Articles

Variatielinguïstiek

Het onderzoek op het terrein van de taalvariatie richt zich op de talige verscheidenheid binnen het Nederlands. Het kent twee verschillende invalshoeken: de talige en de buitentalige. In de talige benadering vormen formele theorieën ten aanzien van syntaxis, morfologie en fonologie het uitgangspunt; voor de buitentalige invalshoek - waarbij het vooral gaat om geografische, sociale, diachrone en culturele aspecten van taalvariatie - spelen dialectgeografische, sociolinguïstische, diachrone en etnolinguïstische inzichten en benaderingen een sturende rol. Naast strikt taalkundige variatie wordt in de onderzoeksgroep ook naamkundige variatie onderzocht. Hierbij gaat het om persoonsnamen (voor- en familienamen) en aardrijkskunde namen (onder meer toponiemen, veldnamen en straatnamen).

De wetenschappelijke bestudering van taalvariatie is er op gericht om deze verscheidenheid in kaart te brengen, waarbij onderzocht wordt welke variabelen in het geding zijn. Een traditioneel belangrijk onderdeel van het onderzoek betreft geografische variatie waarbij onderzocht wordt welke aardrijkskundige parameters een rol spelen bij het optreden van taalvariatie; dit is vanouds het domein van de dialectologie. Terwijl de dialectologie zich richt op de vaak minieme verschillen tussen variëteiten ('microvariatie'), concentreert de sociolinguïstiek zich op taalvariatie binnen afzonderlijke taalvariëteiten. Waar de dialectologie de talige variatie plaatst in de aardrijkskundige ruimte, graaft de sociolinguïstiek in de sociale diepte. Daarbij wordt variatie in taalgebruik verbonden met sociale structuren (sociaal-economische klasse, sociale netwerken, sexe van de sprekers en dergelijke) en processen (zoals sociale mobiliteit). In dat laatste verband wordt ook veel aandacht besteed aan de samenhang met kenmerken van de interactiesituatie (zoals bijvoorbeeld de rollen van de sprekers, de graad van formaliteit of geritualiseerdheid en de thematische stroomlijning van de interactie). Daarnaast wordt er tegenwoordig in toenemende mate onderzoek gedaan naar variatie die samenhangt met culturele of etnische factoren. De hedendaagse samenleving is niet langer monocultureel; in een dergelijke omgeving treedt variatie op die bepaald wordt door de culturele herkomst/afkomst van de spreker (bijvoorbeeld Turks-Nederlands versus Antilliaans-Nederlands). Men spreekt in dit verband wel van etnolecten.

Het onderzoek naar taalvariatie kent ook andere invalshoeken. Behalve vanuit de bovengenoemde buitentalige (geografische, sociale, culturele) invalshoeken, kan men variatie ook vanuit een talig perspectief bekijken. In theoretisch taalkundig opzicht is de hierboven geschetste 'microvariatie' interessant omdat de ruimte waarbinnen een taal variatie lijkt te kunnen vertonen, beperkt is; dat geldt ook voor het Nederlands. Het taalsysteem is bepalend voor de variatieruimte, en daarmee kan onderzoek naar bestaande variatie licht werpen op de organisatie van dit taalsysteem.