Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  • Hoe een computer broodjeaapverhalen leert categoriseren

    Door Myrthe Reuver

    Een onderzoeksproject naar het automatisch met de computer indelen van broodjeaapverhalen, hoe gaat dat eigenlijk? Voor mijn onderzoeksstage met de Volksverhalenbank van het Meertens Instituut heb ik geprobeerd de computer te leren broodjeaapverhalen in verschillende typen in te delen.

    Broodjeaapverhalen zijn de oorspronkelijke ‘virale verhalen’. Spannende, vaak enge of afschrikwekkende verhalen die zich verspreiden van mond tot mond - of van emailbox tot emailbox. Het Meertens Instituut heeft ongeveer 3.000 van dit soort verhalen in de Volksverhalenbank. Een goed voorbeeld is “de babysitter en de man boven”, een verhaal waar een babysitter tv kijkt in het huis van een familie bij wie ze oppast. In verschillende versies van het verhaal worden de kinderen op de bovenverdieping vermoord, of de oppas zelf.

    De setting van deze verhalen is altijd modern, en dichtbij: het zou kunnen gebeuren met jou, je zus, of je neef. Ze worden vaak jarenlang doorverteld. Broodjeaapverhalen hoeven niet geheel onwaar te zijn: de details zijn soms geheel of gedeeltelijk echt gebeurd. Emoties voeren vaak de boventoon. Volgens sommige theorieën helpen broodjeaapverhalen mensen om te gaan met veranderingen in de samenleving, zoals nieuwkomers en technische ontwikkelingen.

    Verhaaltypen

    Jan Harold Brunvand, een Amerikaanse folklorist, merkte op dat broodjeaapverhalen ook nog andere dingen gemeen hebben. Naast de bovenstaande gemeenschappelijke kenmerken zijn er ook gemeenschappelijke verhaaltypen. Hij bestudeerde duizenden verhalen, en vond dat zij samenvielen in 10 hoofdtypen (bijvoorbeeld “CAR”, verhalen over auto’s, of “ANIMAL”, verhalen over dieren), met in elk hoofdtype ook een handvol subtypes (“CAR HORROR”), waar vervolgens ook weer specifieke plots in zitten (“De afgerukte hand in de auto”).

    Alle verhalen in de Verhalenbank hebben een BRUNVAND-indexnummer. Deze zijn aan de verhaaltypen gekoppeld door het Meertens Instituut. Het is namelijk handig en interessant om te weten welke verschillende verhalen tot hetzelfde type behoren. Zo’n indeling kan ook helpen met het vergelijken van verhalen. Het is dus een hulpmiddel om broodjeaapverhalen te analyseren en te onderzoeken.

    Als er nu een nieuw verhaal binnenkomt op het Meertens Instituut, moet iemand analyseren tot welk specifiek Brunvand-indexnummer het verhaal behoort. Mensen lezen een verhaal dan uitgebreid door, en gebruiken hun ervaring met eerdere verhalen om te kijken welk verhaaltype er het dichtst bij ligt. Een computermodel kan echter ook verhaaltypen leren indelen, maar doet dit anders. Zo’n computermodel leest het verhaal niet als geheel, maar telt allereerst de woorden en hoe vaak bepaalde woorden in verhalen voorkomen. Het is dus een heel andere manier van “lezen”.

    Het algoritme trainen

    Een machine learning-algoritme krijgt een heleboel voorbeelden van verhalen die ingedeeld zijn in een bepaald verhaaltype. Het algoritme plaatst al deze voorbeelden in een multidimensionale ruimte waaruit duidelijk wordt welke verhalen op elkaar lijken en welke niet. Daarna is er een soort plattegrond van broodjeaapverhalen: de teksten met bepaalde waarden horen bij bepaalde verhaaltypen. Het model ontdekt vervolgens grenzen: waar in deze multidimensionale verhalen zitten “HORROR” verhalen? En waar zitten “ANIMAL” verhalen?

    Met dit getrainde model kunnen we vervolgens nieuwe broodjeaapverhalen classificeren. We geven het model een totaal nieuw broodjeaapverhaal, en geven het model de opdracht om het juiste verhaaltype erbij te vinden. Vervolgens kan het model dat razendsnel, en soms beter dan mensen, door het verhaal in die multidimensionale ruimte te plaatsen en te kijken of het dichtbij “HORROR” verhalen ligt, of juist dicht bij “CAR” verhalen.

    Ruis in de data

    De aanname van het classificatie-model is dat de verschillende verhaaltypen allemaal een uniek woordgebruik hebben. “CAR” broodjeaapverhalen zullen vooral woorden hebben over auto’s, “ACADEMIC” zullen voornamelijk vol staan met woorden als “school”, “campus” en “universiteit”. Meestal werkt deze simpele aanname erg goed (sommige broodjeaapverhalen worden 80 tot 90 procent van de tijd juist herkend!), maar soms leiden ze ook tot verwarring.

    Het Meertens instituut krijgt namelijk broodjeaapverhalen uit verschillende bronnen: interviews, krantenartikelen, en zelfs e-mail. Een serie interviews over voedsel heeft bijvoorbeeld vaak het woordje “uhm”. Het model leert dan van de data dat “uhm” een kenmerk is van voedsel-broodjeaapverhalen, omdat deze vaak “uhm” in de tekst hebben. Om dit te voorkomen, moeten we de data schoonmaken. Dat wil zeggen: we moeten ervoor zorgen dat het model niet in de war kan raken door dit soort (spreek)taal-elementen. Deze woorden moeten dus verwijderd worden uit de woordenlijst waarmee een broodjeaap-categorie voorspeld wordt.

    Interactieve demo

    Maar ook na het opschonen waren de resultaten waren nog niet voor elk type even goed. Zo bleek dat sommige verhaaltypen, zoals “poedel in de magnetron”, bijna perfect herkend werden door het model, en andere verhaaltypen  zoals “toerist horror verhaal” heel slecht. Dit kwam doordat de eerste categorie meer eenduidige verhalen opleverde, de tweede was meer een soort restcategorie: dit verhaal kan zich vrijwel overal afspelen, met allerlei enge gebeurtenissen, met als enige gemene deler dat er iets ergs met toeristen gebeurt. Het model vond dat (te) lastig om te onderscheiden van andere verhalen, en in één type in te delen.

