In Memoriam Jacobus Gerardus Kruisheer

PUBLICATIEDATUM
14 June 2020

Op 23 april 2020 overleed na een ziekbed waarin hem steeds minder activiteiten waren vergund, Jaap Kruisheer op de eerbiedwaardige leeftijd van 87 jaar. Jaap was vanaf het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw tot 1996 verbonden aan het Meertens Instituut. Daarna bleef hij als gastonderzoeker nog tot 2005 actief voor het Oorkondenboek van Holland en Zeeland.


Jaap studeerde Middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde af bij professor J.F. Niermeijer bij wie kritische bronnenleer en oorkonden destijds de hoofdbestanddelen van het universitair curriculum vormden. Kort na zijn afstuderen, natuurlijk op een diplomatisch onderwerp, werd hij aangesteld als assistent van Anton Koch, de archivaris en bibliothecaris van Deventer die daarnaast ook, in opdracht van de KNAW, sinds 1952 werkte aan het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. Jaap kwam daarvoor in dienst bij de Stichting ZWO (de voorloper van NWO) en verrichtte zijn werkzaamheden thuis, in Maarssen. In 1970 verscheen het eerste deel van het Oorkondenboek met oorkonden tot 1222. Rond die tijd was bij ZWO de mening gevormd dat voor projecten die door de KNAW waren geëntameerd en onder haar auspiciën werden uitgevoerd, de Akademie nu eens eindelijk de eigen broek moest ophouden. Met het verdwijnen van de ZWO-subsidies werd de bewerking van het Oorkondenboek vanaf dat moment een echte KNAW-aangelegenheid. Dit leidde uiteindelijk bij Anton Koch tot het besluit dat hij als lid van de KNAW niet zijn eigen werkgever kon zijn als bewerker. Koch stopte als bewerker en werd door Jaap opgevolgd. Nu was de KNAW destijds niet zo geporteerd van thuiswerken. Er moest derhalve voor Jaap een andere werkplek worden gevonden. Dick Blok, lid van de Commissie van Toezicht, zag zijn kans schoon Jaap naar het instituut te halen waarvan hij toen reeds enige jaren directeur was. Zo deed Jaap zijn intrede op het instituut dat later het Meertens Instituut zou gaan heten.

Met de komst van Jaap breidde de directie van de KNAW het Meertens Instituut uit met een aparte afdeling Oorkondenboek, hoewel dit nooit in de naamgeving van het instituut of door een bordje op de gevel zou blijken. Maar Jaap was wel afdelingshoofd en maakte later ook uit dien hoofde deel uit van de Instituutsraad. Een echte afdeling zou het Oorkondenboek echter lange tijd niet zijn. Pas in 1983 kreeg Jaap voor de duur van één jaar een assistent. Twee jaar later ontstond er gedurende enige jaren een echte afdeling met meerdere medewerkers. Er was assistentie voor de automatisering van het editieproces, er waren vrijwilligers, soms ook met een deeltijdaanstelling voor de samenstelling van een index op het Oorkondenboek. Er kwamen stagiaires en administratieve ondersteuning; Jaap werd de co-promotor van Jan Burgers en ondergetekende. Na al die jaren in eenzaamheid te hebben gewerkt aan een bijna oneindig project deed dat hem zichtbaar deugd. Hij was toen ook een echt afdelingshoofd, met aandacht voor het wel en wee van zijn personeel, die hij bijvoorbeeld meenam voor een schaatstocht op de Meije (dat kon toen nog) gevolgd door een maaltijd (boerenkool) bij hem thuis.

Met het verschijnen van deel twee van het Oorkondenboek in 1986 vestigde Jaap definitief zijn naam als uitgever van oorkonden. De door Anton Koch opgezette vorm werd veelal nauwgezet gevolgd, maar de kopnoten waren van een andere orde. Ten dele kwam dat door het andersoortige materiaal. Ná 1220 speelde het onderwerp van echtheid of onechtheid van oorkonden veel minder dan daarvoor. Een grotere rol speelde de interesse van Jaap voor het ontstaan van de oorkonden en dan met name voor het ontstaan van de stedelijke keuren. Voor ongeduldige onderzoekers liet misschien deel II van het Oorkondenboek lang op zich wachten (16 jaar), maar daarna volgde steeds dikkere delen elkaar in een steeds hoger tempo op: deel III in 1992 en deel IV in 1997. Het verschijnen van die laatstgenoemde delen waren omlijst met een wetenschappelijke bijeenkomst en een groots opgezet feest.

Terwijl de opvolger van directeur Blok zich bezighield met het introduceren van een prikklok (naar zeggen met als meest geavanceerde onderdeel een toets om te melden dat een personeelslid oppositie ging voeren bij een promotie) en het turven van publicaties van zijn personeel, groeide Jaap Kruisheer uit tot een toonaangevend bronnenuitgever en historicus, die ook internationaal erkenning vond. Zo werd hij door de prestigieuze Monumenta Germaniae Historica benoemd tot een van de bewerkers van de oorkonden van rooms-koning Willem in hun Diplomata-Abteilung.

Het Oorkondenboek van Holland en Zeeland is het levenswerk van Jaap geweest. In 1963 begon hij als assistent van Anton Koch en werd zo betrokken werd bij de totstandkoming van het eerste deel, in 2005 stopte hij met een lezing tijdens het congres in de Rolzaal in Den Haag waarbij het laatste en vijfde deel van het Oorkondenboek ten doop werd gehouden. Nog veel meer dan Koch, de ontwerper en de bewerker van het eerste deel, wordt het Oorkondenboek vereenzelvigd met Jaap Kruisheer, de hoofdbewerker van de delen twee, drie en vier en ook zeer intensief betrokken bij de totstandkoming van het vijfde en laatste deel. Een editie die dankzij zijn acribie en inspanning, nog door vele generaties historici zal worden gebruikt.
In de opzet van het oorkondenboek had Koch ervoor gekozen de hele overlevering te verzamelen en ook in druk weer te geven: alle afschriften tot 1795 en alle eerdere drukken en regesten. Over het nut hiervan is door sommigen wel getwijfeld, terwijl anderen onmiddellijk de rijkdom ervan in zagen: in één oogopslag was in de editie de rol in de historiografie van de desbetreffende oorkonde vanaf de uitvaardiging zichtbaar: van een oorkonde die nooit de aandacht had opgeëist en dan ook nooit was afgeschreven of gedrukt, tot oorkonden waarvan tientallen afschriften en drukken voorhanden zijn.

De grote meerwaarde van deze wijze van editeren heeft Jaap aangetoond met het overleveringsonderzoek waarbij niet alleen het origineel maar ook alle afschriften en drukken bij het onderzoek werden betrokken. Uit dit onderzoek kwam met enige regelmaat naar voren dat sommige afschriften niet te herleiden waren naar het origineel, maar waren afgeschreven van een concept dat verloren was gegaan. Uit de overlevering van de afschriften van het concept in het archief van de instantie waarvoor het privilege was bestemd, bleek dat het concept aldaar was opgesteld.

Het bijzondere in de wetenschappelijke carrière van Jaap Kruisheer is dat hij altijd het uitgeven van bronnen en het verrichten van vraag gestuurd historisch onderzoek heeft gecombineerd.

‘De tekstuitgever moet (..) zelf ook onderzoeker zijn. Hij moet zich bij de genoemde onderzoekers voegen. Hij moet zich alle vragen stellen die de eerdere onderzoekers zich stelden, en alle verdere relevante gegevens die hem bekend zijn naar voren halen. En dat alles moet hij doen op een duidelijke en doorzichtige manier, en tegelijk met zo veel terughoudendheid dat de gebruiker van de editie zich niet bij voorbaat al een onmondige voelt.’ Aldus Jaap Kruisheer zelf in 1993 (BMGN 108 (1) 14).

