door Mathilde Jansen

Tijdens de Oktober Kennismaand gaf Marc van Oostendorp een lezing aan de Fryske Akademy. Daarin blikte hij terug op tien jaar dialectrenaissance. Een verschijnsel dat destijds de aandacht trok van een groep taalkundigen. Waren Rowwen Hèze en Skik de voorbode van een cultuurwenteling? Niet eerder werd het dialect zo groots ingezet voor culturele uitingen. Toch viel het achteraf allemaal nogal mee, concludeert Van Oostendorp: "Het is eigenlijk de vraag of je wel van dialectrenaissance mag spreken."


Wel beleefde het dialect in Nederland een opleving in de jaren ’90. Niet in het alledaags taalgebruik, legt taalwetenschapper Van Oostendorp uit, maar juist in culturele en semi-culturele contexten. Zoals in de popmuziek, in de literatuur of in de kerk. "Vroege voorlopers waren de popgroep Normaal en het duo Van Kooten en de Bie. In de tweede helft van de jaren ’90 kreeg het dialectgebruik in culturele contexten een boost. Denk aan Rowwen Hèze, Skik en zijn zanger Daniël Lohues. Maar ook Gé Reinders en Twarres horen in dit rijtje thuis. Verder waren er de stripverhalen van Haagse Harrie, de dialectvertalingen van Asterix, de bijbelvertalingen en de kerkdiensten in dialect."

Van Oostendorp over dialectrenaissance: "In het buitenland zien we parallelle ontwikkelingen. Hoewel men in Duitsland al in de jaren ’70 sprak van een Dialektwelle. En in Vlaanderen is het een relatief nieuw verschijnsel. Denk maar aan de muziek van Flip Kowlier. Die is nu razend populair."

Europa

De opleving van het dialect werd destijds vooral gekoppeld aan de globalisering. De grotere gerichtheid op Europa zorgde tegelijkertijd voor een verhoogde waardering van de eigen cultuur. En dus ook van het dialect. Er leek een cultuurverandering op komst. Ook het Meertens Instituut wilde inspringen op deze nieuwe trend. Ideeën werden ontwikkeld voor een projectplan over het verschijnsel dialectrenaissance. Van Oostendorp: "Maar eigenlijk zijn die plannen nooit echt van de grond gekomen. En als we er nu op terugkijken, is het eigenlijk een betrekkelijk klein verschijnsel. De belangstelling voor dialect is niet per se groter geworden."

Een heuse dialectrenaissance is er dus nooit geweest volgens de onderzoeker: "Eigenlijk is die belangstelling voor het eigene en voor het dialect er altijd geweest. De opleving in de jaren ’90 is waarschijnlijk veel praktischer te verklaren: door verbeterde techniek werd het bijvoorbeeld veel goedkoper om een cd’tje te maken. Dat was in de tijd van de LP wel anders. Maar ook het maken van radio- en televisie werd goedkoper. Dat zorgde voor een toename van plaatselijke radio- en televisieprogramma’s. Op die manier werd het makkelijker om cultuur voor kleinere doelgroepen te ontwikkelen."

Dialectgebruik

Als we de ontwikkeling doortrekken, valt het Van Oostendorp op dat het cultuuraanbod in dialect niet erg is toegenomen. Immers: de bands van tien jaar geleden dienen nu nog steeds als voorbeeld. Dat wil overigens níet zeggen dat dialectgebruik in cultuuruitingen geen interessante onderzoeksvragen oproept. "Wat is bijvoorbeeld de relatie met het alledaagse dialectgebruik? Het lijkt er wel op dat het dialectgebruik achteruit holt, maar echte cijfers zijn er bijna niet. In 2006 publiceerde Driessen percentages over dialectgebruik in Nederland. Die cijfers waren zo dramatisch dat ik ze eigenlijk niet geloof. De cijfers uit een artikel van Jongenburger en Goeman waren bijvoorbeeld een stuk rooskleuriger."

Patronen

Ook zijn er interessante geografische patronen te ontdekken in de cultuuruitingen in dialect, legt Van Oostendorp uit. De bijbelvertalingen zijn bijvoorbeeld alleen maar te vinden in protestantse gebieden, zoals Twente, Groningen en Zeeland. In het Limburgs wordt er weer heel veel gezongen en in het Nedersaksisch wordt veel geschreven.

Daarnaast bestaat er een duidelijke tegenstelling tussen de grote stadsdialecten en de plattelandsdialecten. Dat komt vooral door het feit dat het dialect in de stad met bepaalde sociale klassen wordt geassocieerd. Van Oostendorp: "Een bijbelvertaling in het Haags is ondenkbaar. Ook in de muziek past het imago van het dialect altijd bij de stijl. De muziek van Rowwen Hèze valt onder Tex-Mex, die van Lohues eerder onder blues: stijlen die overgewaaid zijn uit Amerika, allebei afkomstig van het platteland. In het Amsterdams of het Rotterdams kun je dan weer rap verwachten: muziek van de stad."

 

 Driessen, G. 2006. 'Ontwikkelingen in het gebruik van streektalen en dialecten in de periode 1995-2003'. Toegepaste Taalwetenschap 1: 103-113.
Jongenburger, W. & A.C.M. Goeman. 2009. 'Dimensions and determinants of dialects in the Netherlands at the individual and regional levels at the end of the twentieth century'. International journal of the sociology of language 196/197, 31-72.


Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier