SAND-data Lenthe (F107b)

schriftelijke enquête | mondelinge enquête | telefonische enquête

data schriftelijke enquête

zinsnr.testzinantwoorden
035 (x01a) Jan herinnert zich dat verhaal wel (inf. 02910) vertaling: J herinnert zich dat verhaol we
opm.: reflexief: zich
036 (x01b) Marie en Piet wijzen naar ... (inf. 02910) vertaling: M en p ziet mekare veur de kerke
037 (x01c) Toon wast ... (inf. 02910) vertaling: Toon wast zich
opm.: reflexief: zich
038 (x01d) De timmerman heeft geen spijkers bij zich (inf. 02910) vertaling: De timmermma het gin spiekers bi-j zich
opm.: reflexief: zich
039 (x01e) Fons zag een slang naast ... (inf. 02910) vertaling: F zajn 'n slange nost zich
opm.: reflexief: zich
040 (x01f) Erik liet mij voor zich werken (inf. 02910) vertaling: erik leut mie veur zich warkn
opm.: reflexief: zich
041 (x01g) Johanna liet zich meedrijven op de golven (inf. 02910) vertaling: J leut zich meedriem op de golven
opm.: reflexief: zich
042 (x01h) Toon bekeek zichzelf eens goed in de spiegel (inf. 02910) vertaling: T bekeek zichzelf is goet in de spiegel
opm.: reflexief: zichzelf
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 02910) vertaling: J het in twee minuten un biertje edrönken
044 (x01j) Deze schoenen lopen gemakkelijk (inf. 02910) vertaling: Deze schoen loop(t) gemakeluk
045 (x01k) Eduard kent zichzelf goed (inf. 02910) vertaling: E kent zichzelf goet
opm.: reflexief: zichzelf
046 (x01l) Ward heeft gehoord dat er foto's van zichzelf in de etalage staan (inf. 02910) vertaling: W het eheurt detter fotoos van humzelf in de etalage stöt
opm.: reflexief: hemzelf
047 (x01m) Die aardappelen schillen niet gemakkelijk (inf. 02910) vertaling: Die eerpels schelt nie gemakeluk
884 (x01n) Dit glas breekt als het op de grond valt (inf. 02910) vertaling: Dit glas breekt ast op de grond valt
052 (x02a) Dokter, leef ik wel gezond genoeg? (inf. 02910) vertaling: d, lev-ik we gezond genog
054 (x02b) Al jaren leeft hij van de erfenis van zijn vader (inf. 02910) vertaling: a joarn lefte van't geld van zien va
056 (x02c) Deze week leeft zij op water en brood (inf. 02910) vertaling: deze wekke levtze op water en brood
058 (x02d) Leeft het nog? (inf. 02910) vertaling: levte nog?
060 (x02e) Hoelang leven jullie nu al van die erfenis? (inf. 02910) vertaling: hoelange leve julle nou a van det geld
062 (x02f) In Bretagne leven ze vooral van de visvangst (inf. 02910) vertaling: In Br. levt ze veural van visvangs
064 (x02g) Na het eten ga ik slapen (inf. 02910) vertaling: Noa 't ete gao'k sloapn
065 (x02h) Zou ik dat wel kunnen doen? (inf. 02910) vertaling: zo'k de we könn doe(n)
066 (x02i) Hij liet zijn huis afbreken (inf. 02910) vertaling: Hij leut zien huus afbrekn
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 02910) vertaling: Ik wet det J hat mut konn warkn
komt voor: j
gebr.: 5
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 02910) vertaling: Ik wet det J hat mut konn warkn
komt voor: j
gebr.: 5
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 02910) vertaling: Ik wet det J hat mut konn warkn
komt voor: j
gebr.: 5
076 (x03b) Ik weet dat Jan hard moet werken kunnen (inf. 02910) komt voor: n
078 (x03c) Ik weet dat Jan hard kunnen moet werken (inf. 02910) komt voor: n
079 (x03d) Ik weet dat Jan hard kunnen werken moet (inf. 02910) komt voor: n
081 (x03e) Ik weet dat Jan hard werken kunnen moet (inf. 02910) komt voor: n
083 (x03f) Ik weet dat Jan hard werken moet kunnen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 2
083 (x03f) Ik weet dat Jan hard werken moet kunnen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 2
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
088 (x04(iii)c) Ik weet dat Jan moet een nieuwe schuur bouwen (inf. 02910) komt voor: n
089 (x04(iii)d) Ik weet dat Jan bouwen een nieuwe schuur moet (inf. 02910) komt voor: n
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
093 (x04(iv)c) Ik vind dat Marie moet naar Jef bellen (inf. 02910) komt voor: n
094 (x04(iv)d) Ik vind dat Marie bellen naar Sjef moet (inf. 02910) komt voor: n
095 (x04(ix)a) Jan zei dat Marie naar een bakker moest gaan (inf. 02910) komt voor: j
096 (x04(ix)b) Jan zei dat Marie naar een bakker gaan moest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
096 (x04(ix)b) Jan zei dat Marie naar een bakker gaan moest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
097 (x04(ix)c) Jan zei dat Marie moest naar een bakker gaan (inf. 02910) komt voor: n
098 (x04(ix)d) Jan zei dat Marie gaan naar een bakker moest (inf. 02910) komt voor: n
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
102 (x04(v)c) Ik weet dat Jan moet jammer genoeg vertrekken (inf. 02910) komt voor: n
103 (x04(v)d) Ik weet dat Jan vertrekken jammer genoeg moet (inf. 02910) komt voor: n
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
107 (x04(vi)c) Ik weet dat Hans mag niet komen (inf. 02910) komt voor: n
110 (x04(vi)d) Ik weet dat Hans komen niet mag (inf. 02910) komt voor: n
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
114 (x04(vii)c) Ik weet dat Jan wil varkens kopen (inf. 02910) komt voor: n
115 (x04(vii)d) Ik weet dat Jan kopen varkens wil (inf. 02910) komt voor: n
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
118 (x04(viii)b) Ik weet dat Eddy brood eten wil (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
118 (x04(viii)b) Ik weet dat Eddy brood eten wil (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 4
086 (x04(viii)c) Ik weet dat Eddy morgen wil brood eten (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
086 (x04(viii)c) Ik weet dat Eddy morgen wil brood eten (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
124 (x04(x)b) Eddy moet vroeg opstaan kunnen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
124 (x04(x)b) Eddy moet vroeg opstaan kunnen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3
087 (x04(x)c) Eddy moet kunnen vroeg opstaan (inf. 02910) komt voor: n
126 (x04(x)d) Eddy moet opstaan vroeg kunnen (inf. 02910) komt voor: n
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3,4
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 3,4
130 (x04(xi)c) Ik zei dat Willy moest de auto verkopen (inf. 02910) komt voor: n
131 (x04(xi)d) Ik zei dat Willy verkopen de auto moest (inf. 02910) komt voor: n
133 (x05a) Jan heeft geeneen boek meer (inf. 02910) vertaling: Jan het gienien boek meer
134 (x05b) Jan en heeft geen boek meer (inf. 02910) vertaling: Jan het gienien boek meer
135 (x05c) Boeken heeft Jan geen (inf. 02910) vertaling: Boeken het jan niet
136 (x05d) Jan en heeft niet veel geld niet meer (inf. 02910) vertaling: J hef niet völle gelt meer
144 (x05e) Er mag niemand spreken niet over dit probleem (inf. 02910) vertaling: D'r mag gienien proatn over disse mulikheden
138 (x05f) Er mag niemand spreken over dit probleem niet (inf. 02910) vertaling: D'r mag gienien proatn over disse mulikheden
139 (x05g) Niemand zegt dat hij komt niet (inf. 02910) vertaling: Giniene zeg dette kömp
140 (x05h) Zitten hier nergens geen muizen? (inf. 02910) vertaling: Zitte hier naas moezn
141 (x05i) Ik geef niets aan een ander niet (inf. 02910) vertaling: ik geve niks annun ander
142 (x05j) Niemand wil niet werken niet (inf. 02910) vertaling: Niemand
142 (x05j) Niemand wil niet werken niet (inf. 02910) vertaling: giniene wil warkn
142 (x05j) Niemand wil niet werken niet (inf. 02910) vertaling: giniene wil warkn
142 (x05j) Niemand wil niet werken niet (inf. 02910) vertaling: Niemand
143 (x05k) Wij en wisten niet dat hij thuis was (inf. 02910) vertaling: We wössen nie dette tuus was
144a (x05l) Ik wist het niet ook niet (inf. 02910) vertaling: Ik wusse t ok nie
145 (x05m) Hij mag met niemand spreken niet over dit probleem (inf. 02910) vertaling: Hij mag met giniene proatn over disse mulikheden
155 (x06) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen (moet) (hebben) (gemaakt) (inf. 02910) vertaling: J. weet dette veur drie uur de wagn emaak mut hemm
156 (x06a) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen moet hebben gemaakt (inf. 02910) komt voor: n
157 (x06b) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen moet gemaakt hebben (inf. 02910) komt voor: n
158 (x06c) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen hebben moet gemaakt (inf. 02910) komt voor: n
159 (x06d) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen hebben gemaakt moet (inf. 02910) komt voor: n
160 (x06e) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt moet hebben (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
160 (x06e) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt moet hebben (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
161 (x06f) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt hebben moet (inf. 02910) komt voor: n
162 (x07a) Maries auto is kapot (inf. 02910) vertaling: De auto van M is kepot
opm.: prenominale possessieve genitief '-s': n.v.t.