    Om het model te verbeteren, hebben we nu een demo ontwikkeld. Als de bovenste categorie wel correct is (“CAR”), maar de subcategorie bijvoorbeeld niet, kunnen gebruikers het model zelf corrigeren door onderaan de pagina een interactieve boom van broodjeaapverhalen te verkennen. Zij kunnen vervolgens zien welke subcategorieën er onder “CAR” vallen, en welke verhaaltypen weer onder die subcategorieën vallen. Zo vullen model en mens elkaar aan om de verhalen toch correct te classificeren, met behulp van de hiërarchie van de verhaaltypen.

    Dit is een verkorte versie van een artikel dat op 10 oktober 2019 verscheen op Neerlandistiek

  • 'En kan het hier blijven staan?'
    Het bureau uit Het Bureau

    door Douwe Zeldenrust

    foto: Elise 't Hart

    ‘Een uitzonderlijk groot bureau met een opbouw, dat lang geleden eigendom van een beroemd taalgeleerde was geweest.’ Zo beschrijft Maarten Koning het bureau van Beerta in de roman Het Bureau. Tegenwoordig staat het massief eikenhouten bureau, waar directeur P.J. Meertens aan heeft gewerkt, tentoongesteld in het Meertens Instituut. Maar wat is de betekenis van dit meubel en wat gaat ermee gebeuren?

    Pijploos orgel

    Het zware bureau van Meertens kan in eerste instantie gezien worden als een rekwisiet uit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. In de roman staat er een schrijfmachine op (die we niet meer hebben; de typemachine op de foto is een andere) en de directeur heeft in een la een botervloot en een pakje hagelslag zitten voor de lunch. Door de populariteit van de boeken is het bureau een literair en museaal object geworden. Inmiddels zijn er in dat kader dan ook verzoeken van verschillende instellingen geweest om het bureau te gebruiken bij tentoonstellingen en is het uitgeleend geweest aan de Zeeuwse Bibliotheek. Bij bezoekers van het Meertens Instituut is er wel eens verwarring over wat het bureau precies is. Dan wordt de vraag gesteld: ‘Is dit dan Het Bureau?’. ‘Nee’, is dan het antwoord, ‘dit is de werktafel van de directeur geweest’. De huidige medewerkers van het Meertens Instituut zien Het Bureau vooral als verwijzing naar de boekenreeks. Maar voor lezers is vaak ook het meubel Het Bureau. Het is met andere woorden een literair object geworden.

    Het bureau maakt deel uit van de inventaris van het instituut en het kan tevens gezien worden als een collectieonderdeel. Het valt op tussen de andere collecties: die bestaan voornamelijk uit goed hanteerbare informatiedragers zoals papieren vragenlijsten, cassettebandjes of digitale data. Het bovenmatige bureau wordt in de wandelgangen van het instituut ook wel het ‘pijploos orgel’ genoemd en het heeft, samen met het instituut, een aantal verhuizingen achter de rug. De laatste keer in 2016. Toen is het verhuisd van de voormalige Coca-Colafabriek bij de Amstel, waar het Meertens Instituut 20 jaar gehuisvest is geweest, naar het Spinhuis in de binnenstad van Amsterdam, waar het Meertens Instituut zich nu bevindt.

    Beheer en behoud

    De collecties van het Meertens Instituut worden duurzaam bewaard. De papieren collecties en de audiodragers staan in geklimatiseerde ruimtes in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, dat samen met het Meertens Instituut, en het Huygens ING onderdeel is van het Humanities Cluster. Ook de digitale collecties worden duurzaam bewaard en het Meertens Instituut is daarvoor speciaal gecertificeerd met het kwaliteitskeurmerk Core Trust Seal.

    Net als die andere collecties zal het bureau goed geconserveerd worden. Daarvoor wordt het in de komende periode gereinigd en worden beschadigingen gerepareerd. Ook komt het meubel op een klein podium te staan. De losse onderdelen zoals de brievenweegschaal zullen tentoon worden gesteld. Zo blijft het bureau behouden als onderdeel van de collecties van het Meertens Instituut. In Het Bureau vroeg Beerta nog bij zijn afscheid in 1965 wat met het meubel zou gebeuren: 'We hebben het nog niet over mijn bureau gehad.' 'Dat blijft uw bureau,' antwoordde Maarten zonder van zijn werk op te zien. 'En kan het hier blijven staan?' 'Natuurlijk. Waar anders?’

    Voor meer informatie over de collecties van het Meertens Instituut kunt u contact opnemen met Douwe Zeldenrust, Collectiemanager: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it..
     

  • Een nieuwsbrieflezer uit Groningen vroeg zich af waarom er op het bekende leesplankje van Hoogeveen onderscheid gemaakt wordt tussen de o in bok en die in hok. Boven de o van bok staat vaak een stip. Wat betekent dat? De vraag wordt beantwoord door Marc van Oostendorp.

    Een van de weinige echte discussies over standaarduitspraak gaat over deze klinker: is het 'standaard-Nederlands' om hok en bok met dezelfde klinker uit te spreken, of juist om onderscheid tussen deze twee te maken? Op het leesplankje van Hoogeveen waren de woorden hok en bok allebei opgenomen omdat ze verschillende klinkers zouden hebben. Veel sprekers uit de Randstad maken niet of nauwelijks verschil en - wat belangrijker is - horen geen verschil als anderen het wel maken. Gezaghebbende taalkundigen hebben dan ook gezegd dat het verschil 'ongemerkt' uit de standaardtaal verdwenen is.

    Voor sprekers die het verschil wel maken, is de tong bij hok iets hoger opgetild dan bij bok. Wanneer je het preciezer wil opschrijven, kun je het eerste woord als [hʊk] noteren, en het tweede als [bɔk]. Nu kun je in dit geval nog zeggen dat het verschil veroorzaakt wordt door verschillen tussen de medeklinkers die ervoor staan (mij is uit de literatuur nooit duidelijk geworden wat de mechanica precies zou moeten zijn die dit verklaart).

    Wanneer je alleen dit soort voorbeelden zou hebben, zou de kwestie niet de moeite waard zijn om te noteren - zoals we ons ook niet druk maken over het feit dat een [k] net wat anders klinkt voor een [i] dan voor een [u]. Maar in het geval van de <o> blijft het er niet bij: er zijn woorden waar het enige verschil de uitspraak van de klinker is. Een klassiek voorbeeld is het verschil tussen d[ɔ]ffer voor 'mannelijke duif' en d[ʊ]ffer, dat 'meer dof' betekent.

    Er bestaat natuurlijk geen goede mechanische verklaring voor het verschil tussen doffer en doffer. Dus moeten sprekers dat verschil op de een of andere manier geleerd hebben - het moet deel uitmaken van het taalsysteem. Aan de andere kant zijn er natuurlijk ook in bijvoorbeeld Noord-Nederland (een van de duidelijkste bolwerken van het onderscheid) inmiddels al hele horden jongeren die geen idee hebben dat er een apart woord is voor een mannelijke duif.

    Maar spreken de mensen die het verschil wél maken, dan geen standaard-Nederlands? Moeten ze zich het verschil afleren? Het goede nieuws is: die vraag hoeven we niet te beantwoorden. Degenen die het verschil zelf niet maken, horen het ook niet als anderen dat wel doen. Degenen die het verschil wél maken, raken zelden of nooit in verwarring van het feit dat hun gesprekspartners sommige klinkers een beetje wonderlijk uitspreken. Er is wat variatie, maar die levert voor niemand echte problemen op.

    Deze tekst is afkomstig uit de Klankencyclopedie van het Nederlands

    Afbeelding: Leesplankje van Hoogeveen. Publiek domein.

     

  • Op 5 juni vond op het Meertens Instituut de jaarlijkse Kiliaanlezing plaats, georganiseerd door de Kiliaanstichting. Deze stichting heeft tot doel het etymologisch onderzoek in België en Nederland te bevorderen. Jan Peter Verhave sprak over het Yankee Dutch in Michigan. Later dit jaar verschijnt zijn biografie over Paul de Kruif, Amerikaans auteur van Nederlandse afkomst.

    door Mathilde Jansen

    De stad Holland in Michigan werd in 1847 gesticht door Nederlandse calvinisten, onder leiding van dominee Albertus C. Van Raalte. Nog steeds heeft veertig procent van de ruim 35 duizend inwoners Nederlandse wortels. Maar het Nederlands wordt er niet meer gesproken volgens Jan Peter Verhave.

    Verhave is gepensioneerd parasitoloog en momenteel honorary research fellow aan het Van Raalte Institute in Michigan. Daar schrijft hij aan een biografie van Paul de Kruif (1890-1971), een van de meest gelezen volksvoorlichters in Amerika over ziekten, volksgezondheid en geneesmiddelen. De Kruif was kleinzoon van Nederlandse immigranten en daardoor bekend met het Yankee Dutch – de mengelmoes van Nederlands en Engels die de Nederlandse immigranten in Amerika spraken.

    Nederlandse dialecten

    De oorspronkelijke groep migranten vormde een afsplitsing van de Nederlandse Hervormde kerk. Aanvoerder van deze groep was dominee Albertus van Raalte, die zich aangesloten had bij de Afscheiding van 1834, een beweging die uiteindelijk zou leiden tot zelfstandige gereformeerde kerken naast de Nederlandse Hervormde kerk. Zij waren geïnspireerd door de theologie van Calvijn.

    Van Raalte stichtte diverse koloniën aan de oostkust van Lake Michigan. De Nederlandse kolonisten die zich er vestigden kwamen uit verschillende delen van Nederland. In het nieuwe land groepeerden ze zich aanvankelijk ook weer naar regio, waardoor de verschillende dialecten in het begin behouden bleven. Ook de Statenbijbel had een behoudende invloed, want die werd gelezen in het Nederlands.

    Derde generatie

    Toch werd de omgangstaal meer en meer Engels en bij de derde generatie was het Nederlands zo goed als verdwenen. Wel bleef men trots op de Nederlandse roots, vertelt Verhave. Op het Van Raalte Institute worden vandaag de dag nog steeds lessen gegeven over de Nederlandse geschiedenis, die druk worden bezocht, met name door gepensioneerden.

    Ook Paul de Kruif behoorde tot de derde generatie: zijn grootouders waren Zeeuwse emigranten. De Kruif zelf werd in 1890 geboren in Zeeland, Michigan. Hij groeide op in een belezen gezin, en op zijn zesentwintigste promoveerde hij in de bacteriologie aan de Universiteit van Michigan. Toch zette hij zijn carrière als wetenschapper niet voort. Hij werd wetenschapsjournalist, o.a. voor Readers Digest, en schreef veel kritische stukken over zijn medische collega’s die volgens hem niet altijd even wetenschappelijk te werk gingen. Zijn boek Microbe Hunters werd in twintig talen vertaald, waaronder het Nederlands.

    Yankee Dutch

    De Kruif raakte tijdens zijn loopbaan als journalist bevriend met journalist en schrijver Henry Mencken, die zelf kind was van Duits-Amerikaanse ouders. Ze hadden meer gemeen: een provocerende pen en een atheïstische levensvisie – De Kruif had gebroken met het calvinisme.  

    Mencken was onder meer geïnteresseerd in de Amerikaanse dialecten en De Kruif hielp hem met zijn kennis over het Nederlands in Amerika. In het uiteindelijke boek The American Language (1919) was een heel hoofdstuk gewijd aan het zogenaamde Yankee Dutch, de taal van Nederlandse Amerikanen. Waarschijnlijk is de naam Yankee afgeleid van Jan-Kees. De namen Jan en Kees kwamen veel voor onder de Nederlandse kolonisten. De Britten gebruikten het woord ‘Yankee’ aanvankelijk als scheldnaam voor inwoners van New England in Amerika, die het later zelf gingen gebruiken als geuzennaam, waarna het voor iedere Amerikaan werd gebruikt.

    Meer lezen?

    In 2006 verscheen het boekje ’n Fonnie Bisnis van Dirk Nieland, een heruitgave van de editie uit 1929. Het vertelt op gekscherende wijze het verhaal van een prototypische Nederlandse migrant. Serieuzer van aard zijn de (populair)wetenschappelijke boeken How Dutch Americans Stayed Dutch van Michael Douma en Yankees, cookies en dollars van Nicoline van der Sijs. Dit najaar verschijnt de biografie van Paul de Kruif van Jan Peter Verhave bij Van Raalte Press, getiteld ‘A constant state of emergency’.

    Lees ook dit artikel op NEMO Kennislink: 'Hoe Jan-Kees een Yankee werd'.

  • Sterven achternamen uit?

