Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Taalcontacten

Cultuurhistorisch overzicht van de Nederlandse contacten


Cultuurhistorisch overzicht van de contacten

Nederlandse woorden zijn overgenomen door andere talen wanneer de sprekers relatief intensief contact hebben gehad met het Nederlands. Dat is per definitie het geval met talen die grenzen aan het Nederlands: mensen in de grensregio waren en zijn over het algemeen tweetalig. Verder zijn contacten meestal intensiever wanneer Nederlandstaligen zich in een ander gebied vestigen dan wanneer enkele buitenlanders de Lage Landen aandoen: in dat laatste geval zullen ze slechts zelden een Nederlands woord mee terugnemen naar hun vaderland, laat staan dat ze het aldaar verbreiden. Terwijl een groep Nederlandstaligen die zich vestigt in een ander land, gemakkelijk Nederlandse woorden kan introduceren, met name als die begrippen betreffen die tot dan aldaar onbekend waren. In het overzicht hieronder zal de nadruk dus liggen op de expansie van het Nederlands en niet op contacten met andere talen op Nederlandse of Vlaamse bodem.

Het Nederlands als aparte taal is ontstaan na de Germaanse volksverhuizingen in de vijfde eeuw. Toen zijn geleidelijk uit het Germaans de moderne Germaanse talen gegroeid: behalve het Nederlands ook de verwante West-Germaanse talen Engels, Duits en Fries, en de iets verder verwante Noord-Germaanse talen Deens, Faerøers, IJslands, Noors en Zweeds. In de zesde eeuw verschijnen de eerste geschreven woorden (later pas teksten) in de Lage Landen, waarmee de historische periode van het Nederlands begint. Vanaf het moment dat het Nederlands herkenbaar is als aparte taal, kunnen er Nederlandse leenwoorden in andere talen zijn overgenomen; dat gebeurde in het Frans al heel vroeg. Tot de zeventiende eeuw werden in de Lage Landen alleen dialecten gesproken; pas toen werd een geschreven standaardtaal ontwikkeld. De gesproken taal bleef tot eind negentiende eeuw van streek tot streek verschillen. Uitgeleende woorden waren tot dan dus vaak dialectwoorden, die niet altijd onderdeel van het Standaardnederlands zijn geworden.

Buurtalen

Het Nederlandse taalgebied grenst van oudsher aan het Friese, Duitse en Franse en, met een zee ertussen, aan het Engelse taalgebied. De contacten met deze buurtalen zijn langdurig en intensief geweest, al zijn er individuele verschillen, zo blijkt uit het aantal uitleenwoorden. Met name in de grensgebieden met Frans en Duits zijn behoorlijk wat leenwoorden over en weer uitgewisseld. Een deel van deze leenwoorden is onderdeel geworden van het Standaardfrans en Standaardduits. Het Fries werd al in de middeleeuwen steeds meer door Nederlandse dialecten verdrongen, waardoor de Nederlandse invloed op het Fries groot is.

In de middeleeuwen waren de mogelijkheden om met grote groepen over land te reizen beperkt en vonden de contacten vooral over zee plaats, waarvoor de Lage Landen gunstig gelegen waren. De meeste contacten in de middeleeuwen had het Nederlands dan ook met landen die liggen aan de nabije kusten van de Noord- en Oostzee: Duitsland, Groot-Brittannië, de Scandinavische en Baltische landen, Polen en Rusland. In Russische plaatsen als Archangelsk, Novgorod en Moskou werden kleine, min of meer permanente, Nederlandse handelsvestigingen opgericht. De handel werd in die tijd beheerst door de Hanze, die als verkeerstaal het Nederduits hanteerde.

Van oudsher vestigden groepen Nederlandstaligen zich in andere Europese landen. De oudste Nederlandse kolonisten van wie we weet hebben en die taalkundige sporen hebben nagelaten, zijn groepen die zich in de eerste helft van de twaalfde eeuw in Noord-Duitsland vestigden. Later die eeuw en gedurende de hele middeleeuwen vestigden zich groepen Vlamingen en Nederlanders in Groot-Brittannië inclusief Schotland en Ierland. In de zestiende en zeventiende eeuw trokken Nederlandse mennonieten naar Polen, en vestigden Nederlanders zich in Denemarken, Noorwegen en Zweden.

