Feesten

In Nederland worden talloze feesten gevierd. Waarom en op welke manieren vieren mensen feest? Op deze webpagina vindt u beknopte informatie over twaalf traditionele jaarfeesten. Jaarfeesten hebben als kenmerk dat ze elk jaar op vaste data in het publieke domein worden gevierd.
  • Halloween, ook genoemd All Hallows' eve(ning), is de Engelse naam voor allerheiligenavond. Het feest wordt gevierd op 31 oktober, de avond voor Allerheiligen.

    Read more...
  • Op 11 november wordt het feest van Sint-Maarten gevierd. Tussen ongeveer zes en acht uur 's avonds mogen kinderen met een lampion in de hand langs de deuren lopen. Na het aanbellen zingen ze liedjes ter ere van Sint-Maarten en verwachten daarvoor een traktatie, doorgaans bestaande uit snoep of fruit.

    Read more...
  • Op 5 december is het in Nederland sinterklaasavond. Zo'n 65% van de bevolking viert dan de 'verjaardag' van Sinterklaas en men geeft elkaar uit naam van de goedheiligman cadeautjes. Ten onrechte denkt men vaak dat dit een eeuwenoude traditie is. Read more...
  • Op de tweede zondag van mei is het moederdag. Naar Amerikaans voorbeeld wordt deze dag in Nederland sinds ongeveer 1925 gevierd. De achterliggende gedachte, in haar meest algemene vorm, is dat de moeders, die het hele jaar het gezinsleven draaiend hebben gehouden en het leeuwendeel van de zorgtaken hebben vervuld, op deze ene dag daarvan vrijgesteld zijn en op een voetstuk geplaatst worden. Read more...
  • Op 4 oktober is het werelddierendag, de dag waarop overal ter wereld wordt stilgestaan bij de rechten van de dieren in onze samenleving. 4 oktober is ook de sterfdag van Sint-Franciscus van Assisi (1181-1226), de grondlegger van de kloosterorde der Franciscanen. Read more...
  • De naam Pinksteren is afgeleid van het Griekse woord 'pentekoste' dat vijftigste (dag) betekent. Het is het feest van de vijftigste dag na Pasen. Read more...
  • ‘Valentijnsdag – dat is toch iets buitenlands, iets commercieels?’

    Tekst door John Helsloot

    Puur feitelijk gezien klopt dat ongeveer wel. Als de dag om te laten merken dat je verliefd was op iemand werd Valentijnsdag bedacht in Engeland, zo omstreeks het jaar 1400. Omdat dat zo lang geleden is, is nu niet meer goed te achterhalen waarom daarvoor uitgerekend de 14e februari werd gekozen, de dag waarop de rooms-katholiek kerk de heilige Valentijn vereerde. Je zou kunnen denken dat er iets in het leven van deze Valentijn (of Valentijns, want er waren meer heiligen met die naam) geweest moet zijn waardoor hij wat met verliefdheid had. Maar dat is niet zo. Het verband is echt volkomen willekeurig. Wat deden ze in Engeland op Valentijnsdag? Jongeren op het platteland trokken lootjes om uit te maken wie die dag met wie mocht gaan. Er werd gezegd dat nogal wat van die paartjes later trouwden. Aan het hof en bij de adel stuurden ze elkaar liefdesgedichtjes en cadeautjes. Die gewoonte werd in de loop van de tijd door andere mensen overgenomen. Dat gebeurde vanaf zo 1850 ook in Amerika. Krachtig gestimuleerd door fabrikanten als Hallmark werd daar het sturen van speciale Valentijnsbriefkaarten enorm populair. Niet eens alleen door mensen die verliefd waren, maar door iedereen die het leuk vond om te laten blijken dat hij of zij op iemand gesteld was – anoniem of niet. Al konden Valentijnsversjes in de 19e eeuw ook wel aangegrepen worden om iemand eens te plagen of de waarheid te zeggen – zoals de sinterklaasgedichten bij ons. Via Amerika heeft Valentijnsdag Nederland weer bereikt.