163 (x07b) Marie d'r/se(n) auto is kapot (inf. 02910) vertaling: M haar auto is kepot
164 (x07c) Piets auto is kapot (inf. 02910) vertaling: de auto van p is kepot
opm.: prenominale possessieve genitief '-s': n.v.t.
165 (x07d) Piet z'n/se auto is kapot (inf. 02910) vertaling: P zien auto is kepot
166 (x07e) Die mans auto is kapot (inf. 02910) vertaling: De auto van die man is kepot
167 (x07f) Die man zijn/se auto is kapot (inf. 02910) vertaling: Die man zien auto is kepot
168 (x07g) Die auto is niet van mij maar van hem (inf. 02910) vertaling: Die auto is nie van mie maar van hum
169 (x07h) Gisterens krant ligt onder de TV (inf. 02910) vertaling: de krante van gistern lig onder de TV
170 (x07i) Jan is Karolien en Kristien se/hun broertje (inf. 02910) vertaling: Jan is't brörtje van k en k
171 (x07j) Die jongens hun fietsen zijn gestolen (inf. 02910) vertaling: de fietsn van die joos bint estöln
172 (x07k) Die zussen d'r moeder is op bezoek (inf. 02910) vertaling: De moeder van die zussn is op bezoek
173 (x07l) Die auto is Wims (inf. 02910) vertaling: die auto is van wim
174 (x07m) Die fiets is mijns (inf. 02910) vertaling: Die fietse is van mie
178 (x08a) Hij mag met niemand spreken over dit probleem niet (inf. 02910) vertaling: Hij mag mit gienien over disse mulikheden proatn
179 (x08b) Ik wil niemand niet kwetsen niet (inf. 02910) vertaling: Ik wil gieniene zeer doe(n)
180 (x08c) Het is jammer dat wij komen niet en mogen (inf. 02910) vertaling: 't is jammer dedde wie niet komm magge
181 (x08d) Dat niet en ga ik doen (inf. 02910) vertaling: De go'k nie doe(n)
182 (x08e) (Heb je hard gewerkt?) Niet heb ik gewerkt (inf. 02910) vertaling: 'k hep nie ewarkt
183 (x08f) Niet had hij het verteld of Marie begon te huilen (inf. 02910) vertaling: Net hattut vbertelt of m beint te lippn
184 (x08g) Gaan haalt die bestelling nu maar op! (inf. 02910) vertaling: Go die bestelling noe maar hoaln
185 (x08h) Hij en werkt (inf. 02910) vertaling: Hij warkt nie
186 (x08i) Je weet dat niemand hier binnen mag, dus ik verbied je nog een keer om hier niet te komen (inf. 02910) vertaling: Ik wil nie hemm dij hier komt
opm.: pleonastische negatie bij negatief werkwoord: n.v.t.
187 (x08j) Jan verhinderde dat we Marie niet belden (inf. 02910) vertaling: Jan stekn d'r un stokkie veur dedde wie M beln
opm.: pleonastische negatie bij negatief werkwoord: n.v.t.
