderen zijn immers aan verandering onderhevig geweest. Er is in het verleden ook al onderzoek gedaan naar dooddoeners door Inez van Eijk en Ewoud Sanders. Meer recent deed Jaap Toorenaar onderzoek naar clichétaal (‘ouderwijsheden’) en stuitte wederom op dooddoeners.

    We stelden op Facebook de vraag wie de dooddoeners nog kenden en hoe ze luiden. Als heel bekende voorbeelden gaven we “Wat eten we vanavond?” met als dooddoener “Hussen met je neus ertussen” , en “Hoe laat is het?” “Kwart over de rand van de pispot”. De oproep op Facebook leverde aardig wat reacties op. De meeste volwassenen leken ze te herinneren uit hun jeugd, maar sommige respondenten waren nog zo jong, dat ze de dooddoeners toch vrij recent nog gehoord moeten hebben.

    Hussen met je neus ertussen

    De dooddoeners zijn in enkele categorieën onder te brengen (en enkele vondsten van Inez van Eijk, Ewoud Sanders en Jaap Toorenaar zijn hier in de beschouwing meegenomen). Het begint vrijwel steeds met vragen of opmerkingen van kinderen, en de meeste reacties kwamen binnen op de vraag “Wat eten we?” Bedenk dat bij het eerlijke antwoord (“bloemkool”) er vaak gemekkerd zou worden: “Dat lust ik niet” of “Getver!”
    Het vaakst werd “Husse(n) met je neus ertussen” ingezonden, gevolgd door “mondsteeksels” en “Erpels met erpels en erpels toe” (aardappels).

    Ook varianten op “Wat de pot schaft” bleken populair. In het Limburgs kon het antwoord “Kruddelevutjes” luiden. In de categorie viezigheid en griezelvoer werden onder andere ingezonden: “Sla met slakken en gedversnebbersaus”, “Stront met striempies”, “Gestampt glas met dooie vingers”, “Gemalen spijkertjes met poppenstront” en “Zand, zeep en soda”. Dooddoeners werden ook gebruikt bij lamlendigheid of een gebrek aan concentratie aan tafel, en tevens werd gememoreerd dat er in de gevangenis wel heel akelig voedsel op het menu stond: “Zeep met spelden” en “Boterhammen met spinnenkoppen”. Als kinderen aangaven dat ze dorst of honger hadden, dan stonden de volgende cliché-antwoorden ter beschikking: “Dan ga je naar Hansje Worst, die heeft een hondje, die piest zo in je mondje” en “Je hebt trek: de kindertjes in Afrika hebben honger”.

    Wat? Of je worst lust!

    Na dooddoeners rond de maaltijd komt de categorie met corrigerende clichés als kinderen respectloos reageren met “He?”, “Wat?” en “Watte?” in plaats van “Wat zegt u?” De Rotterdamse reacties spanden de kroon: “Kejjenietzegge wat mot je?” en “Wat zeggie? Azzie val dan leggie!” In Limburg kunnen de reacties luiden: “Watte? Koeieflatte met handvatte (en nog watte)” en “Watte? Eendegatte die in't water spatte”. Soms komt er een heel rijmpje als antwoord:

    Wat?
    Steek je vinger in je gat.
    Moet je naar Deuteren
    Om 'm eruit te laten peuteren,
    Moet je naar Vlijmen
    Om 'm eraan te laten lijmen
    En dan moet je naar Den Bosch
    En daar laten ze je weer los.

    Wat dat betreft kunnen de Friezen er ook wat van:

    Wotte?
    De kot skyt op de motte.
    De hûn skyt er by,
    Lekkere brei foar dy!

    Niet ongebruikelijke standaardreacties waren ook: “Wat? Klap voor je gat, dan hebbie wat!” en "Hè? Bokkiebèh!" De dooddoener die het vaakst werd ingezonden, blijkt van recente makelij: “Wat? Of je worst lust”. Deze reactie moet populair zijn geworden dankzij een televisiereclame voor hoortoestellen.

    Waarom? Daarom!

