Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  • Hoe moet de bijnaam Neukwaterwaard begrepen worden?

    Erik Werps schrijft het Meertens Instituut een brief over een schikking uit 1614 tussen Cornelis Gerrits Schoemaecker en Cornelis Corstiaenstz. De eerste Cornelis heeft een stevige schuld uitstaan bij de tweede Cornelis, en de schout van Wijk aan Zee en Duin, Maerten Eevertsz, komt met een soort schuldsanering waarbij de eerste Cornelis jaarlijks een bedrag moet terugbetalen (Oud-Rechterlijk Archief van Wijk aan Zee en Duin, inventarisnummer 1323, p. 51). Van de schuldeiser wordt ook zijn bijnaam genoemd: “Cornelis Corstiaenstz alias Nueck water waert”. Hoe moet die bijnaam nu begrepen worden?

    door Theo Meder

    Volgens de akte was Cornelis Corstiaenstz eigenaar van een herberg in Beverwijk. Stond die herberg in de buurt van het water? Sloeg daar die bijnaam op? Nee, de oplossing van de bijnaam is veel platter en vulgairder: Cornelis wordt wel de “neukwaterwaard” genoemd. Als herbergier stond Cornelis bekend als de kastelein of de waard van het neukwater - de schenker van alcohol met andere woorden. Alhoewel de woordenboeken erover zwijgen in alle toonaarden, zijn er enkele 17e-eeuwse teksten te vinden die duidelijk maken dat neukwater hoogstwaarschijnlijk een uiterst platte, volkse benaming is voor jenever. Zo vinden we in de klucht De bedroge girigheyd of Boertige comoedie van Hopman Ulrich van J. van Paffenrode uit 1661 het “neukwater” terug in een opsomming van alcoholica die genuttigd wordt tijdens een slemppartij.

    Tot de andere alcoholica behoorde onder andere het “hembdeken raap op” – waar de kleertjes kennelijk van uitgaan. Het zijn deels incrowd-woorden zoals wij die nu nog kennen van bijvoorbeeld de “kopstoot” (bier met jenever). Het “neukwater” komt ook voor in De Hoogduytsche quacksalver van G.A. Bredero uit 1619. De oude heer Drooge Lammert (nomen est omen) trouwt met een jonge bruid en zou haar graag seksueel van dienst zijn, maar het lukt niet meer. De Duitse kwakzalver geeft hem een briefje met een recept hiervoor en één van de ingrediënten is “neuck-wasser”.

    Het mag inmiddels duidelijk zijn waarom sterke drank wel neukwater werd genoemd: de drank maakt de zeden losser en jaagt de lust aan. Er werd in een recenter verleden ook wel gedacht dat eieren libidoverhogend zouden werken en ze heetten daarom in de volksmond (onder soldaten) wel “neukpatronen”. Onder de Britten is het woord “beergoggles” gangbaar: hoe meer bier er gedronken wordt, hoe rooskleuriger men de wereld door de bierbril ziet, en hoe aantrekkelijker de vrouwen worden. In internet-memen wordt bier nog altijd aangeprezen als manier om de schroom te overwinnen en de liefde te bedrijven.

  • Hoe zag het P.J. Meertens Instituut aan de Keizersgracht er uit?

    In Duitsland verscheen onlangs het zevende en laatste deel van Das Büro, de Duitse vertaling van J.J. Voskuils Het Bureau. Het P.J. Meertens-Instituut, de voorloper van het huidige Meertens Instituut, heeft model gestaan voor het A.P. Beerta-Instituut in de romancyclus. Het laatste deel van Het Bureau verscheen in Nederland in 2000.

    Vanwege het verschijnen van het laatste deel van de romancyclus benaderden Duitse media ons met de vraag of wij foto's hebben van het P.J. Meertens-Instituut. Het instituut was tot 1998 gevestigd in een voormalig verzekeringsbankgebouw aan de Keizersgracht nr. 569-571 te Amsterdam. Dat was een statig grachtenpand met kluizen in de kelder en een marmeren ontvangsthal met loketten, waarvan er één lange tijd dienst deed als koffieloket. Twee grote trappenhuizen deelden het pand met zijn vier etages in een voor- en een achtergedeelte. Tot in detail - de trappen, de lichtschacht, de gangetjes en de kamers - is dit gebouw door Voskuil beschreven.

    • De virtuele rondleiding die u op hier kunt volgen, leidt u langs een aantal van deze karakteristieke ruimtes.
    • Enkele weken geleden verscheen er een Duitse podcast over het Meertens Instituut in de tijd van Voskuil.


    Foto: Cor Mooij

  • Over welke audiocollecties beschikt het Meertens Instituut?

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen.

    Het Meertens Instituut beschikt over duizenden uren geluidsmateriaal. Een overzicht van alle collecties is hier te vinden. Het is te veel om ze hier allemaal te beschrijven, daarom geef ik hier een aantal hoogtepunten.

    Dialectatlassen

    Een belangrijke collectie voor het Meertens Instituut is de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND). In totaal werden 16 verschillende delen gepubliceerd tussen 1925 en 1982. Voor deze atlassen werd in ruim 1900 plaatsen in Nederland en Vlaanderen veldwerk gedaan. Per plaats werden twee tot vijf informanten benaderd die 142 zinnen dienden te vertalen. In principe werden de interviews niet opgenomen: de onderzoeker transcribeerde de zinnen ter plekke in fonetisch schrift.  