    De eerste aflevering van de Grote Vragen Podcast van de Volkskrant gaat over achternamen. Aanleiding was de lezersvraag: Sterven achternamen uit? Hoe erg is dat? Onze naamkundige Leendert Brouwer werkte eraan mee. Voor de nieuwsbrieflezers gaat hij nog eens uitvoerig in op deze vragen.

    door Leendert Brouwer

    Dat men zich zorgen maakt om de extinctie van diersoorten is begrijpelijk. Maar waarom men zich zorgen maakt om het uitsterven van achternamen begrijp ik niet zo goed. Het zal toch niet zo zijn dat men het uitsterven van families met specifieke namen vreest, want ook families of familietakken met veelvoorkomende namen kunnen door gebrek aan nazaten ‘uitsterven’.

    verspreidingskaart van de naam Jansen (bron: CBG)

    Versteende bijnamen

    Wat voor een naamkundige vooral moeilijk is in deze kwestie, is dat hij moet uitleggen wat achternamen eigenlijk zijn. In wezen zijn achternamen immers versteende bijnamen. Vóór de invoering van de burgerlijke stand in 1811 waren achternamen nog los vast: men heette zoals men genoemd werd. En dat kon gedurende een levensloop veranderen. Men kon bijvoorbeeld naar zijn of haar vader of moeder genoemd worden. Maar daarnaast kon men ook een andere naam aangemeten krijgen, of een alias die de goegemeente spontaan voor je bedacht had. Jan Bakker, die zo heette omdat zijn grootvader een broodbakker was, kan ook Jan de Rooie genoemd zijn omdat hij opvallend rood haar had. Zíjn zoon werd wellicht Cornelis Janszoon de Roode of De Rooij of Rood genoemd. Bij de invoering van de burgerlijke stand kreeg je zo van één grootvader mogelijk nakomelingen met de namen Bakker, Rood en De Rooij.

    Het kon vóór 1800 alle kanten opgaan met de naamgeving en omdat er nog geen uniforme spellingsregels waren, was er ook een grote variatie in schrijfwijze. Hoeveel spellingsvarianten zijn er wel niet van een naam als Van den Boogaard (Bongers, Boomgaards, Boogert, Uittenbogaard plus tientallen andere naamvormen), terwijl die mensen heden ten dage allemaal Van de Boomgaard zouden hebben geheten. Ware het niet dat men de namen bij de invoering van de burgerlijke stand in bevroren toestand heeft vereeuwigd.

    Eigenlijk is het naamgevingsproces daardoor verstard. In de eeuwen daarvoor werden namen genoteerd die kwamen en gingen en sommige namen van veelvoorkomende beroepen bijvoorbeeld zag men overal terugkeren. De voornaam Jan was een van de populairste roepnaamvormen van de doopnaam Johannes. Vandaar dat de ervan afgeleide achternamen Janse, Jansen en Janssen wijdverbreid zijn.

    Curieuze achternamen

    Ja, een curieuze achternaam had dus de kans om van korte duur te zijn. Zulke individuele namen kunnen heel fraai zijn, maar zonder nakomelingen waren ze geen lang leven beschoren. Neem bijvoorbeeld namen als Dwaaslicht, Fierenblaas, Guldentong, Hardevuist, Hutspot, Jongemooimeisje, Van de Korenmarkt, Kriekenboom, Lootsman, Macropedius, Negenvinger, Onweer, Plantijn, Plukkeroos, Smijtegeld, Spaarpot en Sterveling. Misschien zijn er enkele generaties van geweest, maar inmiddels bestaan ze niet meer. Dat is misschien spijtig voor een aantal namen, maar al die namen maakten in feite gewoon deel uit van de taalschat, en die was en is veranderlijk.

    Verspreidingskaart van de naam Poepjes (bron: CBG)

    Ook ongunstige namen zoals de toenamen ‘t Hoertje en De Lul zijn in het verleden genoteerd. Nog steeds zijn er namen die een ongunstige associatie hebben. De naam Poepjes is misschien wel de meest beruchte, al was men zich bij de naamgeving van geen kwaad bewust; Poepjes heeft niets met faecaliën te maken. Bron: CBG Familienamenbank.

    Zoals sommige woorden niet of nauwelijks meer in gebruik zijn, zo verdwenen ook sommige achternamen. Na de invoering van de burgerlijke stand is het echter louter een demografische kwestie geworden. Gedurende twee eeuwen nam de verspreiding van namen in grote gezinnen met veel jongens toe en hadden de bijzondere namen van kleine families kans uit te sterven. Kijken we naar de namenvoorraad van nu dan tellen we ongeveer 300.000 familienamen. Na de oorlog waren het er 125.000. Gemiddeld heeft een naam in de tussenperiode anderhalf keer zoveel naamdragers gekregen en er zijn veel nieuwe namen bijgekomen.

    Immigratieland

    Je zou het alarmerend kunnen vinden dat van de 300.000 familienamen de helft door minder dan vijf personen wordt gedragen en derhalve met uitsterven wordt bedreigd. Maar dan moet je wel bedenken dat er veel namen van buitenlandse origine bij zijn die waarschijnlijk nog veelvuldig in andere landen voorkomen. Ook zijn er veel Spaanse en Iraanse dubbele namen bij die weliswaar uit meer voorkomende enkelvoudige namen zijn samengesteld, maar als dubbele naamvorm vrij uniek zijn. En dan zijn er nog duizenden zeldzame spellingsvarianten van meer voorkomende namen waarvan het merendeel naoorlogse immigranten toebehoort.

    Na de oorlog was het bovendien niet anders. De helft van de toenmalige 125.000 namen werd evengoed door minder dan vijf personen gedragen. Ook toen betrof het grotendeels namen van buitenlanders. Nederland is van oudsher een immigratieland.

    Maar het is hoe dan ook spijtig dat sommige unieke namen nog slechts tragisch in het archief vergelen bij het overlijden van de laatste naamdrager. Gelukkig is er inmiddels een naamrechtelijke mogelijkheid om een zeldzame naam te behouden. Ouders kunnen immers sinds 1998 hun kinderen de naam van de moeder meegeven. Deze keuzemogelijkheid biedt tevens een goede oplossing om het aantal van de veelvoorkomende namen enigszins te beknotten. Zo zijn er nu ietsje minder Brouwers dan er zouden kunnen zijn, omdat mijn dochter de achternaam van haar moeder heeft meegekregen. Het spreekt voor zich dat deze keuzemogelijkheid ook een goed middel is om van minder gunstige namen af te komen. Die worden dan helaas weer met uitsterven bedreigd. Maar dat zal bij deze namen wellicht slechts de naamkundigen spijten.

    Beluister hier de podcast: https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/podcasts/serie/de-grote-vragen-podcast/sterven-achternamen-uit/

  • Wat betekent erkenning van het Limburgs?

    De Rijksoverheid erkent het Limburgs als volwaardige streektaal. Dat heeft minister van Binnenlandse Zaken Ollongren op 15 maart 2019 bekendgemaakt. Het is in feite een bevestiging van een eerdere erkenning. Wat betekent dit in de praktijk voor het Limburgs?