    De vaak gestelde kindervraag “Hoe laat is het?” werkte ouders kennelijk ook regelmatig op de zenuwen, gezien de volgende dooddoeners: “Net zo laat als gisteren om deze tijd” en “Kwart over dunne schijt. Als je vlug bent kun je nog meeflodderen”. In Limburg refereert men wel aan het polshorloge met de opmerking “Vel over knook” en in Kerkrade is het zelfs “Viedel op naksje erm” (kwart over naakte arm). In Brabant kan geanwoord worden met een versje:

    't Is kwart over een bult,
    't Is pas gespeuld,
    Bij Pietje de Laat
    In de Achterstraat.

    Zojuist bleek al dat op de vraag “Waar gaan we naar toe?” door de Groningers “Wipketeern” kon worden geantwoord, en door de Friezen “Kûtsjefinne” of een heel rijmpje:

    WÄ—r gjin we hinne?
    Nei Fûtsjefinne.
    Pak de baarch by syn sturt
    En lit him rinne!

    Maar de reis kon ook naar “Bobbels Konte” gaan, of zelfs naar “Bobbeltjeskonten, drie uur boven de hel”.

    Ouders proberen hun autoriteit te laten gelden als ze de “Waarom?”-vragen van kinderen beu worden, of als ze zelf ook geen goed antwoord weten. Dan wordt het: “Waarom? Daarom!” eventueel aangevuld met “Omdat ik het zeg”. Het is echter goed mogelijk dat de kinderen dan weer antwoorden: “Daarom is geen reden. Als je van de trap af valt, ben je gauw beneden.”

    Kan niet ligt op het kerkhof

    Dan is er de categorie waarin kinderen iets (liever) willen, of juist ergens geen zin in hebben of beweren iets niet te kunnen. Ouders laten dan hun gezag gelden met antwoorden als: “Jij hebt niks te willen”, “Je wil staat achter de deur”, “Lieverkoekjes worden niet gebakken” en “Kan ik niet ligt op het kerkhof. En wil ik niet ligt ernaast”. Maar de meeste inzendingen kreeg toch de overbekende dooddoener: “Heb je geen zin? Dan máák je maar zin!”

    Kinderreacties die beginnen met “Als...” of “as...” en die als tegenstribbelend of irrelevant worden ervaren, kunnen rekenen op soms ietwat belegen antwoorden als “As is verbrande turf”, “Als morgen de hemel naar beneden valt, hebben we allemaal een blauwe hoed” en het meer scabreuze “Als mijn tante klootjes had gehad, dan was het mijn oom geweest”.
    Maar soms hoeven kinderen niet eens iets te zeggen of te vragen om een dooddoener in ontvangst te kunnen nemen. Bijvoorbeeld als ze de deur lieten open staan: “Ben je in de kerk geboren soms?”, “We stoken hier niet voor de KLM” en “We doen hier niet aan heelalverwarming”.

    Hotel Mama

    Veel van de dooddoeners doen inmiddels tamelijk ouderwets aan. Welk kind zou nu nog weten wat turf is? Afgezien van de buitendeur, is in centraal verwarmde huizen het laten openstaan van een deur geen ramp meer. Veel ouders lusten vandaag de dag ook liever macaroni of pizza dan bloemkool of spruitjes. In menig opzicht lijken de verhoudingen tussen ouders en (hun gewenste) kinderen veel meer ontspannen te zijn geworden. Onderhandelen heeft het in de opvoeding in veel gevallen gewonnen van gebieden. Naast “Of je worst lust” is er juist om die reden misschien nog maar één echte moderne dooddoener aangetroffen: “Het is hier geen hotel!” En dat wordt waarschijnlijk het vaakst gezegd tegen pubers die zich de huidige voordelen van Hotel Mama vol overgave laten welgevallen.

     

    Meer lezen?

    Inez van Eijk, Dooddoeners, afhouders, dijenkletsers en andere uitdrukkingen.

    Jaap Toorenaar, Wijsheden van ouders en grootouders. Onze Taal 2014.

    Ewoud Sanders, Husse met je neus ertussen. NRC 1999.

    Zie ook dit blog met meer resultaten van deze kleine enquête.

     

  • Hoe moet de bijnaam Neukwaterwaard begrepen worden?

    Erik Werps schrijft het Meertens Instituut een brief over een schikking uit 1614 tussen Cornelis Gerrits Schoemaecker en Cornelis Corstiaenstz. De eerste Cornelis heeft een stevige schuld uitstaan bij de tweede Cornelis, en de schout van Wijk aan Zee en Duin, Maerten Eevertsz, komt met een soort schuldsanering waarbij de eerste Cornelis jaarlijks een bedrag moet terugbetalen (Oud-Rechterlijk Archief van Wijk aan Zee en Duin, inventarisnummer 1323, p. 51). Van de schuldeiser wordt ook zijn bijnaam genoemd: “Cornelis Corstiaenstz alias Nueck water waert”. Hoe moet die bijnaam nu begrepen worden?

    door Theo Meder

    Volgens de akte was Cornelis Corstiaenstz eigenaar van een herberg in Beverwijk. Stond die herberg in de buurt van het water? Sloeg daar die bijnaam op? Nee, de oplossing van de bijnaam is veel platter en vulgairder: Cornelis wordt wel de “neukwaterwaard” genoemd. Als herbergier stond Cornelis bekend als de kastelein of de waard van het neukwater - de schenker van alcohol met andere woorden. Alhoewel de woordenboeken erover zwijgen in alle toonaarden, zijn er enkele 17e-eeuwse teksten te vinden die duidelijk maken dat neukwater hoogstwaarschijnlijk een uiterst platte, volkse benaming is voor jenever. Zo vinden we in de klucht De bedroge girigheyd of Boertige comoedie van Hopman Ulrich van J. van Paffenrode uit 1661 het “neukwater” terug in een opsomming van alcoholica die genuttigd wordt tijdens een slemppartij.

    Tot de andere alcoholica behoorde onder andere het “hembdeken raap op” – waar de kleertjes kennelijk van uitgaan. Het zijn deels incrowd-woorden zoals wij die nu nog kennen van bijvoorbeeld de “kopstoot” (bier met jenever). Het “neukwater” komt ook voor in De Hoogduytsche quacksalver van G.A. Bredero uit 1619. De oude heer Drooge Lammert (nomen est omen) trouwt met een jonge bruid en zou haar graag seksueel van dienst zijn, maar het lukt niet meer. De Duitse kwakzalver geeft hem een briefje met een recept hiervoor en één van de ingrediënten is “neuck-wasser”.

    Het mag inmiddels duidelijk zijn waarom sterke drank wel neukwater werd genoemd: de drank maakt de zeden losser en jaagt de lust aan. Er werd in een recenter verleden ook wel gedacht dat eieren libidoverhogend zouden werken en ze heetten daarom in de volksmond (onder soldaten) wel “neukpatronen”. Onder de Britten is het woord “beergoggles” gangbaar: hoe meer bier er gedronken wordt, hoe rooskleuriger men de wereld door de bierbril ziet, en hoe aantrekkelijker de vrouwen worden. In internet-memen wordt bier nog altijd aangeprezen als manier om de schroom te overwinnen en de liefde te bedrijven.

  • Hoe zag het P.J. Meertens Instituut aan de Keizersgracht er uit?

    In Duitsland verscheen onlangs het zevende en laatste deel van Das Büro, de Duitse vertaling van J.J. Voskuils Het Bureau. Het P.J. Meertens-Instituut, de voorloper van het huidige Meertens Instituut, heeft model gestaan voor het A.P. Beerta-Instituut in de romancyclus. Het laatste deel van Het Bureau verscheen in Nederland in 2000.

    Vanwege het verschijnen van het laatste deel van de romancyclus benaderden Duitse media ons met de vraag of wij foto's hebben van het P.J. Meertens-Instituut. Het instituut was tot 1998 gevestigd in een voormalig verzekeringsbankgebouw aan de Keizersgracht nr. 569-571 te Amsterdam. Dat was een statig grachtenpand met kluizen in de kelder en een marmeren ontvangsthal met loketten, waarvan er één lange tijd dienst deed als koffieloket. Twee grote trappenhuizen deelden het pand met zijn vier etages in een voor- en een achtergedeelte. Tot in detail - de trappen, de lichtschacht, de gangetjes en de kamers - is dit gebouw door Voskuil beschreven.