    Toch zijn er opnames gemaakt door een medewerker van het Meertens Instituut. Dat was Willem Rensink, die onder Jo Daan (die deel 13 over het Noord-Hollands coördineerde) door het land trok om dialectopnames te maken. Rensink liet de mensen die hij bezocht meteen de zinnen van de RND opzeggen. In totaal gaat het om 14 banden met meer dan 30 sprekers. De informanten komen onder andere uit Hulst, IJhorst en Dalfsen. De kaarten van de RND zijn ook beschikbaar via de kaartenbank van het Meertens Instituut. Overigens zijn de meeste dialectopnames terug te vinden in de collectie Vrije gesprekken, ook te beluisteren via de Dialectenbank.

    Jo Daan

    Een andere collectie uit dezelfde tijd als de opnames van de RND, is die van Jo Daan in Amerika. Jo Daan (1910-2006) was van 1939 tot 1975 werkzaam als medewerker en hoofd van de afdeling Dialectologie van het Meertens Instituut. In 1966 deed zij onderzoek in de Verenigde Staten naar de taal van nakomelingen van Nederlandse emigranten. Van dit onderzoek zijn 112 audiobanden beschikbaar met een speelduur van 77 uur.

    Tussen 1989 en 1995 werden nog meer opnames gemaakt van het Amerikaans Nederlands. Dit was onderzoek van Jaap van Marle, destijds directeur van het Meertens Instituut, en Caroline Smits, promovenda aan de UvA. Hun onderzoek was een aanvulling op het onderzoek van Jo Daan in de jaren ’60. De opnames zijn net als die van Jo Daan beschikbaar via de Nederlandse Dialectenbank en via CLARIN.

    Ate Doornbosch

    Ate Doornbosch (1926-2010) was maker van het bekende radioprogramma Onder de groene linde, waarin opnames van oude liederen werden gedraaid. Het programma ging in 1957 van start bij de VARA. Doornbosch wilde een serie van tien programma’s maken, maar de omroep schatte in dat dat te veel zou zijn. Het tweewekelijkse programma werd echter een enorm succes: het trok zo’n 350.000 luisteraars per keer. Uiteindelijk werden het ongeveer 1370 uitzendingen. Veel luisteraars stuurden oude liedschriftjes in die werden gearchiveerd bij het Radio Volkskundig Bureau, dat fungeerde als secretariaat van Doornbosch. Dit archief is later overgedragen aan het Meertens Instituut.

    Vanaf 1976 werd het programma zelfs wekelijks uitgezonden. Ook leverde het programma Doornbosch een wetenschappelijk dienstverband op aan het Meertens Instituut. In 1994 werd het programma beëindigd. Het is daarmee een van de langst lopende radioprogramma’s geweest in de Nederlandse omroepgeschiedenis. De radio-opnames zijn in 2008 vastgelegd in een cd-dvd-box Onder de groene linde. 163 liederen uit de mondelinge overlevering. Ook zijn ze terug te luisteren in de Nederlandse liederenbank.

    Lombok en Transvaal

    Er zijn weinig collecties waarin de samenwerking tussen taalkundigen en etnologen zo goed zichtbaar is als in het project TCULT. Dit acroniem staat voor Talen en Culturen in de Utrechtse wijken Lombok en Transvaal, een door NWO gefinancierd project dat plaatsvond tussen 1998-2002. Het betrof een samenwerking tussen het Meertens Instituut en de universiteiten van Leiden, Amsterdam (UvA), Utrecht en Tilburg. De audiocollectie bestaat uit 162 geluidsbanden.

    Voor TCULT werd volop veldwerk verricht door tien onderzoekers van het Meertens Instituut. Zo werd de taal vastgelegd van diverse groepen sprekers, waaronder Marokkaanse, Turkse en Surinaamse Nederlanders. Maar ook werden verhalen (waaronder moppen) en liedjes uit verschillende culturen opgenomen.

    Bijzonder is ook de collectie Brieven aan de toekomst. In 1998 deed het Meertens Instituut samen met het Nederlands Centrum van Volkscultuur en het Nederlands Openluchtmuseum een oproep aan alle Nederlanders. Hun werd gevraagd een dag uit hun leven te beschrijven, namelijk 15 mei 1998. Meer dan 50.000 Nederlanders uit binnen- en buitenland reageerden hierop. Een deel van de brieven is voorgelezen en vastgelegd in audio-opnames.

    Bronnen:

  • Naar aanleiding van de discussies over het vernoemen van straten naar historische figuren zoals JP Coen vroeg ik me af: Vanaf wanneer worden in Nederland straten vernoemd naar individuen? P. de Leeuw, Leiden.

    De vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen.

    Hoewel er veel publicaties zijn waarin de straatnamen van een bepaalde woonplaats worden verklaard, zijn er weinig boeken die ingaan op de algemene geschiedenis van straatnamen. Maar toevallig is eind vorig jaar wel een heel prettig leesbaar boek verschenen van René Dings: Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Ik heb zijn boek geraadpleegd voor het beantwoorden van deze vraag, en raad het iedereen aan die nog meer interessante feitjes wil lezen over straatnaamgeving.

