SAND-data Dedemsvaart (G091p)

schriftelijke enquête | mondelinge enquête | telefonische enquête

data schriftelijke enquête

zinsnr.testzinantwoorden
035 (x01a) Jan herinnert zich dat verhaal wel (inf. 03436) vertaling: Jan kön zig dat verhaal wal erinnern
opm.: reflexief: zich
036 (x01b) Marie en Piet wijzen naar ... (inf. 03436) vertaling: Merie en Piet zeet mekaar veur de karke!
037 (x01c) Toon wast ... (inf. 03436) vertaling: Tone is zig an 't wassen (wass'n)
opm.: reflexief: zich
038 (x01d) De timmerman heeft geen spijkers bij zich (inf. 03436) vertaling: De timmerkearl hef gin spiekers bie sig/zig/zik
opm.: reflexief: zich
039 (x01e) Fons zag een slang naast ... (inf. 03436) vertaling: Fons zagge un slange noast (zig) zik
opm.: reflexief: zich
040 (x01f) Erik liet mij voor zich werken (inf. 03436) vertaling: Erik leet mie veur um wark'n
opm.: reflexief: hem
041 (x01g) Johanna liet zich meedrijven op de golven (inf. 03436) vertaling: Johanna leet zik (sig) metdriev'n op de golf'n
opm.: reflexief: zich
042 (x01h) Toon bekeek zichzelf eens goed in de spiegel (inf. 03436) vertaling: Tone bekek zikzölm een's good in'n speegel
opm.: reflexief: zichzelf
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 03436) vertaling: ... un glas bier op-e-dronk'n (gleeske beer)
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 03436) vertaling: Jan hef in twee menuut'n un biertje edronk'n
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 03436) vertaling: Jan hef in twee menuut'n un biertje edronk'n
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 03436) vertaling: ... un glas bier op-e-dronk'n (gleeske beer)
044 (x01j) Deze schoenen lopen gemakkelijk (inf. 03436) vertaling: Disse (dissen) schone loopt makkeluk
045 (x01k) Eduard kent zichzelf goed (inf. 03436) vertaling: Eduaard kènst zikzölm good
opm.: reflexief: zichzelf
046 (x01l) Ward heeft gehoord dat er foto's van zichzelf in de etalage staan (inf. 03436) vertaling: Ward hef eheurd dat ter foto's van zikzölm in de vetstalkaste stoat
opm.: reflexief: zichzelf
047 (x01m) Die aardappelen schillen niet gemakkelijk (inf. 03436) vertaling: Dee (...) schelt nich maklek. (aerdappel'n)
884 (x01n) Dit glas breekt als het op de grond valt (inf. 03436) vertaling: Dit glas (gleeske) brekken / brek as 't op de groond valt / vaalt.
000 (x01opm) (inf. 03436) opm. inf.: 14 zinnetjes ruim 1,5 uur bezig! begin met uitwerken deel 1 t/m deel 4 van zo 17 sept. t/m wo 28 sept. Vrijdag 8/9 ontvangen! Of eerder opsturen.
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
076 (x03b) Ik weet dat Jan hard moet werken kunnen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
076 (x03b) Ik weet dat Jan hard moet werken kunnen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
078 (x03c) Ik weet dat Jan hard kunnen moet werken (inf. 03436) komt voor: n
079 (x03d) Ik weet dat Jan hard kunnen werken moet (inf. 03436) komt voor: n
081 (x03e) Ik weet dat Jan hard werken kunnen moet (inf. 03436) komt voor: n
083 (x03f) Ik weet dat Jan hard werken moet kunnen (inf. 03436) komt voor: n
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
093 (x04(iv)c) Ik vind dat Marie moet naar Jef bellen (inf. 03436) komt voor: n
094 (x04(iv)d) Ik vind dat Marie bellen naar Sjef moet (inf. 03436) komt voor: n
095 (x04(ix)a) Jan zei dat Marie naar een bakker moest gaan (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
095 (x04(ix)a) Jan zei dat Marie naar een bakker moest gaan (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
096 (x04(ix)b) Jan zei dat Marie naar een bakker gaan moest (inf. 03436) komt voor: n
097 (x04(ix)c) Jan zei dat Marie moest naar een bakker gaan (inf. 03436) komt voor: n
098 (x04(ix)d) Jan zei dat Marie gaan naar een bakker moest (inf. 03436) komt voor: n
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
102 (x04(v)c) Ik weet dat Jan moet jammer genoeg vertrekken (inf. 03436) komt voor: n
103 (x04(v)d) Ik weet dat Jan vertrekken jammer genoeg moet (inf. 03436) komt voor: n
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
107 (x04(vi)c) Ik weet dat Hans mag niet komen (inf. 03436) komt voor: n
110 (x04(vi)d) Ik weet dat Hans komen niet mag (inf. 03436) komt voor: n
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
114 (x04(vii)c) Ik weet dat Jan wil varkens kopen (inf. 03436) komt voor: n
115 (x04(vii)d) Ik weet dat Jan kopen varkens wil (inf. 03436) komt voor: n
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
118 (x04(viii)b) Ik weet dat Eddy brood eten wil (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
118 (x04(viii)b) Ik weet dat Eddy brood eten wil (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 4
