Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Zoekresultaten: 946 woorden gevonden (beginnend met A)

Gebruikte filters:

A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z| Toon/Verberg alle informatie in de uitklapmenu's
Visualiseer de resultaten
Toon op de kaart
één cirkeltje per uitleenwoord
Toon op de kaart
één cirkeltje per taal
Toon op een tijdslijn

  • ▾ à décharge [ter ontlasting van een beklaagde]
  • ▾ à gogo [in overvloed; ononderbroken]
  • ▾ à la [op de manier van]
  • ▾ a.o. [arbeidsongeschikt(heid)]
  • ▾ aagjesappel [lichtzure appel]
  • ▾ aak [platboomd binnenvaartuig]
  • ▾ aal [biersoort]
  • ▾ aal [paling]
  • ▾ aal [priem]
  • ▾ aalbes [vrucht]
  • ▾ aalmoes [gift]
  • ▾ aam [vochtmaat]
  • ▾ aambeeld [ijzeren smeedblok; middelste gehoorbeentje]
  • ▾ aambei(en) [besvormige zwelling van de aderen aan de anus]
  • ▾ aamborstig [kortademig]
  • ▾ aan [voorzetsel; bijwoord]
  • ▾ aan land [op het droge]
  • ▾ aan lij [aan de zijde die van de wind is afgekeerd]
  • ▾ aan loef [aan de zijde waarvan de wind komt]
  • ▾ aan- [bijwoord en voorvoegsel waarmee samengestelde werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan]
  • ▾ aanbedene [hartstochtelijk bemind persoon]
  • ▾ aanbelangen [betreffen, aangaan]
  • ▾ aanbetrouwen [toevertrouwen]
  • ▾ aanbiddelijk [waardig om aanbeden te worden ]
  • ▾ aanbidden [met geestdrift vereren]
  • ▾ aanbieding [het aanbieden; dat wat aangeboden wordt]
  • ▾ aanbod [aanbieding]
  • ▾ aanbrengen [plaatsen]
  • ▾ aandacht [belangstelling]
  • ▾ aandeel [deel; deelname; gedeelte dat iemand bijdraagt tot het kapitaal voor een onderneming]
  • ▾ aandoen [kort bezoeken; aantrekken; veroorzaken]
  • ▾ aandoening [gewaarwording]
  • ▾ aandragen [naar voren brengen; opperen, voorstellen]
  • ▾ aaneen [elkaar in tijd opvolgend, aan elkaar]
  • ▾ aangaan [betreffen]
  • ▾ aangaan [tieren, uitvaren]
  • ▾ aangaande [betreffende]
  • ▾ aangedaan [emotioneel]
  • ▾ aangeklaagde [die aangeklaagd wordt]
  • ▾ aangelegen [belangrijk]
  • ▾ aangelegenheid [zaak, belang]
  • ▾ aangenaam [behaaglijk]
  • ▾ aangenomen [in ontvangst genomen; geadopteerd]
  • ▾ aangeschoten [getroffen]
  • ▾ aangetoond [bewezen]
  • ▾ aangetrouwd [door huwelijk tot de familie behorend]
  • ▾ aangeven [aanduiden; verklikken]
  • ▾ aangezicht, aanzicht [gelaat]
  • ▾ aangifte [melding van burger aan de overheid]
  • ▾ aangrijnzen [grijnzend aanzien]
  • ▾ aangrijpen [aanvallen; beetpakken]
  • ▾ aanhaken [aankoppelen]
  • ▾ aanhalen [aantrekken]
  • ▾ aanhalig [lief doend of graag geliefkoosd worden]
  • ▾ aanhang [gezamenlijke volgers; (verouderd) aanhangsel]
  • ▾ aanhangmotor [motor die aan een vaar- of voertuig aangehangen kan worden]
  • ▾ aanhangwagen [wagen die door een voorgaande wagen wordt voortgetrokken]
  • ▾ aanhankelijk [geneigd om zich uit liefde of genegenheid aan iemand te hechten]
  • ▾ aanhitsen [ophitsen]
  • ▾ aanhorigen [(verouderd) bloedverwanten]
  • ▾ aanhouden [arresteren; aandringen]
  • ▾ aanklacht [beschuldiging ingediend bij het gerecht]
  • ▾ aanklagen [officieel beschuldigen]
  • ▾ aankleden [kleren aantrekken]
  • ▾ aankleven [(zich) aan iets anders hechten]
  • ▾ aanknippen [aandoen (van licht)]
  • ▾ aankomen [arriveren]
  • ▾ aankomst [het bereiken van de bestemming]
  • ▾ aanleg [talent]
  • ▾ aanleggen [aanbrengen; maken; afmeren]
  • ▾ aanleiding [omstandigheid die iets ten gevolge heeft]
  • ▾ aanlengen [verdunnen]
  • ▾ aanliggen [zich liggend bevinden bij; zekere koers houden; grenzen aan]
  • ▾ aanloeven [hoger aan de wind gaan zeilen]
  • ▾ aanloop [korte versnelde loop die men doet, als men springen of iets werpen wil]
  • ▾ aanlopen [een haven binnenkomen en aanleggen; door verhitting verkleuren]
  • ▾ aanmaak [het aanmaken, m.n. het in voorraad vervaardigen]
  • ▾ aanmaakhout [stukjes hout om de kachel aan te maken]
  • ▾ aanmaakturf [turf om de kachel aan te maken]
  • ▾ aanmaning [sommatie]
  • ▾ aanmeren [aanleggen, vastleggen]
  • ▾ aanmerkelijk [opmerkelijk, aanzienlijk]
  • ▾ aanmerken [ter afkeuring opmerken]
  • ▾ aanmoedigen [(iemand) op een positieve manier aansporen]
  • ▾ aanmonsteren [(zeemansterm) bij monstering in dienst nemen]
  • ▾ aannemen [in ontvangst nemen; in dienst nemen; veronderstellen]
  • ▾ aannemer [iemand die de uitvoering van een bouwwerk op zich neemt]
  • ▾ aanneming [het opnemen als lid van een kerkgenootschap]
  • ▾ aanplempen [(een sloot, een gracht e.d.) dempen en met de vaste grond gelijkmaken]
  • ▾ aanranden [met misdadige bedoelingen te lijf gaan]
  • ▾ aanrichten [veroorzaken]
  • ▾ aanrijding [botsing tussen voertuigen]
  • ▾ aanritsgeld [handgeld voor soldaten]
  • ▾ aanroepen [door te roepen aandacht vragen; (een hoger wezen) om hulp vragen]
  • ▾ aanroeren [terloops, oppervlakkig behandelen; al roerende mengen]
  • ▾ aanschijn [gelaat]
  • ▾ aanschouw [het aanschouwen]
  • ▾ aanslaan [schatten; een geluid geven; exciteren]
  • ▾ aanslag [aanval; het aanslaan]
  • ▾ aanslag [belastingaanslag]
  • ▾ aanspraak [eis]
  • ▾ aanspreker [doodbidder]
  • ▾ aanstaan [bevallen; passen]
  • ▾ aanstaande [verloofde]
  • ▾ aanstalten [voorbereidingen]
  • ▾ aansteken [ontvlammen; een vat openen]
  • ▾ aansteker [apparaat om vuur te maken]
  • ▾ aanstellen [erg overdrijven; in een functie plaatsen]
  • ▾ aanstonds [gauw]
  • ▾ aanstoot [ergernis]
  • ▾ aantal [onbepaalde hoeveelheid]
  • ▾ aantasten [schadelijke uitwerking hebben op; aanvallen]
  • ▾ aantekenen [noteren; opmerken; inschrijven]
  • ▾ aantekening [notitie]
  • ▾ aantreden [verzamelen en in het gelid gaan staan; beginnen te functioneren]
  • ▾ aantrekken [trekkend naar zich toehalen; kleding aandoen]
  • ▾ aantrekkingskracht [adhesie]
  • ▾ aanvaarden [beginnen]
  • ▾ aanval [plotselinge, meestal kortstondige aandoening; poging tot ondermijning]
  • ▾ aanvallen [attaqueren]
  • ▾ aanvaren [al varend naderen]
  • ▾ aanvechten [betwisten, bestrijden]
  • ▾ aanvertrouwen [toevertrouwen]
  • ▾ aanvraag [verzoek]
  • ▾ aanwakkeren [in kracht doen toenemen, sterker maken]
  • ▾ aanwenden [gebruiken, toepassen]
  • ▾ aanwijzen [aangeven, toewijzen]
  • ▾ aanzeggen [aankondigen; bevelen, gelasten]
  • ▾ aanzetten [bij iets plaatsen]
  • ▾ aanzien [houden voor, beschouwen]
  • ▾ aanzienlijk [door stand, vermogen of macht boven anderen verheven]
  • ▾ aanzoeken [verzoeken]
  • ▾ aap [bezaansstagzeil]
  • ▾ aapjesdoorn [boomsoort]
  • ▾ aapzeil [bezaansstagzeil, onderste schuine zeil tussen grote en bezaansmast]
  • ▾ aapzeilschoot [touw waarmee het aapzeil bediend wordt]
  • ▾ aapzeilval [touw waarmee het aapzeil gehesen en gestreken wordt]
  • ▾ aard [geaardheid]
  • ▾ aardappel [eetbare knol]
  • ▾ aardbei [vrucht]
  • ▾ aardbeving [beving of schudding van een gedeelte van de aardkorst]
  • ▾ aarde [grond; aardrijk]
  • ▾ aardeend [(Vlaams, verouderd) vogel]