    Dagelijks gebruik

    Nu vinden we het misschien heel vanzelfsprekend dat we in de Sint Annalaan of de Kerkstraat wonen, maar dat is niet altijd zo geweest. In de middeleeuwen werden nog vooral punten van herkenning gebruikt, om aan te duiden over welke straat men het had: achter de kerk, of bij de markt. Aan het eind van de middeleeuwen kwamen er steeds meer samenstellingen om straatnamen te benoemen, maar die lagen niet vast. Wat voor de een de Dwarssteeg was, kon voor een ander net zo goed de Kerksteeg zijn.

    Hoewel de naamgeving in die tijd vaak gebeurde op basis van herkenningspunten, vond vernoeming van personen ook al plaats. Daarvoor hoefde je geen bijzondere daden te hebben verricht: als je op de hoek van de straat woonde kon de straat zomaar naar je worden vernoemd. Maar de namen ontstonden in die tijd dus gewoon in het dagelijks gebruik; het was niet een hogere instantie die die namen bepaalde.

    Eerste straatnaamborden

    Vanaf de zestiende eeuw zijn er steeds meer voorbeelden van straatnamen te vinden die van hogerhand werden bedacht. In Amsterdam werd bijvoorbeeld een wijk aangelegd met straten die eenzelfde thema hadden: naast de Jonkerstraat en de Ridderstraat, had je ook de Koningsstraat en de Keizerstraat. Maar pas in de eeuwen hierna krijgen straatnamen een echt officiële status. Dat had te maken met een aantal ontwikkelingen.

    Toen in 1795 en 1796 de eerste landelijke volkstelling werd gehouden, begon men uit praktische overwegingen in Amsterdam met het ophangen van straatnaamborden en het nummeren van huizen. Amsterdam was daarmee de koploper in Nederland. Veel andere gemeenten kregen pas straatnaamborden in de negentiende eeuw, toen steeds meer wegen werden verhard.

    Franse invloed

    Met de invoering van de Gemeentewet in 1851 werd de rol van de gemeenteraden vastgelegd, en een van de taken was het vaststellen van de straatnamen. Maar in die allereerste periode hadden vooral aannemers nog veel in de melk te brokkelen. Zij vernoemden bijvoorbeeld graag hun kinderen. De Piet Heinstraat in Utrecht verwijst dan ook niet naar de zeeheld, maar naar de zoons van een lokale aannemer: Piet en Hein.

    Het vernoemen om personen te eren werd pas in de negentiende eeuw gebruikelijk. Volgens Dings speelt Franse invloed mogelijk een rol: vanaf de Franse tijd komt het namelijk veel vaker voor. Inmiddels hebben veel gemeentes een speciale straatnamencommissie, die het college van B & W adviseert. Elke gemeente heeft eigen richtlijnen waar straatnamen aan moeten voldoen, maar op veel punten komen die overeen. Zo mogen alleen personen worden vernoemd die niet meer in leven zijn, onomstreden zijn en een goede reputatie hebben.

    Bron:

    René Dings, Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Nijgh & Van Ditmar 2017. 

  • Weet u waar de woorden pa- en ma-lappen vandaan komen? Het schijnen een soort sukadelapjes te zijn volgens het Amsterdamse slagersjargon. Maar waar komen die woorden vandaan? 

    Met vriendelijke groet, Thera van der Ven

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen

    Geen van onze (Amsterdamse) onderzoekers was bekend met deze woorden, maar op internet zijn er inderdaad bronnen te vinden die verwijzen naar het Amsterdamse slagersjargon. Zoals in een artikel op de website van Acht Uitzendbureau:

    “In het slagersjargon kennen we veel streekbenamingen. Zo zijn er in Amsterdam Ma-lappen en Pa-lappen, spreken we in Rotterdam van Harstkarbonaden en verder wordt er gesproken over Dominostukken, Boomerangs en Ezeltjes. Twee Nederlandse slagers begrijpen elkaar soms niet ondanks dezelfde taal.”

    Ook op een internetforum over koken wordt gezegd dat ‘palappen’ Amsterdams is voor draadjesvlees. Bovendien komen we het woord in deze betekenis tegen op de website Geheugen van Oost, een platform waarop mensen verhalen delen over Amsterdam-Oost. Het verhaal van Cor Lütter speelt in de periode 1935-1939:

    "Ook op de Zeeburgerdijk, tegenover het abattoir, was de veemarkt met in het midden een café-koffiehuis waar de veehandelaren zaken deden, wat beklonken werd met een borrel. Daar zochten de slagers zelf hun vee uit, wat dan via het abattoir en de vleesrijders weer in de slagerij terechtkwam. Dat ging niet zoals nu via de grossiers in kleine stukken, maar halve koeien en varkens tegelijk die daarna in de winkel werden uitgebeend. Alles van het beest werd zoveel als mogelijk verkocht, een kilo pa-lappen met een halfpond niervet."

    Pannenkoek en pannenlap

    Hoewel we dus verschillende vermeldingen van het woord ‘pa-lap’ of 'palap' vinden in de betekenis ‘draadjesvlees’, heb ik geen verklaring voor dit woord kunnen vinden. Een collega wees me op een andere betekenis van ‘palap’: het is namelijk ook een dialectwoord voor ‘pannenkoek’. Wellicht kan de etymologie van dit woord ons verder helpen.

    In het dialect van Okegem (Oost-Vlaanderen) komt het woord ‘palak’ voor, wat volgens kenners van dat dialect voortkomt uit ‘pallap’, wat op zijn beurt een assimilatie is van ‘panlap’. Net zoals we vaak 'zaddoek' zeggen voor 'zakdoek'. Een ‘panlap’ is een pannen- of ovenkoek. In de Verhalenbank komen we ‘palap’ ook tegen in de betekenis van pannenkoek. Het gaat om een verhaal opgetekend in het Vlaamse Ninove.

    Wellicht dat de herkomst van dit Vlaamse dialectwoord, namelijk uit ‘panlap’ (pannenlap), ook opgaat voor het Amsterdamse palap. Een stooflapje of sukadelapje is immers een lap vlees die je lang laat sudderen in een (stoof)pan. Het woord ‘palap’ kan door volksetymologie de betekenis ‘stukje vlees voor vader’ hebben gekregen; en de daaruit voortgekomen betekenis van ‘malap’ laat zich dan makkelijk raden.Toch is dit nog erg speculatief, en zijn er misschien lezers die een betere suggestie hebben? Wij horen het graag!

    foto: Flickr,com, Andrzej MadPole Szymanski via CC BY-NC-ND 2.0

    Bronnen:

    http://www.acht-uitzendburo.nl/index.php/98-is-het-een-nekkie-of-een-schoffie

    https://geheugenvanoost.amsterdam/page/10296/spelen-tussen-de-bedrijven

    http://www.rausa.be/userfiles/rausa%204%202014%20.pdf

  • In de laat middeleeuwse geschriften, protocollen worden veel afkortingen van woorden gebruikt. Hebben deze afkortingen van woorden in Nederland dezelfde betekenis?

    Vriendelijke groet, H.J.Vesters  

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen

    De vorige directeur van het Meertens Instituut, Hans Bennis, schreef in 2015 een boek over het Korterlands. Hij verwees met die term naar het Nederlands van tegenwoordig, waarin veel verkorte taalvarianten worden gebruikt. Met name op berichtendiensten als Whatsapp, waarin mensen snel op elkaar reageren, komen afkortingen veelvuldig voor. Toch zijn verkorte taalvarianten niet nieuw. In zijn boek laat Bennis onder andere zien dat afkortingen van alle tijden zijn. En dat ze bepaalde wetmatigheden volgen.

    Invloed Latijn

    In middeleeuwse handschriften komen bijvoorbeeld ontzettend vaak afkortingen voor. In plaats van afkortingen gebruikt men ook wel de Latijnse term 'abbreviaturen'. Voor een deel gaan die terug op het Grieks en het Latijn. Invloeden uit het Latijn in het Middelnederlands zijn er volop, omdat het Latijn in die tijd veel gebruikt werd als schrijftaal. En in het Latijn werden duizenden afkortingen gebruikt, die allemaal terug te vinden waren in het afkortingenboek van Cappelli.

    Met de hand

    Dat men in de middeleeuwen zo veel afkortingen gebruikte in de geschreven taal had een goede reden. Omdat er nog geen drukpersen waren, moest alles met de hand worden opgeschreven. Om boekwerken te kunnen verspreiden, schreven monniken hele teksten met de hand over. Daarin mochten ze zich wel zekere vrijheden permitteren, niet alleen in de spelling maar ook in het gebruik van afkortingen. Door die vrijheid van de schrijver heb je voor het ontcijferen van een afkorting in een middeleeuws handschrift wél de context nodig. Afkortingen zijn dus niet altijd hetzelfde, maar toch lopen ze ook niet heel erg uiteen.

    Regels

    Er zijn namelijk wel regels te ontdekken in de manier waarop schrijvers in de middeleeuwen afkortingen maakten. Zo is er meestal sprake van suspensie of contractie. In het geval van suspensie zijn er aan het eind van het woord een of meer letters weggelaten. Bij contractie zijn de eerste en laatste letter blijven staan en ontbreken letters daartussenin. Beide principes kom je ook tegen in hedendaagse vormen van afkortingen.

    Herkenning

    Uit het Latijn werden ook bepaalde afkortingsconventies overgenomen. Zo bestond daar de gewoonte om de laatste letter van de afkorting te verdubbelen in het geval van meervoud. Daarom staat ms voor manuscript en mss voor manuscripten, net zoals pp het meervoudige pagina’s betekent, en blzz bladzijden. Vaak werden afkortingen in Middelnederlandse teksten ook voorzien van een speciaal teken: dan stond er boven de letters bijvoorbeeld een horizontaal streepje of een apostrof. Daaraan kon je de afkorting herkennen.

    Bron: Hans Bennis 2015, Korterlands. Anarchie in de schrijftaal. Prometheus, Bert Bakker, Amsterdam.

    Lees ook: Het korterlands is van alle tijden (Meertens Nieuwsbrief 2015)
    _______________________________________

     

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2018) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom houdt het Meertens Instituut zich bezig met acupunctuur?
    Het antwoord wordt gegeven door onderzoeker etnologie Peter Jan Margry.

    De vraag zou eigenlijk moeten luiden:'Waarom houdt het Meertens Instituut zich bezig met alternatieve geneeswijzen?' Sinds 2016 verkent het Meertens Instituut het veld van alternatieve geneeswijzen.

    U denkt nu waarschijnlijk: het Meertens Instituut en genezen, dat past niet bij elkaar. Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Als het Meertens zou willen gaan vaststellen of geneeswijzen deugen dan wel effectief of werkzaam zijn, dan zouden wij buiten ons disciplinaire boekje gaan. Echter, een dergelijk doel is niet wat we beogen. Ons onderzoek houdt zich in het algemeen bezig met cultuurverschijnselen van het dagelijks leven. Daaronder valt het fenomeen van ‘alternatief genezen’. In de praktijk blijkt immers dat genezen niet alleen door medische maar ook door sociale en culturele factoren wordt bepaald. Tussen de verschillende culturen kan de bestrijding van ziekte en pijn aanmerkelijk verschillen. Op wereldschaal bezien is weliswaar de biomedische geneeskunde dominant, maar als je kijkt hoe met name Afrikaanse en Aziatische samenlevingen omgaan met genezen en hoe overal de domeinen van het geneesmonopolie op heel verschillende wijze, en al dan niet op wettelijke basis, zijn afgebakend, dan blijkt er geen universele geneesvorm te bestaan.

    ==De tekst gaat verder onder de afbeelding==

    Op 20 december 2017 vindt de themamiddag 'Alternatief genezen: conflict en harmonie' van het Meertens Instituut plaats. Meer informatie en aanmelden.

     

     

     

    Medische geneeskunde en alternatief genezen: het gaat om twee omvangrijke domeinen van gezondheidszorg die opmerkelijk genoeg grotendeels naast elkaar en ‘disconnected’ functioneren. Door de toename van alternatieve geneeswijzen en het telkens weer oplaaien van discussies daarover in de media bestaat er een urgente vraag naar meer kennis over en duiding van het verschijnsel, zodat hierover een meer constructief perspectief, zonder alle emoties en misverstanden, tot stand kan komen. Het is zinvol om op een andere manier dan de medische naar het verschijnsel van alternatief genezen te kijken, zowel naar concrete gevallen als naar de impact op de samenleving als geheel.  

    Genezen en alternatief genezen zijn van alle tijden, maar in het recente verleden is de balans tussen beide aanzienlijk verschoven in onze samenleving. In de afgelopen jaren hebben we gezien hoe de markt voor ‘niet-medische’ vormen van genezen zich heeft verbreid, vernieuwd, geprofileerd, en bovenal een steeds vanzelfsprekender plaats in het leven van alledag is gaan innemen. Dat laatste beperkt zich allang niet meer tot degenen die als ‘zwevers’ bekendstaan. Integendeel, we hebben te maken met een massaal gevoelde behoefte binnen de Nederlandse samenleving.


    Het is daarmee een relevant thema voor een onderzoeksinstelling als het Meertens Instituut, dat zich ten doel stelt de cultuur van het dagelijks leven te onderzoeken. De behoefte aan kennis over de socio-culturele kanten van alternatief genezen is immers groot. Vroeger gebeurde dergelijk onderzoek met behulp van ‘Volkskundevragenlijsten’, tegenwoordig gebruiken we informatie die afkomstig is van het zogenoemde Meertens Panel, een online platform waarmee we een groot aantal Nederlanders thematisch kunnen bevragen. In het verleden zijn irreguliere genezeressen object van onderzoek geweest. Een curieus voorbeeld van volksgeneeskundig onderzoek ging over de aan de tortelduif verwante lachduif die vroeger in kooien boven de keukendeur werd gehangen, ter genezing van huidziekten. Bedevaarten en genees- en beschermheiligen zijn zelfs systematisch door ons onderzocht, en sinds kort beschikken we over een online platform voor wetenschappelijk onderzoek naar alternatieve geneeswijzen (www.rahrp.org).

    > Op 20 december 2017 vindt de themamiddag 'Alternatief genezen: conflict en harmonie' plaats. Meer informatie en aanmelden.
    > In januari 2018 verschijnt het zogenoemde nieuwjaarsboekje van het Meertens Instituut, dat dit jaar over alternatieve geneeswijzen gaat. Meer informatie volgt.
    > In 2016 werden de eerste uitkomsten van het onderzoek n.a.v. de vragenlijsten over alternatief genezen gepresenteerd.

    Foto's: 1. Flickr.com, Side (CC BY 2.0), 2. Peter Jan Margry, 3. Vragenlijst Meertens Instituut

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (december 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     


     
  • Werden nonnen vroeger weleens ingemetseld in de muur van een kerk of klooster?

    De vraag wordt beantwoord door Lisanne van Kesteren, stagiair bij de Volksverhalenbank.

    De middeleeuwen staan vaak – deels ten onrechte – bekend als erg wreed. Zo doen verhalen de ronde waarin nonnen als straf werden ingemetseld of levend werden begraven. Een voorbeeld hiervan is de sage van de non van Singraven. In dit verhaal wordt een non onkuis bevonden door andere nonnen. Na een schijnproces wordt ze ingemetseld in de muur van het klooster. Dagenlang is haar gekrijs en gejammer te horen, maar daarna wordt het stil. Het begint te spoken in het klooster. De geest van de non kan zelfs eeuwen nadien nog angst inboezemen bij mensen uit Singraven.

    Door dit soort verhalen denken veel mensen dat nonnen vroeger als straf of boetedoening (penitentie) werden ingemetseld. Dit is echter niet meer dan een fabel, want penitentie bestond, nadat er gebiecht was, over het algemeen uit bidden en goede daden verrichten. Het vrijwillig inmetselen van nonnen gebeurde echter wel in een andere betekenis van het woord: voor hen was het een persoonlijke keuze om zich in te laten sluiten als kluizenares. Een goed voorbeeld hiervan is Suster Bertken.