Vanaf 1477 heerste het Habsburgse huis over de Nederlandse gewesten. In 1555 kreeg Philips II, koning van Spanje, het bestuur over deze gebieden. De protestantse Nederlanders verzetten zich en riepen in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uit, die tot 1648 in oorlog verwikkeld bleef met Spanje. Er vochten vreemde legers in Vlaanderen, er waren Engelse regimenten gelegerd in de Republiek en Duitsers vochten mee aan Nederlandse zijde. De Zuidelijke Nederlanden bleven ook na 1648 onder Spaans bewind.

Andere continenten

Eind zestiende eeuw ontstonden geregelde postdiensten met paarden of schepen tussen grote steden als Amsterdam en Antwerpen en steden in Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië. Bovendien trokken Nederlanders en Vlamingen naar andere continenten en verdrongen daar de Portugezen en Spanjaarden die er zich voordien hadden gevestigd. In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht voor handel met Azië, en in 1621 werd de West-Indische Compagnie (WIC) gesticht, die zich onder andere ging bezighouden met het vervoeren van slaven van Afrika naar het Caribisch gebied. Voor de slavenhandel werden aan de Westkust van Afrika, met name in Ghana en de Ivoorkust, Portugese forten overgenomen en Nederlandse forten opgericht. In India, Turkije en in Arabischsprekende gebieden werden factorijen opgericht en ook met China voerden de Nederlanders handel.

In 1609 landden de eerste Nederlanders, Vlamingen en Friezen op de oostkust van Noord-Amerika. Hier stichtten zij een Nederlandse provincie die zij Nieuw-Nederland noemden. De kolonisten handelden met indianenstammen en kwamen in aanraking met allerlei indianentalen. Al in 1664 werd de kolonie overgenomen door de Engelsen.

Nederlandstaligen vestigden zich in heel Azië, met name op eilanden in de Indonesische archipel, Sri Lanka (het toenmalige Ceylon), Taiwan (toen Formosa) en op het eilandje Deshima in de baai van het Japanse Nagasaki. In 1634 begon de verovering van de Nederlandse Antillen door de WIC. In 1652 richtten Nederlanders een verversingsstation op in Zuid-Afrika, dat ze gebruikten voor een tussenstop tijdens hun reizen tussen de Indonesische archipel en het vaderland. Dit station groeide uit tot een permanente vestiging. Rond 1665 vestigden Nederlandstaligen zich op de Amerikaanse Maagdeneilanden, maar deze eilanden zijn nooit vanuit Nederland bestuurd. In 1667 kreeg Nederland Suriname in handen. De Nederlanders gingen vanuit al deze gebieden producten verschepen naar Europa, waarvan ze voor een deel de namen uit plaatselijke talen overnamen. Daarnaast waren de Nederlanders binnen het Aziatisch gebied als handelaars zeer actief.Veel Europese talen hebben dan ook in deze en de volgende eeuwen de namen van Aziatische handelsproducten als bamboe, batik, koffie, lakmoes, soja en thee uit het Nederlands overgenomen, evenals dierennamen als baviaan, kaketoe en orang-oetan.

Alleen in Australië en Nieuw-Zeeland zaten geen Nederlanders. Deze gebieden werden in 1642 en 1644 wel verkend door de Nederlandse ontdekkingsreiziger Abel Jansz Tasman. Naar hem werd Tasmanië genoemd, en ook Nieuw-Zeeland heeft zijn naam aan deze Nederlandse expeditie te danken. De Nederlanders zagen echter geen gewin in handel of kolonisatie van Nieuw-Zeeland en Australië. Wel lieten zij enkele plaatsnamen achter, zoals Dirk Hartog Island, Vlaming Head en Geelvink Channel. Pas in 1770 werd Australië door de Engelsen gekoloniseerd.