Dit combineren van het werk van uitgever en onderzoeker was hij al begonnen ten tijde van zijn assistentschap bij Koch. Hij deed toen onderzoek naar het ontstaan van de oorkonden van de graven van Holland en Zeeland. In 1971 promoveerde hij op dit onderwerp aan de Universiteit van Amsterdam bij prof. C. van de Kieft. Telkens weer gebruikte hij het materiaal dat hij voor de bewerking van de editie had verzameld voor gericht historisch onderzoek, en verrijkte hij vervolgens de editie met de resultaten van dit onderzoek. Het is juist Jaap geweest die de grote rijkdom van de editie van het Oorkondenboek ten volle heeft benut bij zijn onderzoek naar de stedelijke rechten in Holland en Zeeland in de dertiende eeuw waarbij het overleveringsonderzoek een belangrijke rol speelde bij de bestudering ervan. Hierbij wist hij aan te tonen dat deze stedelijk keuren tot stand waren gekomen op initiatief van de stedelingen zelf. In die tijd een volstrekt nieuw inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het stedelijk landschap van Holland en Zeeland dat grote impact had op de historiografie.

Kenmerkend voor de historicus Jaap Kruisheer was de combinatie van behoedzaamheid en een zekere mate van zelfverzekerdheid. De Commissie van Toezicht op het Oorkondenboek was in eerste instantie niet meer dan een aantal leden van de KNAW dat éénmaal per jaar bijeenkwam en vooral naar de voortgang van het project keek. Op verzoek van Jaap werd dit een soort werkcomité dat nauwgezet iedere bewerking becommentarieerde. Hieruit sprak een zekere onzekerheid of hij het wel goed deed, maar aan de andere kant ook een mate van zekerheid. Het getuigt van lef om je zo open te stellen voor kritiek, letterlijk op ieder aspect van je dan nog niet voltooide werk. Die bijeenkomsten in de jaren zeventig en tachtig waren van een bijzondere aard. Bij binnenkomst werden alle leden bij hun voornaam door Jaap begroet, maar eenmaal gezeten en na opening van de vergadering werd eenieder formeel bij titel en achternaam genoemd. Notulen werden er niet gemaakt. Het was aan Jaap als bewerker naar eigen inzicht de gemaakte opmerkingen te verwerken. Een Commissie van toezicht behoorde immers niet op de stoel van de bewerker te gaan zitten.

Het viel Jaap niet altijd mee om te accepteren dat er door sommige historici nogal losjes werd omgesprongen met de door hem met zoveel nauwkeurigheid bijeengebrachte gegevens. Ook op het punt van methodologie kon hij zich soms wat rigide opstellen. Anderzijds was hij steeds weer bereid veel tijd te steken in het beantwoorden van vragen door vakgenoten. Hij was daarbij altijd bescheiden, waarbij hij er de voorkeur aan gaf alleen uitspraken te doen op terrein waar hij zichzelf echt deskundig achtte. Jaap werkte graag met anderen samen. Dit blijkt onder andere uit zijn betrokkenheid bij het tijdschrift Holland en de reeks Hollandse Studiën. Verder was hij een van de initiatiefnemers van de Belgisch-Nederlandse werkgroep Schrift en Schriftdragers in de Nederlanden in de Middeleeuwen waarin codicologen, paleografen en diplomatici de drie disciplines dichter bij elkaar proberen te brengen. In 1988 was hij betrokken bij het opstellen van de Richtlijnen tot het uitgeven van historische bescheiden. Ook zijn publicaties geven regelmatig de samenwerking met anderen te zien. Belangrijk was voor hem zijn begeleiding van zijn leerlingen, assistenten en stagiaires.
Een groot historicus en bronnenuitgever, een beminnelijk mens!

Amsterdam, juni 2020.
Eef Dijkhof