    • De virtuele rondleiding die u op hier kunt volgen, leidt u langs een aantal van deze karakteristieke ruimtes.
    • Enkele weken geleden verscheen er een Duitse podcast over het Meertens Instituut in de tijd van Voskuil.


    Foto: Cor Mooij

  • Over welke audiocollecties beschikt het Meertens Instituut?

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen.

    Het Meertens Instituut beschikt over duizenden uren geluidsmateriaal. Een overzicht van alle collecties is hier te vinden. Het is te veel om ze hier allemaal te beschrijven, daarom geef ik hier een aantal hoogtepunten.

    Dialectatlassen

    Een belangrijke collectie voor het Meertens Instituut is de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND). In totaal werden 16 verschillende delen gepubliceerd tussen 1925 en 1982. Voor deze atlassen werd in ruim 1900 plaatsen in Nederland en Vlaanderen veldwerk gedaan. Per plaats werden twee tot vijf informanten benaderd die 142 zinnen dienden te vertalen. In principe werden de interviews niet opgenomen: de onderzoeker transcribeerde de zinnen ter plekke in fonetisch schrift.  

    Toch zijn er opnames gemaakt door een medewerker van het Meertens Instituut. Dat was Willem Rensink, die onder Jo Daan (die deel 13 over het Noord-Hollands coördineerde) door het land trok om dialectopnames te maken. Rensink liet de mensen die hij bezocht meteen de zinnen van de RND opzeggen. In totaal gaat het om 14 banden met meer dan 30 sprekers. De informanten komen onder andere uit Hulst, IJhorst en Dalfsen. De kaarten van de RND zijn ook beschikbaar via de kaartenbank van het Meertens Instituut. Overigens zijn de meeste dialectopnames terug te vinden in de collectie Vrije gesprekken, ook te beluisteren via de Dialectenbank.

    Jo Daan

    Een andere collectie uit dezelfde tijd als de opnames van de RND, is die van Jo Daan in Amerika. Jo Daan (1910-2006) was van 1939 tot 1975 werkzaam als medewerker en hoofd van de afdeling Dialectologie van het Meertens Instituut. In 1966 deed zij onderzoek in de Verenigde Staten naar de taal van nakomelingen van Nederlandse emigranten. Van dit onderzoek zijn 112 audiobanden beschikbaar met een speelduur van 77 uur.

    Tussen 1989 en 1995 werden nog meer opnames gemaakt van het Amerikaans Nederlands. Dit was onderzoek van Jaap van Marle, destijds directeur van het Meertens Instituut, en Caroline Smits, promovenda aan de UvA. Hun onderzoek was een aanvulling op het onderzoek van Jo Daan in de jaren ’60. De opnames zijn net als die van Jo Daan beschikbaar via de Nederlandse Dialectenbank en via CLARIN.

    Ate Doornbosch

    Ate Doornbosch (1926-2010) was maker van het bekende radioprogramma Onder de groene linde, waarin opnames van oude liederen werden gedraaid. Het programma ging in 1957 van start bij de VARA. Doornbosch wilde een serie van tien programma’s maken, maar de omroep schatte in dat dat te veel zou zijn. Het tweewekelijkse programma werd echter een enorm succes: het trok zo’n 350.000 luisteraars per keer. Uiteindelijk werden het ongeveer 1370 uitzendingen. Veel luisteraars stuurden oude liedschriftjes in die werden gearchiveerd bij het Radio Volkskundig Bureau, dat fungeerde als secretariaat van Doornbosch. Dit archief is later overgedragen aan het Meertens Instituut.

    Vanaf 1976 werd het programma zelfs wekelijks uitgezonden. Ook leverde het programma Doornbosch een wetenschappelijk dienstverband op aan het Meertens Instituut. In 1994 werd het programma beëindigd. Het is daarmee een van de langst lopende radioprogramma’s geweest in de Nederlandse omroepgeschiedenis. De radio-opnames zijn in 2008 vastgelegd in een cd-dvd-box Onder de groene linde. 163 liederen uit de mondelinge overlevering. Ook zijn ze terug te luisteren in de Nederlandse liederenbank.