    Dat gebeurde al in de jaren 1950 – maar dat weet bijna niemand meer. In de stille tijd na de feesten van december zagen vooral bloemisten en banketbakkers wel wat in een extra feestdag in februari. Ze dachten het slim aan te pakken door Valentijnsdag een ideëel karakter te geven – dat doet het in Nederland altijd goed – en vooral voor te stellen als een ‘dag van vriendschap’. Mensen die je een vriendendienst bewezen hadden of mensen die, een beetje in de schaduw, goed of nuttig werk voor anderen deden, kon je op Valentijnsdag even in het zonnetje zetten door een aardigheidje, een boeket bloemen of een taart, voor ze te kopen. Omdat de ‘Valentijn’ van Valentijnsdag toch wat mysterieus was, verzonnen de bloemisten gewoon een ‘legende’ van een vaag Italiaanse ‘broeder Valentijn’ die in ‘de middeleeeuwen’ bloemen gegeven zou hebben aan verliefde paartjes. De middenstanders, en hun organisaties, hadden met hun acties wel wat succes, maar in meerderheid vonden Nederlanders zo’n nieuw feest toch maar flauwekul. Ze hadden – terecht – het gevoel dat hun wat opgedrongen werd en daar pasten ze voor.

    Zo in de jaren 1970 en 1980 kwam er verandering in die houding. Sommige mensen werden wat ontvankelijker voor buitenlandse feesten – denk aan de komst van de Amerikaanse kerstman, of aan Halloween. En dat Valentijnsdag iets nieuws was en niet echt een ‘Nederlandse traditie’, was nu niet zozeer een nadeel als wel een pré. Het was weer eens wat anders, iets grappigs, iets geks.
    Net zoals in Amerika kwam Valentijnsdag nu gelijk te staan aan het sturen van kaarten, zij het in Nederland – ook onder invloed van allerlei ‘romantische’ tv-programma’s– vooral aan geliefden. Prompt werd ook de ‘legende’ aangepast: Valentijn zou de avond voordat hij, nu in de eerste eeuwen van onze jaartelling, om zijn christelijk geloof werd gedood een liefdesbriefje – eindigend met ‘van je Valentijn’ – geschreven hebben aan de dochter van zijn cipier. Mensen weten heel goed dat de ‘commercie’ hier allemaal achter zit, maar dat maakt ze eigenlijk niet uit. Ze geven gewoon hun eigen draai aan het aanbod in de winkels, omdat het blijkbaar bij hun levensstijl past. Dat is vooral bij scholieren en jongeren het geval, maar evengoed bij volwassenen. Heel serieus zijn die soms oerlelijke kaarten of gekke pluche knuffelbeertjes allemaal toch niet? En door een smsje te sturen of een digitale Valentijnskaart lijkt het of je de commercie nog omzeilt ook. Dat neemt niet weg dat er ook nog altijd heel veel mensen zijn, waarschijnlijk wel een meerderheid, die Valentijnsdag nog steeds onzin vinden. Daarmee geven ze aan dat ze mans genoeg zijn om zelf uit te maken wanneer ze iemand een aardigheidje willen geven. Of dat ze geen behoefte hebben aan niet-Nederlandse feesten. Er zijn aanwijzingen dat zelfs jongeren Valentijnsdag al weer als iets ‘ouderwets’ gaan zien. Het markeren van dat soort onafhankelijkheid kan dan ook weer een goed gevoel geven. Bij zowat ieder feest kun je door daar wel of niet aan mee te doen, door dat stom of juist een welkome gelegenheid te vinden iets van je zelf, je identiteit, laten zien. Valentijnsdag is daarop geen uitzondering.

    Foto gemaakt door John Helsloot



  • 1 april is een dag waarop men elkaar voor de gek houdt. Iedereen, ongeacht zijn positie of leeftijd, kan op die dag het slachtoffer worden van spot, en omgekeerd kan iedereen op deze dag ook zelf de grappenmaker zijn.
    Read more...
  • In de zeventiende eeuw krijgt de term carnaval in Europa de overhand voor feesten die zich kenmerken door vermommingen, optochten, de instelling van een spotheerschappij met een eigen hiërarchie en uitbundig eten en drinken. In de middeleeuwen sprak men van de Vastenavondviering, waarin men nog één keer luidruchtig kon feestvieren met veel spijs en drank om vervolgens vanaf Aswoensdag de rooms-katholieke vastentijd in te gaan als voorbereiding op Pasen. In één van de verklaringen voor het woord carnaval wordt de relatie tussen dit uitbundige feest en de daarop volgende vasten gelegd: carne vale betekent vlees vaarwel. Een andere verklaring voor het woord bestaat uit de veronderstelde afleiding van carrus navalis, een scheepswagen die in de Vastenavondtijd door de straten werd getrokken met aan boord vermomde feestvierders.



    Carnaval in Nederland


    Het carnaval is een feest dat vooral in de provincies Limburg en Noord-Brabant drie tot vijf dagen lang het dagelijks leven in zijn greep heeft. Carnavalsvierders trekken verkleed door de straten en zoeken elkaar op in kroegen en feestzalen (het zogenaamde ‘dweilen’). De feestlocaties zijn versierd met maskers en serpentines en de feestmuziek kent zijn eigen carnavalsrepertoire.
    Het tijdstip van de viering is afhankelijk van de wisselende datum waarop Pasen jaarlijks gevierd wordt. De zevende zondag voorafgaande aan Paaszondag is carnavalszondag. De vele Prinsen Carnaval nemen op carnavalszaterdag of -zondag op rituele wijze de macht van de burgerlijke autoriteiten over in dorpen en steden (de machtsoverdracht of sleuteloverdracht) en vieren met hun onderdanen, de ‘carnavalisten’, de tijdelijke vestiging van hun narrenrijk. Carnavalsvierders verkleden zich in een door hun gewenste uitdossing en nemen bezit van de straten en café's. Op één van de carnavalsdagen trekt de optocht door de straten, de zegetocht van Prins Carnaval. En op carnavalsdinsdag rond middernacht wordt in veel plaatsen in een collectief afsluitingsritueel afscheid genomen van het narrenrijk en zijn Prins. Carnavalsmascottes en symbolen worden dan verbrand, begraven of verdronken. Op Aswoensdag wordt het dagelijkse leven weer opgepakt.
    Dit jaarlijks terugkerende carnavalsspel voltrekt zich in een opeenvolging van vaststaande rituelen en wordt georganiseerd door de vele carnavalsverenigingen in Nederland. Aan de carnavalsdagen gaat een periode vooraf, het voorseizoen genaamd, dat begint op de 11e van de 11e. Bij de meeste carnavalsverenigingen wordt op die dag, om 11 over 11 ’s avonds, op ludieke wijze, de nieuwe prins bekend gemaakt.
    Tijdens het voorseizoen wordt de machtsovername van Prins Carnaval op de eerste carnavalsdag voorbereid. Prins Carnaval bezoekt met zijn gevolg zieken, gehandicapten en ouderen, er worden zittingen georganiseerd waar de burgerlijke autoriteiten op de korrel worden genomen, vaak wordt een carnavalslied tot volkslied van dat jaar uitgekozen, er wordt aan de praalwagens gewerkt, de carnavalsverenigingen bezoeken elkaars ‘bals’. Het is een periode waarin de carnavalsstemming wordt opgebouwd.


    Geschiedenis


    Zoals bij zoveel gebruiken wordt bij het carnaval een relatie gelegd tussen het moderne naoorlogse feest en vergelijkbare verschijningsvormen van feesten in een liefst ver verleden. De meeste populaire studies over het carnaval beginnen met een historisch overzicht dat tot ver vóór Christus teruggaat. Maskerades, de tijdelijke opheffing van de sociale ongelijkheid, het instellen van een korte periode van chaos en uit het volk aangestelde schertskoningen die enkele dagen heersen; dit soort feestrituelen kwam in het oude Babylon, in Mesopotamië en Egypte, bij de Grieken, de Romeinen en de Germanen al voor.
    In de historische verankering van het carnavalsfeest zijn grofweg twee stromingen te onderscheiden. Op de eerste plaats is er de visie op het feest als een van oorsprong heidens lentefeest met vruchtbaarheidsrituelen. Koning Winter moest verdreven worden zodat de vruchtbaarheid na de winter terug kon keren. In de middeleeuwen zou de katholieke kerk dit heidense feest gekerstend hebben en opgenomen in de liturgische jaarkalender.
    Een tweede 'oorsprongs'-verhaal gaat uit van de katholieke kerk als initiatiefnemer. Zij zou het feest in de middeleeuwen hebben ingesteld als overgangsritueel om de drempel naar de veertigdaagse vasten vóór Pasen te verlagen. De vastentijd wordt voorafgegaan door een anti-schepping (carnaval) om zodoende de afkeuring van een leven met een puur aards karakter op te wekken. Door de gewone mensen enkele dagen heel concreet en aanschouwelijk te tonen én te laten ervaren wat het betekent als de duivel, heksen, narren, de anti-christ en het eigenzinnige in de mens regeren, zou het feest een opvoedende functie voor de zogenoemde 'gewone gelovigen' hebben. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze stroming was de Duitse volkskundige D.R. Moser.
    Zonder te ontkennen dat in het huidige carnaval een aantal uit het verleden herkenbare verschijningsvormen zit, is het feest zoals wij het nu kennen betrekkelijk jong.
    In de zestiende eeuw kwam aan de openbare en massale carnavalsviering uit de middeleeuwen een eind. De scheuring binnen het christendom als gevolg van de reformatie, leidde tot een religieuze tweedeling op het grondgebied van het huidige Nederland: boven de rivieren Maas en Rijn werd het protestantisme het dominante geloof, in de gebieden die tegenwoordig de provincies Limburg en Noord-Brabant beslaan, bleef het katholieke geloof dominant. In het na de Reformatie overwegend protestantse deel van het huidige Nederland verdween de openbare Vastenavondviering uit het straatbeeld. De Vastenavond werd geduid als een door de Roomse kerk gesanctioneerde vorm van bijgeloof en met verboden de kop in gedrukt. Deze interpretatie van carnaval als een rooms-katholiek feest verklaart echter niet waarom ook in het katholieke zuiden de deelname aan het feest af nam.
    Met uitzondering van een aantal plaatsen in Limburg en Noord-Brabant waar in de negentiende eeuw de organisatie van carnavalsvieringen weer werd opgepakt, is de overgrote meerderheid van de carnavalsverenigingen opgericht na de Tweede Wereldoorlog.
    In de jaren vijftig van de twintigste eeuw bleef de viering, op enkele uitzonderingen na, nog beperkt tot de zuidelijke provincies Limburg en Noord-Brabant, waar het merendeel van de bevolking katholiek was. In de loop van de jaren zestig kwam de relatief sterke afbakening tussen het katholieke zuiden aan de ene kant en het calvinistische westen en noorden van Nederland aan de andere kant op de helling te staan. Het carnaval overschreed vanaf deze jaren de grens van de 'grote rivieren', de Maas en de Rijn. Aan het einde van de twintigste eeuw komt men in alle provincies van Nederland carnavalsverenigingen tegen die zich actief inzetten voor de organisatie van het feest. In tegenstelling tot het zuiden, waar het carnaval op straat wordt gevierd, is het carnaval van boven de rivieren vooral ‘zaalcarnaval’ waardoor het minder zichtbaar en bekend is.


    Variatie in de carnavalsvieringen


    Het carnaval kenmerkt zich door een grote mate van variatie in verschijningsvorm en inhoud. Wie bijvoorbeeld het carnaval in Rio de Janeiro, Venetië, Keulen, Maastricht en het zomercarnaval in Rotterdam vergelijkt ziet meteen dat het toch ook om heel verschillende feesten gaat. Ook het tijdstip van de viering blijkt minder een vaststaand gegeven te zijn dan in eerste instantie wellicht wordt gedacht. Zo loopt in Nederland het carnavalsseizoen van 11 november tot Aswoensdag. In België is het carnavalsseizoen langer: op de zondag na Aswoensdag worden er nog vele halfvastenvieringen en carnavalsfeesten gevierd. In het Zwitserse Bazel viert men carnaval in het weekend na Aswoensdag. En op Malta is de naoorlogse carnavalsviering zelfs volledig losgekoppeld van het traditionele carnavalsseizoen en vindt plaats in de tweede week van mei.
    Ook tussen de carnavalsviering in Limburg en Noord-Brabant zijn duidelijke verschillen. Zo krijgen veel Brabantse steden tijdens de carnavalsdagen een carnavalsnaam: Den Bosch wordt Oeteldonk, Bergen op Zoom verandert in Krabbegat en Breda heet Kielegat. In Limburg zijn dit soort naamsveranderingen minder populair, maar speelt het dialect weer een belangrijker rol: Maastricht wordt Mestreech. Een Prins Carnaval is weliswaar een algemeen verschijnsel, maar de invulling van deze carnavaleske functie is niet overal dezelfde. In Limburg kiezen de carnavalsverenigingen elk seizoen een nieuwe prins. In Brabant kan deze schertsfiguur jarenlang door dezelfde persoon worden vertolkt, en hebben de meeste steden een stadsprins. Prins Carnaval van Oeteldonk bijvoorbeeld komt elk jaar op de zondag per trein vanuit zijn winterpaleis in de stad aan, om vervolgens (om 11 uur 11) aan zijn intocht door de stad te beginnen. Deze intocht, een bonte stoet van kleine acts en grappen van tientallen groepjes vrienden en vriendinnen, moet niet verward worden met de optocht van carnavalswagens de dag daarop. Worden de Prinsen in Limburg bijgestaan door een Raad van Elf, in Noord-Brabant luisteren vergelijkbare groepen naar namen als 'Boere Parlement' (Den Bosch) of de 'Leutige Ploeg' (Bergen op Zoom).
    Naast landelijke en provinciale variaties is de diversiteit in carnavalsrituelen ook per stad of dorp groot. In de vele jubileumboeken van plaatselijke carnavalsverenigingen worden de lokale rituelen beschreven.

    Lees meer

    Lees meer over carnaval boven de rivieren in de vraag van de maand, februari 2011.

    Literatuur

    A.P. Van Gilst, Vastelavond en Carnaval. De geschiedenis van een volksfeest (Veenendaal 1974)
    Th. Fransen & Gerrit Gommas, Carnaval in Nederland en België (Antwerpen: Het Spectrum 1984)
    D.R. Moser, Fastnacht - Fasching - Karneval (Graz/Wenen/Keulen 1986)
    Carnaval. Themanummer van volkscultuur. Tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen 3,1 (1986)
    C. Wijers, Prinsen en Clowns in het Limburgse narrenrijk. Het carnaval in Simpelveld en Roermond 1945-1992 (Amsterdam 1995)
    Knipselarchief Meertens Instituut

    Afbeeldingen: Carnaval in Oeteldonk, 2003 gemaakt door Irene Stengs

  • Allerzielen (feest van alle zielen) is de dag waarop in de rooms-katholieke kerk alle gelovige zielen van gestorvenen worden herdacht. Het feest wordt sinds de twaalfde eeuw op 2 november gevierd op de dag na Allerheiligen.

    Read more...