Dekolonisatie

De terreinwinst die het Nederlands in de zeventiende en achttiende eeuw boekte, kwam omstreeks 1800 tot stilstand. Na een inval van de Fransen in de Republiek werd in 1795 namelijk de Bataafse Republiek opgericht, feitelijk een vazalstaat van Frankrijk, waarover Napoleon heerste. Frankrijk verkeerde in oorlog met Groot-Brittannië en betrok de Republiek in deze oorlog. De Engelsen namen de Nederlandse vestigingen op andere continenten een voor een over, in 1796 bijvoorbeeld Ceylon. Bij de Vrede van Amiens in 1802 werd bepaald dat de Republiek alle door Groot-Brittannië bezette koloniën terugkreeg, behalve Ceylon. Het jaar daarop werd de oorlog tussen Groot-Brittannië en Frankrijk echter hervat, en in 1803 namen de Engelsen de Nederlandse kolonie Berbice langs de gelijknamige rivier in het huidige Brits-Guyana over. In 1811 kwam Java als laatste kolonie in handen van Groot-Brittannië. In 1814 werd met Groot-Brittannië een traktaat gesloten over de koloniën, dat onder andere bepaalde dat Nederland Oost-Indië behield, maar dat Groot-Brittannië definitief de gebieden in Guyana (Essequibo, Berbice en Demerara), Ceylon en Zuid-Afrika overnam. Nederland kreeg Malabar in Voor-Indië terug (behalve Cochin), maar in 1824 ging dit alsnog over naar de Engelsen.

In 1798 had de Bataafse Republiek de eerste grondwet gekregen. Daarin werd onder andere bepaald dat de bezittingen van de VOC aan de Staat kwamen, wat formeel het begin betekende van de koloniale periode. Die periode eindigde in 1954, toen in het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden werd vastgelegd dat Suriname en de Nederlandse Antillen een autonome status binnen het Koninkrijk kregen. Indonesië was inmiddels, in 1949, onafhankelijk geworden. In 1962 viel het laatste Aziatische bezit van Nederland, Nieuw-Guinea (het huidige Papoea), toe aan Indonesië, ondanks verzet van de Nederlandse regering. Het Nederlandse bewind is hier slechts kortstondig (vanaf 1828) en oppervlakkig geweest.

Ook België, dat in 1830 een onafhankelijke staat werd, bezat in de twintigste eeuw een kolonie, namelijk Congo in Afrika (later kwam daarbij Ruanda-Urundi). In 1960 werd Congo onafhankelijk.

Huidige Nederlandse invloed

Het gebied waar Nederlands wordt gesproken, is dus sinds de twintigste eeuw aanzienlijk verkleind en daardoor is de Nederlandse invloed op andere talen eveneens afgenomen. Die invloed bestaat op dit moment vooral uit de namen voor nieuwe wetenschappelijke en culturele vindingen die in de Lage Landen worden gedaan. Toch staat het Nederlands nog steeds redelijk sterk in Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Op de Nederlandse Antillen en Aruba, met samen ongeveer 300.000 inwoners, is Nederlands de officiële taal (sinds 2007 zijn op de Antillen bovendien Papiaments en Engels erkend). Ook in Suriname is Nederlands de officiële taal, en vormt het de bindende factor tussen de vele aldaar gesproken talen. In 2008 heeft Suriname bij de Unie van Zuid-Amerikaanse staten, Unasur, geëist dat het Nederlands als één van de vier officiële werktalen werd aangenomen, naast het Spaans, Engels en Portugees. Dit is een unicum op het westelijk halfrond, waar het Spaans en Engels domineren. Zo blijft het Nederlands via Suriname invloed behouden in Zuid-Amerika. Ook in Zuid-Afrika en het Afrikaanse continent is er nog invloed van het Nederlands werkzaam, ditmaal via het Afrikaans, de dochtertaal van het Nederlands.

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (2015), Uitleenwoordenbank, op www.meertens.knaw.nl/uitleenwoordenbank/
gehost door het Meertens Instituut