  • ▾ aardig [bekoorlijk, mooi]
  • ▾ aardigheid [het aardige van iets]
  • ▾ aardnoot [pinda]
  • ▾ aardrijkskunde [geografie]
  • ▾ aardroos [plantennaam]
  • ▾ aardvarken [wroetend, gravend zoogdier]
  • ▾ aardwolf [hyena-achtige]
  • ▾ aars [anus]
  • ▾ Aarschot [plaats in de Belgische provincie Vlaams-Brabant, waar vroeger stoffen werden vervaardigd]
  • ▾ aartsvijand [erge vijand]
  • ▾ aarzelen [weifelen]
  • ▾ aas [de één in het dobbel- en kaartspel]
  • ▾ aas [lokspijs, voedsel]
  • ▾ aasje [oud gewicht, greintje]
  • ▾ aasvogel [gier]
  • ▾ abaca [manillahennep]
  • ▾ abandonnement [het wettelijk afstand doen]
  • ▾ abandonneren [afstand doen van]
  • ▾ abattoir [slachthuis]
  • ▾ abces [ettergezwel]
  • ▾ abdicatie [troonsafstand]
  • ▾ abdij [klooster geleid door een abt]
  • ▾ abdis [overste van vrouwenklooster]
  • ▾ abeel [populier]
  • ▾ abel spel [Middelnederlands wereldlijk toneelspel]
  • ▾ aberratie [afwijking]
  • ▾ abituriënt [eindexamenkandidaat]
  • ▾ ablatie [losmaking]
  • ▾ ablaut [regelmatige klankwisseling]
  • ▾ abnormaal [tegen de norm]
  • ▾ abnormaliteit [afwijking van het normale]
  • ▾ abolitie [afschaffing]
  • ▾ abonnee [iemand die is geabonneerd op een periodiek of dienst]
  • ▾ abonnement [het abonneren]
  • ▾ abortie [vruchtafdrijving]
  • ▾ abortus [ontijdige geboorte, miskraam]
  • ▾ abracadabra [toverspreuk]
  • ▾ abri [wachthuisje]
  • ▾ abrikoos [vrucht]
  • ▾ abrikoosziekte [bepaalde ziekte]
  • ▾ abscis [afstand van een punt tot de y-as]
  • ▾ absent [afwezig]
  • ▾ absenteïsme [voortdurende of vaak voorkomende afwezigheid]
  • ▾ absenteren, zich [zich verwijderen]
  • ▾ absentie [afwezigheid]
  • ▾ absolutie [vergiffenis (van zonden)]
  • ▾ absolutisme [onbeperkte heerschappij]
  • ▾ absoluut [volstrekt]
  • ▾ absolveren [kwijtschelden]
  • ▾ absorberen [inzuigen]
  • ▾ absorptie [inzuiging]
  • ▾ abstract [afgetrokken]
  • ▾ abstractionisme [kunststroming]
  • ▾ absurd [ongerijmd]
  • ▾ absurditeit [ongerijmdheid]
  • ▾ abuis [vergissing]
  • ▾ acacia [boomsoort]
  • ▾ academicus [iemand met academische opleiding]
  • ▾ academie [genootschap ter bevordering van wetenschap en kunst; hogeschool]
  • ▾ academisch [tot een academie behorend; schools; theoretisch]
  • ▾ acc. [accept, sta toe; (verouderd) akkoord]
  • ▾ acceleratie [versnelling]
  • ▾ accent [klemtoon]
  • ▾ accentuatie [het leggen van accent]
  • ▾ accept [het accepteren van een wissel]
  • ▾ acceptant [iemand die op zich neemt een wissel te betalen]
  • ▾ acceptatie [aanneming, aanvaarding]
  • ▾ accepteren [aannemen]
  • ▾ accessibiliteit [toegankelijkheid]
  • ▾ accessie [toetreding]
  • ▾ accessoires [bijkomende zaken]
  • ▾ accidenteel [toevallig]
  • ▾ accijns [verbruiksbelasting]
  • ▾ acclamatie [toejuiching]
  • ▾ accolade [haakje tot verbinding van twee of meer regels]
  • ▾ accommodatie [aanpassing]
  • ▾ accommodatief [aanpasbaar]
  • ▾ accommoderen [aanpassen]
  • ▾ accordeon [toetsinstrument]
  • ▾ accorderen [overeenkomen, overeenstemmen]
  • ▾ account [rekening]
  • ▾ accountant [rekeningkundige]
  • ▾ accreditatie [onderzoek van geloofsbrieven]
  • ▾ accu [energiereservoir]
  • ▾ acculturatie [aanpassing aan de heersende cultuur]
  • ▾ accumulatie [opeenhoping]
  • ▾ accumulator [energiereservoir]
  • ▾ accuraat [nauwkeurig]
  • ▾ accusatief [vierde naamval]
  • ▾ ach [uitroep die verdriet, weemoed, berusting aangeeft]
  • ▾ achillespees [pees aan de hiel]