    In 1457 liet deze dertigjarige zuster zich op deze manier vrijwillig inmetselen in de Utrechtse Buurkerk, om zich niet langer door het wereldse te laten afleiden en zich in alle vroomheid aan God te kunnen wijden. Zij leefde in totaal 57 jaar in haar ‘kluis’, welke een kamer was van een paar vierkante meter groot. Ze bezat een bed, een tafel en een stoel en er was een deur die door een geestelijke geopend kon worden in geval van nood, ziekte of overlijden. Daarnaast zaten er twee raampjes in de kluis. Door het ene raam kon ze het hoofdaltaar van de kerk zien, waardoor ze alle vieringen kon bijwonen. Het andere raam zat aan de straatzijde, wat ervoor zorgde dat Suster Bertken kon praten met voorbijgangers die haar advies of een luisterend oor nodig hadden.

    Op de Maartensbrug tegenover de Buurkerk in Utrecht is een lantaarnconsole te zien waar de inmetseling van Suster Bertken staat afgebeeld. Op deze plek kunt u het verhaal van Suster Bertken lezen en beluisteren dankzij de nieuwe route van Sagenjager.nl. Dit is een wandelroute genaamd ‘Kleurrijk Utrecht’, die loopt door het centrum van de stad. In deze route zijn veel verschillende verhalen opgenomen, die variëren van oude legenden (zoals Suster Bertken) tot moderne broodjeaapverhalen over de Utrechtse studenten en sprookjes uit Turkije en Marokko.

    Heeft u zin om de oude Domstad eens op een andere manier te bekijken? Loop dan mee met de Sagenjager en laat u verrassen door de grote verscheidenheid aan verhalen die in deze stad de ronde doen.
     

    Foto's: 1. Het huis van Singraven (Verhalenbank), 2. Suster Bertken bij de Maartensbrug (Wikipedia, Kattenkruid CC BY 3.0)

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (november 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     
  • Welk onderzoek kun je doen met de Liederenbank?

    De Liederenbank van het Meertens Instituut wordt veel geraadpleegd door muziekwetenschappers, letterkundigen en een algemener publiek. De afgelopen 25 jaar is de functionaliteit van de databank alleen maar toegenomen. Liedonderzoekers van het Meertens Instituut en de Universiteit Utrecht beschrijven de achtergrond en onderzoeksmogelijkheden in een recent artikel in International Journal on Digital Libraries.

    door Mathilde Jansen

    De Nederlandse Liederenbank is een digitale verzameling van Nederlandse liedcultuur, beschikbaar via een online interface. De databank werd in de jaren 1990 opgezet door musicoloog Louis Peter Grijp (1954-2016). De databank bevat circa 173 duizend vindplaatsen van Nederlandse liederen, uit bronnen variërend van de twaalfde eeuw tot nu. Het gaat om liefdesliederen, spotliedjes, religieuze liederen, kinderliedjes, kerstliedjes et cetera. In de meeste gevallen is een directe link te vinden naar de bron, een scan of een geluidsopname.

    In het tijdschrift International Journal on Digital Libraries zetten Peter van Kranenburg, Martine de Bruin en Anja Volk uiteen hoe de Nederlandse Liederenbank zich heeft ontwikkeld tot een betrouwbare en toegankelijke bron voor kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Verschillende onderzoeksprojecten worden aangehaald om de veelzijdigheid van het materiaal te tonen.

    Strofeschema

    Om de betrouwbaarheid van de databank te waarborgen, is het digitaliseren van de liederen vooral handmatig verricht. Ook zijn de ingevoerde liederen steeds door twee medewerkers gecontroleerd. Verder zijn allerlei functionaliteiten toegevoegd om het doorzoeken van de databank te vergemakkelijken. Zo zijn liederen die gezongen kunnen worden op eenzelfde melodie aan elkaar gelinkt via een berekening van het strofeschema (of ‘stanza form’). Hiermee kan in een aantal gevallen de melodie achterhaald worden van liederen waarvan alleen de tekst is overgeleverd.

    Via diverse projecten is de databank steeds uitgebreid. Zo is het Nederlands Volksliedarchief, een kaartsysteem begonnen in de jaren 1950, volledig ingevoerd in de Nederlandse Liederenbank. Ook zijn nagenoeg alle liederen uit bronnen van vóór het jaar 1600 opgenomen in de liederenbank. De opnames van het populaire radioprogramma Onder de Groene Linde zijn allemaal gedigitaliseerd en met metadata toegevoegd. In recentere projecten zijn er nog eens 17 duizend melodieën bij gekomen.

    Muzikaal geheugen

    De Nederlandse Liederenbank is een unieke collectie. Volgens de auteurs bestaat er geen andere liederenbank die er zo goed in slaagt om verschillende facetten van de liedcultuur van een land te documenteren. Niet alleen zijn er bronnen te vinden uit verschillende periodes, ook zijn er veel diverse genres opgenomen, die op verschillende manieren doorzoekbaar zijn. Voor kwantitatief onderzoek zijn de data voor onderzoekers ook te downloaden in grote bestanden.

    Ook voor onderzoek naar de menselijke cognitie biedt de databank bruikbare data. De collectie Onder de groene linde bevat duizenden opnames van mensen die liederen zingen. Daarmee is dit een bijzonder interessante bron voor het bestuderen van collectief muzikaal geheugen. Omdat veel melodieën op elkaar lijken, maar toch niet precies hetzelfde zijn, biedt de liederenbank ook onderzoeksmateriaal voor het bestuderen en computationeel modelleren van muzikale gelijkenis.

    Buiten de grenzen

    Hoewel we te maken hebben met een Nederlandse Liederenbank, zijn niet alleen Nederlandstalige liederen beschreven. De databank bevat ook bijvoorbeeld Latijnse, Franse en Duitse liedteksten, die deel uitmaken van de Nederlandse liedcultuur. Bovendien ‘stoppen liederen niet bij de grens’, aldus de auteurs. Samenwerking met andere liedcollecties staat daarom hoog op de agenda van de onderzoekers.

    Ook wijzen de auteurs aan het eind van het artikel nog op een paar punten ter verbetering. De negentiende eeuw is ondervertegenwoordigd, evenals Vlaamse liederen, theatermuziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, kinderliedjes uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Het aanvullen van de databank met deze leemtes is nog een uitdaging.

    Een volledige dataset van volksliederen bestaat niet, zo weten de onderzoekers. Immers, veel historisch liedmateriaal is simpelweg verloren gegaan. Toch zullen ze alle zeilen bijzetten om de Nederlandse Liederenbank de komende jaren in dit opzicht nog verder te verbeteren.

    Bron:

    Peter van Kranenburg, Martine de Bruin en Anja Volk: Documenting a song culture: the Dutch Song Database as a resource for musicological research. International Journal on Digital Libraries (13 september 2017)

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (oktober 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom hoor je steeds vaker: het boek wat op tafel ligt? Ik heb op school geleerd dat je moet zeggen: het boek dat op tafel ligt.

    Het antwoord wordt gegeven door Nicoline van der Sijs, senior-onderzoeker variatielinguïstiek aan het Meertens Instituut en hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands aan de Radboud Universiteit.
     
    De variatie in het betrekkelijk voornaamwoord (dat en wat) is het gevolg van een taalverandering die al eeuwen aan de gang is. Eenzelfde variatie bestaat er tussen die en wie, denk maar aan Cruijffiaanse uitspraken als de man wie de bal heb of ik ben geen type wie achter de dingen aanloopt.
     
    Betrekkelijke bijzinnen zijn binnen de Germaanse talen ontstaan uit de koppeling van twee hoofdzinnen: (daar is) een boek en dat ligt op tafel. Hierin is dat een aanwijzend voornaamwoord. De koppeling werd verkort tot: (daar is) een boek dat op tafel ligt. Zo ontwikkelde het aanwijzende voornaamwoord zich tot een betrekkelijk voornaamwoord. 
     
    Middeleeuwen
     
    In de middeleeuwen werden betrekkelijke bijzinnen ingeleid door de betrekkelijke woorden dat, die of daar. Men schreef bijvoorbeeld:
     
    Doet dat ic u rade
    Enen man, die ic u aldus bescrive
    Dese rike man heeft een rikelijc pallaes, daer hi woont
    Mijn volck, daer over ick u Koningh gemaeckt hebbe
     
    Tegenwoordig zeggen we nog steeds: een man die ik als volgt beschrijf. Maar in alle andere gevallen gebruiken we een betrekkelijk woord dat begint met een w-: doe wat ik u aanraad, deze rijke man heeft een prachtig paleis waar hij woont en mijn volk, waarover ik u koning heb gemaakt
     
    Daarnaast bestaan er van oudsher vragende bijzinnen, die in de middeleeuwen, net zoals tegenwoordig, werden ingeleid met wat, wie of waar: 
     
    Die meestre vrageden wat hem dert ‘de meester vroeg hem wat hem verdriet deed’
    Si vraegden onsen Here wie soude sijn haer leitsman ‘ze vroegen aan de Heer wie hun leidsman zou zijn’
    Hine wiste niet doe waer hi was? ‘hij wist toen niet waar hij was.’ 
     
    In de middeleeuwen kon een bijzin dus, afhankelijk van de betekenis, beginnen met dat of wat, die of wie en daar of waar. Maar voor de taalgebruiker was het niet altijd duidelijk of er sprake was van een betrekkelijke dan wel een vragende bijzin, omdat de zinsconstructies alleen van elkaar verschillen in de keuze van het betrekkelijke woord. De meeste bijzinnen begonnen in die tijd met een d-vorm.
     
    Standaardnederlands
     
    In de loop van de tijd werden de d-vormen steeds vaker vervangen door een w-vorm. Dat gebeurde geleidelijk en niet voor alle betrekkelijke woorden tegelijk. De verandering begon bij de betrekkelijke voornaamwoordelijke bijwoorden. In de middeleeuwen werden hiervoor vrijwel alleen d-vormen gebruikt: daar, daar in, daar van etc. In de zestiende en zeventiende eeuw komen vormen met w- en met d- naast elkaar te staan, in de achttiende en negentiende eeuw raken de w-vormen in de meerderheid en in de twintigste eeuw zijn de d-vormen in het Standaardnederlands verdwenen. 
     
    In de standaardtaal lees je daarom nooit meer: de bank daar ze op zaten of de bank daarop ze zaten. In de Nederlandse dialecten komt dit incidenteel nog wél voor, zo blijkt uit het onderstaande kaartje uit de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (SAND), met name in Zeeland, Noord-Brabant en Friesland. Opvallend is echter dat er vrijwel geen dialecten zijn met alléén een d-vorm. Daaruit blijkt dat de verandering van daar naar waar als betrekkelijk bijwoord vrijwel voltooid is.
     