086 (x04(viii)c) Ik weet dat Eddy morgen wil brood eten (inf. 03436) komt voor: n
121 (x04(viii)d) Ik weet dat Eddy eten brood wil (inf. 03436) komt voor: n
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
124 (x04(x)b) Eddy moet vroeg opstaan kunnen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 2
124 (x04(x)b) Eddy moet vroeg opstaan kunnen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 2
087 (x04(x)c) Eddy moet kunnen vroeg opstaan (inf. 03436) komt voor: n
126 (x04(x)d) Eddy moet opstaan vroeg kunnen (inf. 03436) komt voor: n
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
130 (x04(xi)c) Ik zei dat Willy moest de auto verkopen (inf. 03436) komt voor: n
131 (x04(xi)d) Ik zei dat Willy verkopen de auto moest (inf. 03436) komt voor: n
226 (y01(i)a) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij en doet (inf. 03436) komt voor: n
227 (y01(i)b) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij doet (inf. 03436) komt voor: j
betekenis: bevestigend
227 (y01(i)b) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij doet (inf. 03436) komt voor: j
betekenis: bevestigend
228 (y01(i)c) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: 't Doet (inf. 03436) komt voor: j
betekenis: bevestigend
228 (y01(i)c) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: 't Doet (inf. 03436) komt voor: j
betekenis: bevestigend
230 (y01(ii)a) A: Hij zal niet komen B: Hij en doet (inf. 03436) komt voor: n
231 (y01(ii)b) A: Hij zal niet komen B: Hij doet (inf. 03436) komt voor: n
232 (y01(ii)c) A: Hij zal niet komen B: 't doet (inf. 03436) komt voor: n
234 (y01(iii)a) A: Slaapt hij? B: Ja, hij doet (inf. 03436) komt voor: j
235 (y01(iii)b) A: Slaapt hij? B: Ja, dat doet hij (inf. 03436) komt voor: j
236 (y01(iii)c) A: Slaapt hij? B: Ja, hij en doet (inf. 03436) komt voor: n
237 (y01(iii)d) A: Slaapt hij? B: Ja, hij slaapt (inf. 03436) komt voor: j
238 (y01(iii)e) A: Slaapt hij? B: Nee, hij doet niet (inf. 03436) komt voor: n
239 (y01(iii)f) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet (inf. 03436) komt voor: n
240 (y01(iii)g) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet niet (inf. 03436) komt voor: n
241 (y01(iii)h) A: Slaapt hij? B: Nee, hij slaapt niet (inf. 03436) komt voor: j
242 (y01(iii)i) A: Slaapt hij? B: 't Doet (inf. 03436) komt voor: j
243 (y01(iii)j) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Ie doet (inf. 03436) komt voor: j
244 (y01(iii)k) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Toetoet (inf. 03436) komt voor: n
245 (y01(iv)a) De lamp doet niet meer branden; De kinderen doen hier niet voetballen; Branden doet de lamp niet meer (inf. 03436) vertaling: De (deze) lampe braant nich!
komt voor: n
245 (y01(iv)a) De lamp doet niet meer branden; De kinderen doen hier niet voetballen; Branden doet de lamp niet meer (inf. 03436) vertaling: De (deze) lampe braant nich!
komt voor: n
246 (y01(iv)b) Doet Marie elke avond dansen? (inf. 03436) vertaling: Geet Marie elk'n avond (aovend) hen daansen?
komt voor: j
opm.: dav
246 (y01(iv)b) Doet Marie elke avond dansen? (inf. 03436) vertaling: Geet Marie elk'n avond (aovend) hen daansen?
komt voor: j
opm.: dav
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Wil ie de (den) stoet'n em snie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Wil ie de (den) stoet'n em snie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Wil ie de (den) stoet'n em snie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Wil ie de (den) stoet'n em snie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j 't brood wal effe'n will'n snie'n?
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j 't brood wal effe'n will'n snie'n?
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j 't brood wal effe'n will'n snie'n?
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j 't brood wal effe'n will'n snie'n?
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j de stoet'n wal effe'n will'n nsnie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j de stoet'n wal effe'n will'n nsnie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j de stoet'n wal effe'n will'n nsnie'n
komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03436) vertaling: Zoi'j de stoet'n wal effe'n will'n nsnie'n
komt voor: n
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 03436) fragment: die zijn (1)
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 03436) fragment: die zijn (1)
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 03436) fragment: welke zijn (1)
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 03436) fragment: welke zijn (1)