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 02910) fragment: te (2)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 02910) fragment: om (1)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 02910) fragment: om (1)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 02910) fragment: te (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 02910) fragment: om te (1)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 02910) fragment: (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 02910) fragment: (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 02910) fragment: om te (1)
190 (x09c) Deze ton is zwaar om te dragen (inf. 02910) fragment: om te (1)
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: dan (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: dan (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: dan (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: dan (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: (2)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 02910) fragment: als (1)
opm.: bijwoord 'dan' optioneel
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 02910) fragment: 2: te (1)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 02910) fragment: 2: te (1)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 02910) fragment: (2)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 02910) fragment: (2)
193 (x09f) Dat is zo zeker als één en één twee is (inf. 02910) fragment: als (1)
194 (x09g) Ik denk niet dat wij rijker zijn ......... Marie (inf. 02910) fragment: als (1)
195 (x09h) Jullie hebben meer tijd ......... wij (inf. 02910) fragment: als (1)
196 (x09i) Wij hebben meer tijd ......... jij (inf. 02910) fragment: als (1)
197 (x09j) Is Jan even oud als jij? (inf. 02910) fragment: als (1)
199 (x09k) Hij staat te zeuren (inf. 02910) fragment: te (1)
198 (x09l) Hij kan staan zeuren (inf. 02910) fragment: te (1)
200 (x09m) Toen we aankwamen regende het (inf. 02910) komt voor: n
201 (x09n) Jan zei ......... hij wou meegaan (inf. 02910) fragment: dat (1)
202 (x09o) Hij deed of hij haar niet zag (inf. 02910) fragment: (1)
opm.: 2e voegwoord optioneelof
202 (x09o) Hij deed of hij haar niet zag (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: 2e voegwoord optioneelof
202 (x09o) Hij deed of hij haar niet zag (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: 2e voegwoord optioneelof
202 (x09o) Hij deed of hij haar niet zag (inf. 02910) fragment: (1)
opm.: 2e voegwoord optioneelof
204 (x10a) Ik weet dat jullie op niemand boos zijn (inf. 02910) vertaling: Ik wet dat julule op gin mense kwoad bint
205 (x10b) Ik weet dat zij op niets trots is (inf. 02910) vertaling: ik wet det ze naas trots op is
206 (x10c) Els denkt dat 't niet gemakkelijk is (inf. 02910) vertaling: Els denkt dettnie gemakkeluk is
207 (x10d) Ik weet dat ik te laat ben en jij niet (inf. 02910) vertaling: Ik wit dek te late bin en ie-e nie
208 (x10e) Je weet toch dat jij moet werken en ik niet (inf. 02910) vertaling: Ie weet toch dij mun warkn en ikke nie
209 (x10f) Iedereen denkt dat wij naar huis gaan en dat zij nog mogen blijven (inf. 02910) vertaling: Iederiene denkt detwie noa huus goat en det sie nog mag bliem
210 (x10g) Het is jammer dat hij komt en dat zij weggaat (inf. 02910) vertaling: 't is jammer dat hij kömp en dat sie weggiet
211 (x10h) Ik denk dat Lisa ziek is (inf. 02910) vertaling: Ik denke det Lisa ziek is
213 (x10i) Ik denk dat Pieter en Liesje gaan trouwen (inf. 02910) vertaling: Ik denke det p en l goat troum
225 (y01(i)) A: Hij slaapt B:Hij/'t (en) doet (inf. 02910) vertaling: det dutte
226 (y01(i)a) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij en doet (inf. 02910) komt voor: n
227 (y01(i)b) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij doet (inf. 02910) komt voor: n
228 (y01(i)c) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: 't Doet (inf. 02910) komt voor: n
230 (y01(ii)a) A: Hij zal niet komen B: Hij en doet (inf. 02910) komt voor: n
231 (y01(ii)b) A: Hij zal niet komen B: Hij doet (inf. 02910) komt voor: n
232 (y01(ii)c) A: Hij zal niet komen B: 't doet (inf. 02910) komt voor: n
234 (y01(iii)a) A: Slaapt hij? B: Ja, hij doet (inf. 02910) komt voor: n
235 (y01(iii)b) A: Slaapt hij? B: Ja, dat doet hij (inf. 02910) komt voor: j