     
    Bijbelvertalingen
     
    Ook het betrekkelijke voornaamwoord dat werd in de loop van de tijd steeds vaker vervangen door wat. De verandering begon in de gevallen waar sprake was van een zogenaamd ingesloten antecedent, zoals in: je moet doen wat hij zegt. Hier betekent wat zoveel als ‘hetgene dat’. Aanvankelijk gebruikte men in dergelijke zinnen dat. Zo luidt Genesis 41: 55 in de Delftse bijbel uit 1477: gaet tot ioseph: ende so wat dat hi u seit dat duet. De Statenvertaling uit 1637 vertaalt dit als: Gaet tot Ioseph, doet wat hy u seyt
     
    De verandering van dat in wat als ingesloten antecedent is door Judith Schoonenboom in haar dissertatie uit 2010 mooi in kaart gebracht. Het blijkt dat in de loop van de tijd dat steeds vaker wordt vervangen door wat; daarnaast komt in deze context ook hetgeen (dat) op:
     
                dat       wat       hetgene dat       hetgeen
    1399    87       13       -                        -
    1538   61       29      10                       -
    1637   20       21        7                       52
    1884     3       38         6                      53
    1951     -        72        -                        8
    Percentages onzijdige relativa in bijbelvertalingen, uit Schoonenboom (2010), Analyse, norm en gebruik als factoren van taalverandering
     
    Officiële regels
     
    Inmiddels is dat in het Standaardnederlands als ingesloten antecedent overal vervangen door wat. Wat wordt ook gebruikt als er wordt verwezen naar een hele zin (hij veranderde het voorstel, wat we goedvonden), naar een woord van onbepaaldheid (alles/niets/veel wat), of naar een bijvoeglijk naamwoord, vaak de overtreffende trap (het eerste wat je moet doen). 
     
    Volgens de officiële regels moet daarentegen dat worden gebruikt als er wordt verwezen naar een bepaald of onbepaald onzijdig zelfstandig naamwoord: het boek dat op tafel - dit is de regel waarnaar de vragensteller verwijst. Volgens die regel is het boek wat op tafel ligt dus fout. Voor veel taalgebruikers is deze regel onnatuurlijk, en het gevolg is dat we momenteel veel variatie vinden. De vervanging van dat door wat is in deze context al eeuwen geleden begonnen. Een van de oudste voorbeelden vinden we in 1597: alle de vrintschap wadt men soude moeghen doen ‘alle vriendschap die men zou kunnen geven’. In 1657 is sprake van den sacrament watter geschreven wordt ‘het sacrament dat geschreven wordt’. 
     
    Die wordt wie
     
    Het minst ver gevorderd in het Nederlands is de vervanging van die door wie. Volgens de officiële regels mag wie alleen worden gebruikt bij een ingesloten antecedent: wie het weet, mag het zeggen. Vroeger zei men: die het weet, mag het zeggen. Ook deze verandering is al eeuwen aan de gang. In 1584 verbeterde de letterkundige Hendrik Laurensz. Spiegel de zin wie zyn acker boud [bebouwt] zal bróóds ghenoegh hebben, die hij in een bijbelvertaling had aangetroffen, in: die zyn acker boud. De opmars van wie was op dat moment kennelijk al begonnen. 
     
    In alle andere gevallen moet men volgens de schrijftaalregels het betrekkelijk voornaamwoord die gebruiken: de man die ik zag. In de spreektaal hoor je hier echter vaak wie: de man wie ik zag of dat is een man wie veel kan hebben. Toch staat die momenteel nog sterk, zelfs in de Nederlandse dialecten. Uit het kaartje uit de SAND blijkt dat in de zin Dat is de man die het verhaal heeft verteld veel vaker die wordt gezegd dan wie
     
    Algemene tendens
     
    Wat is nu de oorzaak van deze veranderingen? Er spelen verschillende factoren een rol. Een achterliggend mechanisme is in ieder geval dat taalgebruikers één vorm prefereren boven twee vormen waarvan de keuze onderworpen is aan ingewikkelde regels. De veranderingen blijken daarbij te verlopen van onbepaalde naar bepaalde antecedenten, zo heeft taalkundige Joop van der Horst laten zien: ze beginnen bij zinnen met ingesloten antecedent, gaan dan naar gevallen waarin het betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een hele zin of naar een onbepaald woord als alles, en treden als laatste op bij verwijzingen naar bepaalde, concrete zelfstandig naamwoorden (de man wie). Bij die uitbreiding zal frequentie een rol spelen: taalleerders (kinderen of immigranten) gaan de steeds vaker voorkomende w-vormen overgeneraliseren en in alle contexten gebruiken. 
     
    Intrigerend is dat er sprake lijkt te zijn van een algemene tendens, want in het Engels en Duits vinden vergelijkbare veranderingen plaats. In het Engels is that sinds de 16de eeuw geleidelijk aan steeds vaker vervangen door who en vooral what. In de Duitse spreektaal is was ook aan een opmars bezig ten opzichte van das: das Ding, was ich gekauft habe. 
     
    Voor wat betreft het Nederlands is één ding zeker: uiteindelijk blijven alleen wat en wie over als betrekkelijke voornaamwoorden. Wen er maar aan. Immers, de taalfout van nu is de norm van morgen.