    De vraag wordt beantwoord door Leonie Cornips, onderzoeker Taalvariatie aan het Meertens Instituut en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht.

    15 maart heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties Kajsa Ollongren aangegeven positief te staan tegenover een Convenant voor het Limburgs. Met dit Convenant bevestigt de Nederlandse overheid nogmaals dat het Limburgs in 1997 als officiële regionale taal onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend is. Het Europees Handvest is opgesteld door de Raad van Europa dat 47 lidstaten kent. De Belgische overheid heeft in tegenstelling tot de Nederlandse overheid het Europees Handvest niet ondertekend waardoor het Limburgs in Belgisch-Limburg geen regionale taal mag heten.

    Limburgs stimuleren

    De Nederlandse overheid wijst de uitvoering van het regionale taalbeleid toe aan de Provincie Limburg maar blijft zelf eindverantwoordelijk. De Nederlandse overheid stuurt om de drie jaar een rapport aan de Raad van Europa, bijvoorbeeld over de hoeveelheid uren die leerkrachten in het onderwijs aan het Limburgs besteden, en hoeveel Limburgs er in de media te beluisteren valt. Tot nu toe zijn er geen eenduidige regelingen hoe de nationale, regionale en lokale overheden het gebruik van het Limburgs zouden moeten ondersteunen en stimuleren. De Raod veur ’t Limburgs, het Huis voor de Kunsten in Limburg inclusief de streektaalfunctionaris en Veldeke, de oudste (sinds 1926) en grootste dialectvereniging in Limburg adviseren de Provincie. Zij organiseren activiteiten om het Limburgs in beweging te houden, waarbij de Provincie faciliteert.

    Nieuwe kansen

    Al met al zou een kniesoor zeggen dat er met het Convenant niets wezenlijks verandert aan de positie van het Limburgs. Een optimist ziet echter nieuwe kansen, afhankelijk van de manier waarop het Convenant na de zomer vorm en inhoud zal krijgen in de samenwerking tussen het Ministerie, Provincie Limburg en betrokken partners.

    Het Convenant krijgt nu al positieve aandacht in de nationale media en het genereert hernieuwde belangstelling voor de meertaligheid van Limburg, waar inwoners naast vele andere talen ook het Nederlands en Limburgs als afzonderlijke talen spreken. Natuurlijk heeft een brede groep van streektaal- en letterenorganisaties in Limburg al eerder wensen geformuleerd. Hopelijk zijn die nu samen met het Rijk en culturele en onderwijspartners te realiseren. Men wil graag verjongen en feminiseren, het Limburgs vernieuwen door digitale media, het imago versterken door Limburgs aan te bieden in het onderwijs, op radio en televisie en het te horen brengen op allerlei theater, muziek- en poppodia.

    Tweetaligheid

    Vanuit het wetenschappelijk onderzoek van de leerstoel Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht leven er drie wensen. De eerste is het stimuleren van tweetalig opgroeien van peuters, dus ook in het Limburgs naast het Nederlands en kennisverspreiding van de cognitieve voordelen ervan. De tweede is dat iedereen in Limburg, werkend in bedrijfsleven of bij de overheid, voor de klas of in het ziekenhuis, oud- of nieuwkomer, jong of oud, man of vrouw, immigrant of van elders in Nederland, expat of niet het Limburgs als Tweede Taal (LT2) kan leren van professionals die weten hoe het leren van een tweede taal succesvol verloopt.Het zou een taak voor de provincie kunnen zijn deze LT2-taalverwerving te stimuleren en eventueel te institutionaliseren. Ten derde ligt er in navolging van het KNAW-rapport ‘Talen in Nederland – Talen voor Nederland’  (2018) een mogelijke taak voor de provincie en gemeenten. Zij zouden professionals in de zorg, het onderwijs, bij politie en justitie bewust kunnen maken van het belang om in de thuistaal van hun patiënten, leerlingen of cliënten te communiceren en kennis over te dragen.

    foto: https://www.dbnl.org/letterkunde/limburg/

  • Wat is culturele Artificiële Intelligentie?

    de vraag wordt beantwoord door Antal van den Bosch, taalkundige en directeur van het Meertens Instituut

    De wereld is veranderd door de digitale computer, en we staan nog maar aan het begin van de grote veranderingen die deze machine in gang zet. Het verschil met alle machines uit het verleden is dat de computer niet voor één doel is gebouwd, maar voor alle mogelijke doelen. Die doelen kunnen groots zijn en klein, wetenschappelijk, economisch, sociaal. Op al die vlakken zijn al schokkende vooruitgangen geboekt.

    Data-gedreven

    Deze vooruitgangen zijn gedreven door technologisch positivisme - het kan, dus we maken het. Dat heeft ons al veel progressie opgeleverd. Maar met deze progressie ontwikkelen zich ook nieuwe problemen. Onze worsteling om om te gaan met fake news, polarisatie op sociale media, en controle op privacy in een data-gedreven wereld laat zien hoe hard de geesteswetenschappen nodig zijn als integraal onderdeel van de ontwikkeling van nieuwe technologie, zoals kunstmatige intelligentie.

    Besef van ethische en culturele waarden, gevoel voor diversiteit en inclusiviteit, besef van alle betekenisvolle variatie in talen en taalgebruik dient een vaste plaats te krijgen in alle technische ontwikkelingen. Grote bedrijven als Facebook hebben een fundamentele achterstand opgelopen die ze niet lijken te willen of kunnen inhalen, ondanks dat de problematiek langzaam erkend wordt. Er is een rol voor de ongebonden wetenschap om deze kwesties aan de orde te stellen en om oplossingen aan te dragen.

    Nep of echt

    Kunstmatige intelligentie, AI, moet gevoelig worden voor cultuur; we hebben ‘culturele AI’ nodig. Het is nodig om te weten wanneer en te begrijpen waarom taalgebruik over kan komen als ongepast. We willen begrijpen waarom sommige verhalen, nep of echt, ‘viraal’ kunnen gaan in de internetecologie. We willen nep van echt kunnen onderscheiden. Wanneer de computer personen kan profileren aan de hand van wat ze schrijven, dan moet die informatie niet duistere handelswaar worden, maar dient er transparantie te zijn.

    Toepassingen en nieuwe ontwikkelingen dienen ethisch getoetst te worden. Basisprincipes zijn nodig die de autonomie van algoritmes en robots inkaderen. Sommige van deze principes zouden glasharde verboden moeten zijn, zoals een verbod op autonome kunstmatig intelligente wapens.