250 (y02b) De bank waar ze op zaten was pas geverfd. (inf. 03436) fragment: waar (1)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: n
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: wie (1)
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: wie (1)
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: welke (1)
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: wie (1)
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: welke (1)
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03436) komt voor: j
fragment: welke (1)
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 03436) fragment: dat (1)
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 03436) fragment: wat (1)
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 03436) fragment: wat (1)
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 03436) fragment: dat (1)
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 03436) fragment: die (1)
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 03436) fragment: welke (1)
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 03436) fragment: welke (1)
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 03436) fragment: die (1)
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 03436) fragment: waar (1)
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 03436) fragment: waar (1)
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 03436) fragment: welke (1)
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 03436) fragment: welke (1)
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03436) fragment: die (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03436) fragment: die (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 03436) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 03436) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 03436) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 03436) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 03436) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord en voegwoord
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 03436) fragment: die (1)
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 03436) fragment: wie (1)
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 03436) fragment: wie (1)
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 03436) fragment: die (1)
260 (y03a) Wat denk je wie ik in de stad ontmoet heb? (inf. 03436) vertaling: Wie dacht ie dak in 't stad tegenkom'm bun?
263 (y03d) Magda weet niet wie dat wij willen bellen (inf. 03436) vertaling: Magda wet
opm.: Zin niet afgemaakt
296 (y05(iii)a) Zou hij dat gedaan hebben gekund? (inf. 03436) komt voor: n
297 (y05(iii)b) Zou hij dat gedaan gekund hebben? (inf. 03436) komt voor: n
298 (y05(iii)c) Zou hij dat hebben gekund gedaan? (inf. 03436) komt voor: n
299 (y05(iii)d) Zou hij dat hebben gedaan gekund? (inf. 03436) komt voor: n
300 (y05(iii)e) Zou hij dat gekund hebben gedaan? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
300 (y05(iii)e) Zou hij dat gekund hebben gedaan? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
301 (y05(iii)f) Zou hij dat gekund gedaan hebben? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
301 (y05(iii)f) Zou hij dat gekund gedaan hebben? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
302 (y05(iii)g) Zou hij dat hebben gekund doen? (inf. 03436) komt voor: n
303 (y05(iii)h) Zou hij dat hebben doen gekund? (inf. 03436) komt voor: n
304 (y05(iii)i) Zou hij dat doen hebben gekund? (inf. 03436) komt voor: n
305 (y05(iii)j) Zou hij dat doen gekund hebben? (inf. 03436) komt voor: n
306 (y05(iii)k) Zou hij dat gekund doen hebben? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
306 (y05(iii)k) Zou hij dat gekund doen hebben? (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
343 (y08h) Doordat Marie overleden was, heeft haar man Anna niet meer kunnen helpen (inf. 03436) opm.: IPP: n.v.t.
347 (y09a) Ik weet dat hij is gaan zwemmen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
347 (y09a) Ik weet dat hij is gaan zwemmen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
348 (y09b) Ik weet dat hij is zwemmen gaan (inf. 03436) komt voor: n
349 (y09c) Ik weet dat hij gaan is zwemmen (inf. 03436) komt voor: n
350 (y09d) Ik weet dat hij gaan zwemmen is (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
350 (y09d) Ik weet dat hij gaan zwemmen is (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 3
351 (y09e) Ik weet dat hij zwemmen is gaan (inf. 03436) komt voor: n
352 (y09f) Ik weet dat hij zwemmen gaan is (inf. 03436) komt voor: n
353 (y10a) Persoon A vraagt: Wil je nog koffie, Jan? Jan antwoordt: Ja'k (inf. 03436) vertaling: Wil ie noch koffie, Jan?