236 (y01(iii)c) A: Slaapt hij? B: Ja, hij en doet (inf. 02910) komt voor: n
237 (y01(iii)d) A: Slaapt hij? B: Ja, hij slaapt (inf. 02910) komt voor: j
238 (y01(iii)e) A: Slaapt hij? B: Nee, hij doet niet (inf. 02910) komt voor: n
239 (y01(iii)f) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet (inf. 02910) komt voor: n
240 (y01(iii)g) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet niet (inf. 02910) komt voor: n
241 (y01(iii)h) A: Slaapt hij? B: Nee, hij slaapt niet (inf. 02910) komt voor: j
242 (y01(iii)i) A: Slaapt hij? B: 't Doet (inf. 02910) komt voor: n
243 (y01(iii)j) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Ie doet (inf. 02910) komt voor: n
244 (y01(iii)k) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Toetoet (inf. 02910) komt voor: n
245 (y01(iv)a) De lamp doet niet meer branden; De kinderen doen hier niet voetballen; Branden doet de lamp niet meer (inf. 02910) komt voor: n
246 (y01(iv)b) Doet Marie elke avond dansen? (inf. 02910) komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 02910) komt voor: n
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 02910) fragment: woarra de (1)
250 (y02b) De bank waar ze op zaten was pas geverfd. (inf. 02910) fragment: banke waor (1)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 02910) komt voor: n
252 (y02d) De bank op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 02910) komt voor: n
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 02910) fragment: wat (1)
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 02910) fragment: die (1)
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 02910) fragment: waor (1)
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 02910) fragment: det (1)
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 02910) fragment: wak niet graag doe (1)
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 02910) fragment: det (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 02910) fragment: det (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 02910) fragment: wie (1)
260 (y03a) Wat denk je wie ik in de stad ontmoet heb? (inf. 02910) vertaling: Wie denkie dek in Heino ezeen hebbe
261 (y03b) Wat denken jullie hoe ze het hebben opgelost? (inf. 02910) vertaling: Hoe denkie detze't obbelöst hebt
265 (y03c) Hoe denk je hoe ze het hebben opgelost? (inf. 02910) vertaling: Hoe denkie detze't obbelöst hebt
263 (y03d) Magda weet niet wie dat wij willen bellen (inf. 02910) vertaling: Magda weet niet wie wie opwilt belln
264 (y03e) Weet iemand wie of dat wij geroepen hebben? (inf. 02910) vertaling: weter hier iene wie wie eroepn hebt
262 (y03f) Wie denk je wie ik in de stad ontmoet heb? (inf. 02910) vertaling: wie denkie dek ezeen hebbe in ...
266 (y03g) Wie denk je die ik in de stad ontmoet heb? (inf. 02910) vertaling: wie denkie dek ezeen hebbe in Zwolle
267 (y04a) Hij heeft zijn handen gewassen (inf. 02910) vertaling: hij het zien hann ewassn
268 (y04b) Hij heeft zijn hemd gewassen (inf. 02910) vertaling: Hij hef zien hemt ewassn
269 (y04c) Hij heeft een hoed op het hoofd (inf. 02910) vertaling: Hij het een hoedopt heuft
270 (y04d) Hij heeft een vlek op zijn hemd (inf. 02910) vertaling: Hij het 'n vlekke op zien hemt
271 (y04e) Hij heeft zijn been gebroken (inf. 02910) vertaling: Hij hetz ien bien ebrökn
272 (y04f) Zij heeft zich pijn gedaan (inf. 02910) vertaling: Zie hef zich zeer edon
opm.: reflexief: zich
273 (y04g) Marie trok de deken naar zich toe (inf. 02910) vertaling: M trök de deke no zich toe
opm.: reflexief: zich
051 (y04h) Luc weet dat er foto's van hemzelf te koop zijn (inf. 02910) vertaling: L weet detter fotoos fannum te koop bint
274 (y04i) Jij herinnert je toch wel dat we toen door dat bos heen zijn gelopen? (inf. 02910) vertaling: Je weet toch nog we det wie toen deur det bos hin ben elopn
277 (y04j) Ik herinner me dat de auto van Marie kapot was. (inf. 02910) vertaling: Ik wid nog det de auto van Merie kepot was
280 (y04k) Zij herinnert zich dat hij als een varken zat te eten (inf. 02910) vertaling: Zie weet nog dette as een varkn zat te etn
283 (y04l) Wij herinneren ons wel dat al Jan zijn boeken gestolen waren, maar zij herinneren het zich niet (inf. 02910) vertaling: Wie wet nog dat alle boeken van j ...