    Digital Humanities

    Binnen het KNAW Humanities Cluster werken we aan nieuwe kennis en methoden op het vlak van culturele AI, op het gebied van fake news en memes, profilering van auteurs via computationele stylometrie, en het analyseren van grote hoeveelheden teksten op verschillen in perceptie, waardering, genre, en gender. Veel van dit onderzoek is niet computationeel, maar dat is ook helemaal niet nodig; de uitkomsten ervan moeten geïntegreerd worden in de ontwikkeling van alle AI-systemen waarin talige communicatie en culturele aspecten een rol spelen.

    'Culturele AI' is in zekere zin een omdraaiing van ‘Digital Humanities’. De geesteswetenschappen is geavanceerde digitale methoden aan het omarmen, maar diezelfde digitale methoden hebben de geesteswetenschappelijke inzichten hard nodig om te evolueren.

    Foto:  Flickr, Archigeek via CC BY-NC-ND 2.0

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (maart 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Vorige maand verscheen het laatste boek van de nu 8-delige Syntax of Dutch. In dit Engelstalige boek beschrijft Hans Broekhuis de grammatica van het Nederlands voor taalkundigen wereldwijd. Waarom hoort dit werk thuis op een instituut dat van oudsher vooral dialecten onderzoekt? Deze vraag wordt beantwoord door Hans Broekhuis.

    Het doel van de Syntax of Dutch (SoD) is een zo volledig mogelijke beschrijving te geven van wat we het Standaardnederlands kunnen noemen. Omdat de taalkundige afdeling van het Meertens Instituut juist taalvariatie (in bijvoorbeeld tijd en ruimte) onderzoekt, kan je je afvragen of het onderzoek naar het Standaardnederlands daar wel thuishoort. Het wordt immers vaak gezien als een bovenregionale variëteit van het Nederlands die aan strikte regels gehoorzaamt.

    Onbewuste regels

    Nu is het vrijwel onmogelijk om taalkundig vast te stellen wat wel of niet tot het Standaardnederlands behoort. Die afbakening is eerder sociaal van aard; je hebt daar een soort rechter voor nodig die bepaalt dat je groter dan in plaats van groter als moet zeggen, en Zij komen in plaats van Hun komen, etcetera. Voor de studie naar de formele eigenschappen van taal zijn dat soort extern opgelegde regels minder interessant. Daarvoor zijn de regels waaraan sprekers van een taal zich onbewust houden veel belangrijker. Zo weet elke spreker van het Nederlands onbewust dat bijvoeglijke bepalingen voorafgaan aan zelfstandige naamwoorden (mooie boeken) of dat het lijdend voorwerp voorafgaat aan de niet-verbogen werkwoorden in een zin (Jan heeft het boek gelezen). Dit zijn geen feiten die snel een rol zullen spelen in een discussie over de standaardtaal, maar wel feiten waar taalkundigen zich traditioneel mee bezighouden.

    De bestaande literatuur over de onbewuste regels waaraan sprekers zich houden, is vooral gebaseerd op het Standaardnederlands. Het begrip Standaardnederlands wordt hier losjes gebruikt en omvat een groep nauw verwante taalvariëteiten die door de meeste sprekers van het Nederlands intuïtief als zodanig herkend wordt. Andere variëteiten (zoals dialecten) worden in de regel negatief gedefinieerd als variëteiten die niet behoren tot de standaardtaal. De literatuur over dergelijke variëteiten gaat dan ook vaak over verschijnselen die afwijken van het Standaardnederlands.

    Referentiepunt

    Een werk als SoD kan niet gemakkelijk geschreven worden over een van de vele dialecten of andere taalvariëteiten die Nederland rijk is. Het onderzoek naar die variëteiten gaat immers voorbij aan de feiten die hetzelfde zijn als in het Standaardnederlands. Willen we een overzichtswerk hebben van de syntaxis van het Nederlands dan is een beschrijving van het Standaardnederlands op dit moment om praktische redenen het hoogst haalbare; dit is dus niet omdat het Standaardnederlands op intrinsieke gronden te prefereren zou zijn, maar omdat het nu eenmaal beter onderzocht is.

    bron: Van der Sijs e.a., Dialectatlas van het Nederlands

    Het is echter ook voor het variatie-onderzoek belangrijk dat tenminste één variëteit (die we in dit geval Standaardnederlands noemen) zo uitputtend mogelijk beschreven wordt omdat het een referentiepunt kan vormen voor onderzoek naar de overige variëteiten: de SoD maakt het gemakkelijker om systematisch na te gaan in welke opzichten een specifieke variëteit zich “bijzonder” gedraagt. Zo vermeldt SoD voor het Standaardnederlands bijvoorbeeld ‘twee koffie, graag!’, terwijl elders ‘twee koffies, graag!’ gezegd wordt, met koffie in het meervoud.

    Er zijn natuurlijk ook taalverschijnselen die we uitsluitend vinden in bepaalde (niet-standaardtalige) variëteiten. Een goed voorbeeld is zogenaamde vervoeging van het voegwoord, zoals in de zin Ik denk niet datte ze komen, die we vinden langs de Hollandse kust. Het is daarom wenselijk als de beschrijvingen in SoD aangevuld zouden worden met deelbeschrijvingen van andere taalvariëteiten. Een voorbeeld van hoe een dergelijke aanvullende beschrijving eruit zou kunnen zien is te vinden op het Taalportaal, waar een beschrijving van het Fries te vinden is voor zover dat afwijkt van het Standaardnederlands. De SoD zou zo de kern kunnen vormen van een beschrijving van de Nederlandse syntaxis in de ruimste zin van het woord, waarin ook plaats is voor niet-standaardtalige taalvariëteiten van het Nederlands. De vraag of SoD thuishoort op het Meertens Instituut moet daarom met een volmondig “ja” beantwoord worden.

    Meer informatie?

    Alle zeven dikke delen van de imposante Engelstalige grammatica van het Nederlands, Syntax of Dutch, geschreven door Hans Broekhuis en anderen, zijn nu gratis als pdf-bestand te downloaden bij de open access-bibliotheek OAPEN.

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     
  • Waarom is een historisch-etnologisch onderzoek over de wederopbouw van boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig zo relevant?

    Naar aanleiding van het verschijnen van het boek van etnoloog Sophie Elpers: ‘Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2019.

    door Sophie Elpers

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meer dan negenduizend boerderijen verwoest. De wederopbouw ervan begon reeds na de verwoestingen van de eerste oorlogsdagen in 1940. Vanaf 1945 werden de getroffen boerderijen van het laatste oorlogsjaar aangepakt totdat het herstel in 1955 afgesloten kon worden. De wederopbouw werd georganiseerd en gecoördineerd door een overheidsinstelling, het Bureau Wederopbouw Boerderijen.