    Lombok en Transvaal

    Er zijn weinig collecties waarin de samenwerking tussen taalkundigen en etnologen zo goed zichtbaar is als in het project TCULT. Dit acroniem staat voor Talen en Culturen in de Utrechtse wijken Lombok en Transvaal, een door NWO gefinancierd project dat plaatsvond tussen 1998-2002. Het betrof een samenwerking tussen het Meertens Instituut en de universiteiten van Leiden, Amsterdam (UvA), Utrecht en Tilburg. De audiocollectie bestaat uit 162 geluidsbanden.

    Voor TCULT werd volop veldwerk verricht door tien onderzoekers van het Meertens Instituut. Zo werd de taal vastgelegd van diverse groepen sprekers, waaronder Marokkaanse, Turkse en Surinaamse Nederlanders. Maar ook werden verhalen (waaronder moppen) en liedjes uit verschillende culturen opgenomen.

    Bijzonder is ook de collectie Brieven aan de toekomst. In 1998 deed het Meertens Instituut samen met het Nederlands Centrum van Volkscultuur en het Nederlands Openluchtmuseum een oproep aan alle Nederlanders. Hun werd gevraagd een dag uit hun leven te beschrijven, namelijk 15 mei 1998. Meer dan 50.000 Nederlanders uit binnen- en buitenland reageerden hierop. Een deel van de brieven is voorgelezen en vastgelegd in audio-opnames.

    Bronnen:

  • Naar aanleiding van de discussies over het vernoemen van straten naar historische figuren zoals JP Coen vroeg ik me af: Vanaf wanneer worden in Nederland straten vernoemd naar individuen? P. de Leeuw, Leiden.

    De vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen.

    Hoewel er veel publicaties zijn waarin de straatnamen van een bepaalde woonplaats worden verklaard, zijn er weinig boeken die ingaan op de algemene geschiedenis van straatnamen. Maar toevallig is eind vorig jaar wel een heel prettig leesbaar boek verschenen van René Dings: Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Ik heb zijn boek geraadpleegd voor het beantwoorden van deze vraag, en raad het iedereen aan die nog meer interessante feitjes wil lezen over straatnaamgeving.

    Dagelijks gebruik

    Nu vinden we het misschien heel vanzelfsprekend dat we in de Sint Annalaan of de Kerkstraat wonen, maar dat is niet altijd zo geweest. In de middeleeuwen werden nog vooral punten van herkenning gebruikt, om aan te duiden over welke straat men het had: achter de kerk, of bij de markt. Aan het eind van de middeleeuwen kwamen er steeds meer samenstellingen om straatnamen te benoemen, maar die lagen niet vast. Wat voor de een de Dwarssteeg was, kon voor een ander net zo goed de Kerksteeg zijn.

    Hoewel de naamgeving in die tijd vaak gebeurde op basis van herkenningspunten, vond vernoeming van personen ook al plaats. Daarvoor hoefde je geen bijzondere daden te hebben verricht: als je op de hoek van de straat woonde kon de straat zomaar naar je worden vernoemd. Maar de namen ontstonden in die tijd dus gewoon in het dagelijks gebruik; het was niet een hogere instantie die die namen bepaalde.

    Eerste straatnaamborden

    Vanaf de zestiende eeuw zijn er steeds meer voorbeelden van straatnamen te vinden die van hogerhand werden bedacht. In Amsterdam werd bijvoorbeeld een wijk aangelegd met straten die eenzelfde thema hadden: naast de Jonkerstraat en de Ridderstraat, had je ook de Koningsstraat en de Keizerstraat. Maar pas in de eeuwen hierna krijgen straatnamen een echt officiële status. Dat had te maken met een aantal ontwikkelingen.

    Toen in 1795 en 1796 de eerste landelijke volkstelling werd gehouden, begon men uit praktische overwegingen in Amsterdam met het ophangen van straatnaamborden en het nummeren van huizen. Amsterdam was daarmee de koploper in Nederland. Veel andere gemeenten kregen pas straatnaamborden in de negentiende eeuw, toen steeds meer wegen werden verhard.