286 (y04m) Herinneren jullie je nog dat we Jan op de markt gezien hebben? (inf. 02910) vertaling: Weej nog deddewie jan op markt zagn
289 (y04n) Hij heeft zich een ongeluk gewerkt (inf. 02910) vertaling: Hij hef zich 'n ongeluk ewerkt
opm.: reflexief: zich
290 (y04o) Hij voelde zich door het ijs zakken (inf. 02910) vertaling: Hij voelde zich deurt ies zakkn
opm.: reflexief: zich
295 (y05) Zou hij dat (gedaan/doen) (hebben) (gekund)? (inf. 02910) vertaling: zolle det edon könn hemm
877 (y05(i)) Hij heeft dat nooit gekund (inf. 02910) fragment: ekunt (1)
878 (y05(ii)) Hij heeft dat nooit gedaan (inf. 02910) fragment: edon (1)
296 (y05(iii)a) Zou hij dat gedaan hebben gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
296 (y05(iii)a) Zou hij dat gedaan hebben gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
297 (y05(iii)b) Zou hij dat gedaan gekund hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
297 (y05(iii)b) Zou hij dat gedaan gekund hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
298 (y05(iii)c) Zou hij dat hebben gekund gedaan? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
298 (y05(iii)c) Zou hij dat hebben gekund gedaan? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
299 (y05(iii)d) Zou hij dat hebben gedaan gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
299 (y05(iii)d) Zou hij dat hebben gedaan gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
300 (y05(iii)e) Zou hij dat gekund hebben gedaan? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
300 (y05(iii)e) Zou hij dat gekund hebben gedaan? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
301 (y05(iii)f) Zou hij dat gekund gedaan hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
301 (y05(iii)f) Zou hij dat gekund gedaan hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
302 (y05(iii)g) Zou hij dat hebben gekund doen? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
302 (y05(iii)g) Zou hij dat hebben gekund doen? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
303 (y05(iii)h) Zou hij dat hebben doen gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
303 (y05(iii)h) Zou hij dat hebben doen gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
304 (y05(iii)i) Zou hij dat doen hebben gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
304 (y05(iii)i) Zou hij dat doen hebben gekund? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
305 (y05(iii)j) Zou hij dat doen gekund hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
305 (y05(iii)j) Zou hij dat doen gekund hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
306 (y05(iii)k) Zou hij dat gekund doen hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
306 (y05(iii)k) Zou hij dat gekund doen hebben? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
307 (y05(iii)l) Zou hij dat gekund hebben doen? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
307 (y05(iii)l) Zou hij dat gekund hebben doen? (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
309 (y06a) Ik heb geen zin en voeren de koeien (inf. 02910) komt voor: n
310 (y06b) Zij kwamen aan te gewandelen (inf. 02910) komt voor: n
311 (y06c) Ik denk hij weg is (inf. 02910) komt voor: n
312 (y06d) Ik zei nog tegen haar: ik denk hij is weg (inf. 02910) komt voor: n
314 (y06e) Ik weet dat hij is weg (inf. 02910) komt voor: n
315 (y06f) Ik weet hij is weg (inf. 02910) komt voor: n
316 (y06g) Hij wou nog snel even bij de bakker naar binnen en koop een broodje. (inf. 02910) komt voor: n
317 (y06h) Marie al haar koeien zijn verdronken bij de overstroming (inf. 02910) komt voor: n
318 (y06i) Kaas maken weet ik niets van (inf. 02910) komt voor: n
321 (y06j) Die rare jongen ben/heb ik mee naar de markt geweest (inf. 02910) komt voor: n
322 (y06k) Ik heb al de eerste drie sommen gemaakt. De welke heb jij gemaakt? (inf. 02910) komt voor: n