komt voor: j
opm.: dav
353 (y10a) Persoon A vraagt: Wil je nog koffie, Jan? Jan antwoordt: Ja'k (inf. 03436) vertaling: Wil ie noch koffie, Jan?
komt voor: j
opm.: dav
354 (y10b) Gaat ze dansen? Jase (inf. 03436) vertaling: Joa zee geet daanse'n
komt voor: n
354 (y10b) Gaat ze dansen? Jase (inf. 03436) vertaling: Joa zee geet daanse'n
komt voor: n
355 (y10c) Persoon A vraagt: Hebben ze gegeten? Persoon B antwoordt: Jaanze (inf. 03436) vertaling: Joa zee hebt al egetten
komt voor: j
opm.: dav 'Twents Woordenboek blz. 269, 1991, 3e herz.druk.
355 (y10c) Persoon A vraagt: Hebben ze gegeten? Persoon B antwoordt: Jaanze (inf. 03436) vertaling: Joa zee hebt al egetten
komt voor: j
opm.: dav 'Twents Woordenboek blz. 269, 1991, 3e herz.druk.
356 (y10d) Is het huis te koop? Jaa't (inf. 03436) komt voor: n
357 (y10e) A: Er komt morgen iemand langs. B: Wie dat? (inf. 03436) komt voor: n
359 (y11a) Met zulk weer je kunt niet veel doen (inf. 03436) vertaling: Met zulk weer kue nich vulle doon
komt voor: j
opm.: dav
359 (y11a) Met zulk weer je kunt niet veel doen (inf. 03436) vertaling: Met zulk weer kue nich vulle doon
komt voor: j
opm.: dav
360 (y11b) Als het kermis is de mensen komen buiten (inf. 03436) komt voor: n
361 (y11c) Ik wil hem nooit meer zien want hij mij bedrogen heeft (inf. 03436) komt voor: n
362 (y11d) Ik wil hem nooit meer zien omdat hij heeft mij bedrogen (inf. 03436) vertaling: 'k Wil um nooit mêr zeen um datte mie bedreuge'n hef!
komt voor: j
opm.: dav
362 (y11d) Ik wil hem nooit meer zien omdat hij heeft mij bedrogen (inf. 03436) vertaling: 'k Wil um nooit mêr zeen um datte mie bedreuge'n hef!
komt voor: j
opm.: dav
363 (y11e) Jij gaat naar het voetbal kijken met ik (inf. 03436) komt voor: n
365 (y11f) Hem is dood (inf. 03436) komt voor: n
364 (y11g) Is hem dood? (inf. 03436) komt voor: n
368 (y11j) Met hij/hem te werken moest zij de hele dag thuis blijven (inf. 03436) vertaling: Um met hem te warken must zee de' hel'n dag in hoes blieve'n
komt voor: n
368 (y11j) Met hij/hem te werken moest zij de hele dag thuis blijven (inf. 03436) vertaling: Um met hem te warken must zee de' hel'n dag in hoes blieve'n
komt voor: n
369 (y11k) Met het te sneeuwen konden we de stad niet uit (inf. 03436) vertaling: Deurdat (het) 't vulle ging snie-e'n kunnen wie de stad neet oet!
000 (y11opm) (inf. 03436) opm. inf.: Persoonlijkvindt ik het een ware puzzel worden. Je zou het met meer personen in een groepje uit eigen plaats, streek, moeten doen, dialect heb je niet geleerd doch overgenomen van je ouders en zelf er het beste van gemaakt, daardoor op meerdere manieren u
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 03436) fragment: die (1)
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 03436) fragment: die (1)
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 03436) fragment: 1 : welke (1)
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 03436) fragment: 1 : welke (1)
371 (z01b) Dat is de man die het verhaal heeft verteld (inf. 03436) fragment: die (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03436) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03436) fragment: dat hij (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03436) fragment: dat hij (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03436) fragment: waarvan (1)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 03436) komt voor: n
374 (z01e) De mannen ... ik mee gesproken heb, zitten daar (inf. 03436) fragment: waar (1)
538 (z17a) Marie heeft gezegd dat jij geprobeerd hebt een liedje te zingen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
538 (z17a) Marie heeft gezegd dat jij geprobeerd hebt een liedje te zingen (inf. 03436) komt voor: j
gebr.: 5
534 (z17b) Marie heeft gezegd dat jij hebt proberen een liedje te zingen (inf. 03436) komt voor: n
544 (z17c) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt proberen te zingen (inf. 03436) komt voor: n
545 (z17d) Marie heeft gezegd dat jij een liedje proberen hebt te zingen (inf. 03436) komt voor: n
536 (z17e) Marie heeft gezegd dat jij een liedje proberen te zingen hebt (inf. 03436) komt voor: n
605a (z17f) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt te zingen proberen (inf. 03436) komt voor: n
548 (z17g) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen proberen hebt (inf. 03436) komt voor: n
542 (z17h) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen hebt proberen (inf. 03436) komt voor: n

interview mondelinge enquête

sprekertekstcommentaar 
geen interview gehouden in Dedemsvaart

data telefonische enquête

zinsnr.testzininstructieantwoorden
geen data telefonische enquête in Dedemsvaart