    Buiten dit institutionele kader waren er veel andere spelers die direct of indirect invloed uitoefenden op de boerderijbouw, zoals particuliere architecten, gemeentelijke schoonheidscommissies, de Bond Heemschut, de Rijkslandbouwarchitect, de Nederlandse Heidemaatschappij, de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst, de landbouworganisaties en de individuele boeren en boerinnen. Tussen hen ontstond een heftige strijd over traditie en modernisering die uiteindelijk de architectuur van de nieuwe boerderijen bepaalde.

    Symboliek versus gebruiksobject

    Aan deze strijd lagen twee verschillende functies van boerderijen ten grondslag. Het waren enerzijds objecten met een uitgesproken symbolische functie: zij stonden voor bepaalde tradities en waarden en moesten bijdragen aan de versterking en de vorming van een nationale identiteit. Anderzijds betrof het agrarische gebruiksobjecten die van cruciaal belang waren voor de modernisering van de Nederlandse landbouw.

    Aan de ene kant was er een groep die boerderijen terug wilde zien in een regionaal-traditionele vormentaal, zogenoemde streektypen. Zij dachten dat hiermee nationale eenheid (in verscheidenheid!) zou kunnen worden gesymboliseerd en een dreigend verlies van traditionele plattelandscultuur tegengewerkt zou kunnen worden.

    Een andere groep wilde vooral moderne wederopbouwboerderijen waarbij het streektype verlaten kon worden om plaats te maken voor totaal nieuwe boerderijvormen. Volgens deze groep was modernisering van de landbouw in Nederland dringend nodig. Zij zagen de wederopbouw als kans.

    Uiteindelijk zouden de moderniseerders een sterkere positie verwerven.Kwesties van traditie en modernisering werden ondergeschikt gemaakt aan de economische werkelijkheid die dringend een modernisering van de boerderijen vereiste.De meeste wederopbouwboerderijen kregen een streekeigen uiterlijke vorm met een modern interieur. Maar bij de boerderijen uit de late wederopbouwjaren werdende streektypen in de boerderijbouw steeds meer verlaten.

    Idylle of plek van crisis

    Veel plattelandsgebieden worden nog steeds bepaald door de wederopbouwboerderijen uit de jaren 1940 tot 1955. Voorbeelden zijn de Gelderse Vallei, Walcheren, de Betuwe, de omgeving van de gemeenten Groesbeek en Arnhem. Slechts tegen de achtergrond van het dynamische proces van de wederopbouw zijn deze duizenden nog existerende wederopbouwboerderijen te begrijpen en te waarderen. Hoe dynamisch en complex de wederopbouwperiode was, kunnen we opmaken uit de verschillende standpunten, tegenstrijdigheden en ambivalenties, de worstelingen, de conflicten en allianties, de toenaderingen en de compromissen tijdens het plannings- en bouwproces van de boerderijen.

    Bovendien krijgt het platteland krijgt tegenwoordig veel aandacht in de samenleving. Dit betreft zowel de concrete transformaties die plaatsvinden als ook voorstellingen die mensen hebben van het platteland. Het wordt gezien als een idyllische plek van rust en harmonie. Tegelijkertijd wordt het platteland als plaats van crisis geïnterpreteerd: landvlucht, vergrijzing, ontbrekende sociale en medische voorzieningen, schaalvergroting en intensivering van de landbouw die ecologische en ethische kwesties oproepen, maar ook boeren die hun bedrijf sluiten.

    En steeds gaat het ook over architectuur: Hoe moet de neo-traditionalistische architectuur op het platteland, woonhuizen in de vorm van historische boerderijen en landhuizen die in alle delen van Nederland herrijzen, geïnterpreteerd worden? Wat doet deze architectuur met de mensen? Moeten nieuwe hoogtechnische agrarische bedrijfsgebouwen ingepast worden in het landschap en aangepast aan reeds aanwezige (historische) architectuur? En zo ja, hoe? Hoe kunnen op locaties van voormalige agrarische bedrijven nieuwe activiteiten ontwikkeld worden? En hoe kunnen leegstaande boerderijen, ook wederopbouwboerderijen, het beste herbestemd worden?

    De analyse van de strijd over traditie en modernisering in de wederopbouwperiode maakt duidelijk waarover het ook tegenwoordig gaat: de nauwe relatie tussen enerzijds vragen en debatten over plattelandsarchitectuur en anderzijds diagnosen van wat het platteland is en voorstellingen hoe het zou moeten zijn in de toekomst. Er is sprake van een complex netwerk van verschillende stakeholders met verschillende ideologieën, belangen en argumenten. Alleen als deze goed ontrafeld en gereflecteerd worden, kunnen oplossingen voor de toekomst gevonden worden.

    Afbeeldingen: 1. Streektypische wederopbouwboerderij in Elst, Gelderland.2. Neotraditionalistische architectuur op het platteland, 21e eeuw.

     

    Bron:

    Sophie Elpers: Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom informanten uit het buitenland werven op een Nederlands festival?

    Het klinkt een beetje paradoxaal: informanten in het buitenland werven voor wetenschappelijk onderzoek op een Nederlands talenfestival. Toch is dit precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben geprobeerd tijdens het DRONGO talenfestival op 9 en 10 november 2018.

    door Kristel Doreleijers

    Op zaterdag 10 november presenteerden zij daar het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ dat sinds juli dit jaar wordt uitgevoerd in samenwerking met de Nederlandse Taalunie. Het doel van dit project is om in kaart te brengen hoe geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen met de Nederlandse taal en cultuur omgaan in den vreemde (zie ook dit artikel over het onderzoek). Verandert hun taalgebruik en hun cultuurbeleving in het buitenland of houden ze vast aan de talige en culturele gewoonten van hun vaderland? Bezoekers konden op DRONGO meer te weten komen over de opzet van het project en inzicht krijgen in de doelstellingen en enkele (voorlopige) resultaten. Dat een onderzoek als dit relevant is (óók voor een niet-wetenschappelijk publiek) staat buiten kijf, aangezien jaarlijks tienduizenden Nederlanders en Vlamingen emigreren om in een ander land een nieuw leven op te bouwen. Een groot aantal mensen dat Nederland verlaat, remigreert naar het land van herkomst of heeft al een andere buitenlandse identiteit, maar er zijn ook heel veel Nederlanders en Vlamingen die hun vertrouwde geboorteland én moedertaal achterlaten. In 2017 waren dat om precies te zijn 10.817 Vlamingen (Statbel) en 43.378 Nederlanders (CBS).

    Burgerwetenschappers

    In het project ‘Vertrokken Nederlands’ onderzoeken taalkundigen van het Meertens Instituut via verschillende enquêtes de attitude van emigranten ten opzichte van de Nederlandse taal en de Nederlandse/Vlaamse cultuur. De eerste twee enquêtes over taalgebruik (juli 2018) en cultuur en behoeftes aan talige ondersteuning vanuit de Lage Landen (oktober 2018) worden inmiddels volop ingevuld. Wereldwijd hebben al meer dan 5000 informanten hun bijdrage aan dit onderzoek geleverd. Die informanten worden vooral bereikt via sociale media (Facebook), maar ook via burgerwetenschappers. Deze innovatieve maar sterk opkomende manier van wetenschapsbeoefening gaat uit van een intensieve samenwerking tussen professionele wetenschappers en burgers zonder wetenschappelijke (in dit geval: taalkundige) expertise. De burgerwetenschappers van ‘Vertrokken Nederlands’ (in totaal meer dan zestig) treden wereldwijd, in verschillende landen, op als ambassadeurs van het onderzoek. Zo helpen ze met het aanleggen van informantennetwerken in den vreemde, via de eigen familie-/kennissenkring tot (inter)nationale nieuwsbrieven, koffieclubs, lokale emigrantengemeenschappen, Nederlandse kerken in het buitenland, onderwijsinstellingen (bv. Nederlandstalige scholen) of lokale krantjes. Maar hoe komen professionele onderzoekers met geschikte burgerwetenschappers in contact? De aard van dit type onderzoek doet vermoeden dat professionals en leken elkaar logischerwijs zouden ontmoeten tijdens momenten waarop gedeelde onderzoeks- of taalinteresses bij elkaar komen. Bijvoorbeeld op een talenfestival als DRONGO, dus! Onderzoekers van het Meertens Instituut vroegen zich in deze context het volgende af: zijn DRONGO-bezoekers wellicht ook potentiële burgerwetenschappers?

    Vragenlijst op DRONGO

    Emigratie heeft natuurlijk nooit een eenzijdige impact: mensen die emigreren en hun geboorteland en moedertaal achterlaten zijn een interessant onderzoeksobject, maar óók de achterblijvers (familie en vrienden van de emigranten) zijn onderdeel van het emigratieproces. Zelden hoor je dat emigranten alle contacten met het thuisfront verbreken. Dit gegeven maakt het interessant om ook deze laatste groep eens onder de loep te nemen, en dat is precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben gedaan op DRONGO 2018. Uit het grote aantal flyers dat bezoekers meenamen, bleek dat een aanzienlijk deel van de DRONGO-gasten interesse had in het onderzoeksproject. Van sommige bezoekers bleek die interesse des te duidelijker toen zij een uitgebreid gesprek aanknoopten met de aanwezige onderzoekers van ‘Vertrokken Nederlands’. Dit bood de onderzoekers een uitstekende gelegenheid om meer te weten te komen over het potentiële netwerk van deze bezoekers. Hebben zij Nederlandse of Vlaamse familieleden/vrienden die in het buitenland wonen? Zo ja, in hoeverre hebben zij contact met deze emigranten en via welke kanalen? En in welke taal of talen vindt communicatie plaats, en hangt dit bijvoorbeeld nog samen met de periode van emigratie (bv. langer of korter dan vijf jaar geleden)?

    Onderzoekers van het Meertens Instituut lieten 25 duidelijk geïnteresseerde DRONGO-bezoekers een korte vragenlijst invullen om deze informatie te achterhalen, waarvan 21 bezoekers aangaven contact te hebben met familieleden of vrienden in het buitenland. De frequentie van dit contact bleek te variëren van zelden (een keer per jaar), tot regelmatig (maandelijks) of vaak (wekelijks of zelfs dagelijks). DRONGO-bezoekers vulden in niet alleen af en toe op bezoek te gaan in het buitenland, maar het contact vooral ook telefonisch of via e-mail, videobellen, korte chatberichten (Messenger of Whatsapp) en sociale media te onderhouden. Daarbij bleek het Nederlands in alle gevallen de voertaal te zijn, ongeacht de periode van emigratie (langer of korter dan vijf jaar). Afgaande op dit resultaat is het Nederlands als communicatiemiddel met het thuisfront dus ook in den vreemde nog springlevend, zij het dat een aantal bezoekers aangaf zo nu en dan het Nederlands ook af te wisselen met Engels, Spaans of Duits. Een enkeling vertelde bovendien nog geregeld in dialect te communiceren met Nederlandse contacten in het buitenland, zoals het Limburgs of het Bildts.

    Wat levert deze kennis nu op? Behalve dat het belang van het Nederlands in den vreemde (als communicatiemiddel met het thuisfront) op basis van deze kleine steekproef bevestigd lijkt, is het natuurlijk bijzonder relevant om te weten of de DRONGO-bezoekers ook een schakel kunnen vormen tussen onderzoekers en de betreffende contacten in het buitenland. Om die reden werd de bezoekers ook gevraagd of ze bereid zouden zijn hun contacten te activeren om deel te nemen aan dit onderzoek, bijvoorbeeld door de links naar de enquêtes onder hen te verspreiden. Zestien bezoekers gaven aan dit zeker te willen doen en de overige bezoekers zagen hier liever van af of gaven aan nog te twijfelen. In alle gevallen konden ze een flyer meenemen met onze contactkanalen (website, Facebook, e-mail) om de informatie over het project thuis nog eens rustig na te lezen, én hopelijk door te zetten naar relevante buitenlandse contacten. Een ding kunnen we in elk geval concluderen: animo en potentie blijkt er onder het DRONGO-publiek zeker te zijn!

    Woordenschattest

    DRONGO-bezoekers met een interesse in ‘Vertrokken Nederlands’ konden tijdens het festival ook een Woordenschattest van het Nederlands invullen. Deze test is ontwikkeld door Heleen Vander Beken, Evy Woumans en Marc Brysbaert van de Universiteit Gent en zal binnenkort ook worden afgenomen onder geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen. We zijn benieuwd of de woordenschat van Nederlandse en Vlaamse niet-emigranten afwijkt van die van emigranten. Wie de test op DRONGO heeft gemist, kan hem ook nu nog invullen via de website van het Meertens Instituut.

    Dit artikel verscheen eerder op Neerlandistiek