    Franse invloed

    Met de invoering van de Gemeentewet in 1851 werd de rol van de gemeenteraden vastgelegd, en een van de taken was het vaststellen van de straatnamen. Maar in die allereerste periode hadden vooral aannemers nog veel in de melk te brokkelen. Zij vernoemden bijvoorbeeld graag hun kinderen. De Piet Heinstraat in Utrecht verwijst dan ook niet naar de zeeheld, maar naar de zoons van een lokale aannemer: Piet en Hein.

    Het vernoemen om personen te eren werd pas in de negentiende eeuw gebruikelijk. Volgens Dings speelt Franse invloed mogelijk een rol: vanaf de Franse tijd komt het namelijk veel vaker voor. Inmiddels hebben veel gemeentes een speciale straatnamencommissie, die het college van B & W adviseert. Elke gemeente heeft eigen richtlijnen waar straatnamen aan moeten voldoen, maar op veel punten komen die overeen. Zo mogen alleen personen worden vernoemd die niet meer in leven zijn, onomstreden zijn en een goede reputatie hebben.

    Bron:

    René Dings, Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Nijgh & Van Ditmar 2017. 

  • Weet u waar de woorden pa- en ma-lappen vandaan komen? Het schijnen een soort sukadelapjes te zijn volgens het Amsterdamse slagersjargon. Maar waar komen die woorden vandaan? 

    Met vriendelijke groet, Thera van der Ven

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen

    Geen van onze (Amsterdamse) onderzoekers was bekend met deze woorden, maar op internet zijn er inderdaad bronnen te vinden die verwijzen naar het Amsterdamse slagersjargon. Zoals in een artikel op de website van Acht Uitzendbureau:

    “In het slagersjargon kennen we veel streekbenamingen. Zo zijn er in Amsterdam Ma-lappen en Pa-lappen, spreken we in Rotterdam van Harstkarbonaden en verder wordt er gesproken over Dominostukken, Boomerangs en Ezeltjes. Twee Nederlandse slagers begrijpen elkaar soms niet ondanks dezelfde taal.”

    Ook op een internetforum over koken wordt gezegd dat ‘palappen’ Amsterdams is voor draadjesvlees. Bovendien komen we het woord in deze betekenis tegen op de website Geheugen van Oost, een platform waarop mensen verhalen delen over Amsterdam-Oost. Het verhaal van Cor Lütter speelt in de periode 1935-1939:

    "Ook op de Zeeburgerdijk, tegenover het abattoir, was de veemarkt met in het midden een café-koffiehuis waar de veehandelaren zaken deden, wat beklonken werd met een borrel. Daar zochten de slagers zelf hun vee uit, wat dan via het abattoir en de vleesrijders weer in de slagerij terechtkwam. Dat ging niet zoals nu via de grossiers in kleine stukken, maar halve koeien en varkens tegelijk die daarna in de winkel werden uitgebeend. Alles van het beest werd zoveel als mogelijk verkocht, een kilo pa-lappen met een halfpond niervet."

    Pannenkoek en pannenlap

    Hoewel we dus verschillende vermeldingen van het woord ‘pa-lap’ of 'palap' vinden in de betekenis ‘draadjesvlees’, heb ik geen verklaring voor dit woord kunnen vinden. Een collega wees me op een andere betekenis van ‘palap’: het is namelijk ook een dialectwoord voor ‘pannenkoek’. Wellicht kan de etymologie van dit woord ons verder helpen.

    In het dialect van Okegem (Oost-Vlaanderen) komt het woord ‘palak’ voor, wat volgens kenners van dat dialect voortkomt uit ‘pallap’, wat op zijn beurt een assimilatie is van ‘panlap’. Net zoals we vaak 'zaddoek' zeggen voor 'zakdoek'. Een ‘panlap’ is een pannen- of ovenkoek. In de Verhalenbank komen we ‘palap’ ook tegen in de betekenis van pannenkoek. Het gaat om een verhaal opgetekend in het Vlaamse Ninove.

    Wellicht dat de herkomst van dit Vlaamse dialectwoord, namelijk uit ‘panlap’ (pannenlap), ook opgaat voor het Amsterdamse palap. Een stooflapje of sukadelapje is immers een lap vlees die je lang laat sudderen in een (stoof)pan. Het woord ‘palap’ kan door volksetymologie de betekenis ‘stukje vlees voor vader’ hebben gekregen; en de daaruit voortgekomen betekenis van ‘malap’ laat zich dan makkelijk raden.Toch is dit nog erg speculatief, en zijn er misschien lezers die een betere suggestie hebben? Wij horen het graag!

    foto: Flickr,com, Andrzej MadPole Szymanski via CC BY-NC-ND 2.0

    Bronnen:

    http://www.acht-uitzendburo.nl/index.php/98-is-het-een-nekkie-of-een-schoffie

    https://geheugenvanoost.amsterdam/page/10296/spelen-tussen-de-bedrijven

    http://www.rausa.be/userfiles/rausa%204%202014%20.pdf

  • In de laat middeleeuwse geschriften, protocollen worden veel afkortingen van woorden gebruikt. Hebben deze afkortingen van woorden in Nederland dezelfde betekenis?

    Vriendelijke groet, H.J.Vesters  

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen

    De vorige directeur van het Meertens Instituut, Hans Bennis, schreef in 2015 een boek over het Korterlands. Hij verwees met die term naar het Nederlands van tegenwoordig, waarin veel verkorte taalvarianten worden gebruikt. Met name op berichtendiensten als Whatsapp, waarin mensen snel op elkaar reageren, komen afkortingen veelvuldig voor. Toch zijn verkorte taalvarianten niet nieuw. In zijn boek laat Bennis onder andere zien dat afkortingen van alle tijden zijn. En dat ze bepaalde wetmatigheden volgen.

    Invloed Latijn

    In middeleeuwse handschriften komen bijvoorbeeld ontzettend vaak afkortingen voor. In plaats van afkortingen gebruikt men ook wel de Latijnse term 'abbreviaturen'. Voor een deel gaan die terug op het Grieks en het Latijn. Invloeden uit het Latijn in het Middelnederlands zijn er volop, omdat het Latijn in die tijd veel gebruikt werd als schrijftaal. En in het Latijn werden duizenden afkortingen gebruikt, die allemaal terug te vinden waren in het afkortingenboek van Cappelli.

    Met de hand

    Dat men in de middeleeuwen zo veel afkortingen gebruikte in de geschreven taal had een goede reden. Omdat er nog geen drukpersen waren, moest alles met de hand worden opgeschreven. Om boekwerken te kunnen verspreiden, schreven monniken hele teksten met de hand over. Daarin mochten ze zich wel zekere vrijheden permitteren, niet alleen in de spelling maar ook in het gebruik van afkortingen. Door die vrijheid van de schrijver heb je voor het ontcijferen van een afkorting in een middeleeuws handschrift wél de context nodig. Afkortingen zijn dus niet altijd hetzelfde, maar toch lopen ze ook niet heel erg uiteen.

    Regels

    Er zijn namelijk wel regels te ontdekken in de manier waarop schrijvers in de middeleeuwen afkortingen maakten. Zo is er meestal sprake van suspensie of contractie. In het geval van suspensie zijn er aan het eind van het woord een of meer letters weggelaten. Bij contractie zijn de eerste en laatste letter blijven staan en ontbreken letters daartussenin. Beide principes kom je ook tegen in hedendaagse vormen van afkortingen.

    Herkenning

    Uit het Latijn werden ook bepaalde afkortingsconventies overgenomen. Zo bestond daar de gewoonte om de laatste letter van de afkorting te verdubbelen in het geval van meervoud. Daarom staat ms voor manuscript en mss voor manuscripten, net zoals pp het meervoudige pagina’s betekent, en blzz bladzijden. Vaak werden afkortingen in Middelnederlandse teksten ook voorzien van een speciaal teken: dan stond er boven de letters bijvoorbeeld een horizontaal streepje of een apostrof. Daaraan kon je de afkorting herkennen.

    Bron: Hans Bennis 2015, Korterlands. Anarchie in de schrijftaal. Prometheus, Bert Bakker, Amsterdam.

    Lees ook: Het korterlands is van alle tijden (Meertens Nieuwsbrief 2015)
    _______________________________________

     

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2018) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.