323 (y06l) De watvoore/waffere heb jij al weggebracht? (inf. 02910) komt voor: n
324 (y06m) De zulke zou ik niet durven opeten (inf. 02910) komt voor: n
325 (y06n) De die zou ik niet durven opeten (inf. 02910) komt voor: n
326 (y06o) Ik weet dat Jan naar de markt geweest heeft (inf. 02910) komt voor: n
330 (y07a) Lopentere kwam ik hem tegen (inf. 02910) komt voor: n
331 (y07b) Ik heb heel wat lopen gedaan (inf. 02910) komt voor: n
332 (y07c) Ik word nu moe, dat ik hou er maar mee op (inf. 02910) komt voor: n
333 (y07d) Hij deed zich voor dat hij net uit zijn bed kwam (inf. 02910) komt voor: n
334 (y07e) De schilder is hier geweest te schilderen (inf. 02910) komt voor: n
335 (y07f) Ga je naar huis denk? (inf. 02910) komt voor: n
336 (y08a) In die tijd leefde ik erop los (inf. 02910) vertaling: In die tiet lemm ik durrop los
337 (y08b) Vroeger leefde hij als een beest (inf. 02910) vertaling: Vrogger lemmde as 'n biest
338 (y08c) Daar leefden wij als god in Frankrijk (inf. 02910) vertaling: Doar lemm wie as God in frankrijk
339 (y08d) Niemand mag het zien, dus ik vind dat jij het ook niet mag zien (inf. 02910) vertaling: gieniene mag 't sie dus ik finne deddie ok nie mag sie
opm.: Twijfelgeval voegwoordvervoeging
340 (y08e) Het gebeurde toen je wegging (inf. 02910) vertaling: 't gebeurn toennie weggung
341 (y08f) Ik weet waar je geboren bent (inf. 02910) vertaling: Ik wit woa-j geboarn bint
342 (y08g) Nu je klaar bent, mag je gaan (inf. 02910) vertaling: Noej kloar bunt, majj gon
343 (y08h) Doordat Marie overleden was, heeft haar man Anna niet meer kunnen helpen (inf. 02910) vertaling: Umdet merie doot was hef haa man Anna nie mehr könn helpn
346 (y09) Ik weet dat hij (is) (gaan) (zwemmen) (inf. 02910) vertaling: Ik wet dette is goa zwemmn
347 (y09a) Ik weet dat hij is gaan zwemmen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
347 (y09a) Ik weet dat hij is gaan zwemmen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
348 (y09b) Ik weet dat hij is zwemmen gaan (inf. 02910) gebr.: 1
349 (y09c) Ik weet dat hij gaan is zwemmen (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
349 (y09c) Ik weet dat hij gaan is zwemmen (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
350 (y09d) Ik weet dat hij gaan zwemmen is (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
350 (y09d) Ik weet dat hij gaan zwemmen is (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
351 (y09e) Ik weet dat hij zwemmen is gaan (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
351 (y09e) Ik weet dat hij zwemmen is gaan (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
352 (y09f) Ik weet dat hij zwemmen gaan is (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
352 (y09f) Ik weet dat hij zwemmen gaan is (inf. 02910) komt voor: n
gebr.: 1
353 (y10a) Persoon A vraagt: Wil je nog koffie, Jan? Jan antwoordt: Ja'k (inf. 02910) komt voor: n
354 (y10b) Gaat ze dansen? Jase (inf. 02910) komt voor: n
355 (y10c) Persoon A vraagt: Hebben ze gegeten? Persoon B antwoordt: Jaanze (inf. 02910) komt voor: n
356 (y10d) Is het huis te koop? Jaa't (inf. 02910) komt voor: n
357 (y10e) A: Er komt morgen iemand langs. B: Wie dat? (inf. 02910) komt voor: n
359 (y11a) Met zulk weer je kunt niet veel doen (inf. 02910) komt voor: n
360 (y11b) Als het kermis is de mensen komen buiten (inf. 02910) komt voor: n
361 (y11c) Ik wil hem nooit meer zien want hij mij bedrogen heeft (inf. 02910) komt voor: n
362 (y11d) Ik wil hem nooit meer zien omdat hij heeft mij bedrogen (inf. 02910) komt voor: n
363 (y11e) Jij gaat naar het voetbal kijken met ik (inf. 02910) komt voor: n
365 (y11f) Hem is dood (inf. 02910) komt voor: n
364 (y11g) Is hem dood? (inf. 02910) komt voor: n
366 (y11h) Haar is ziek (inf. 02910) komt voor: n
367 (y11i) Is haar ziek? (inf. 02910) komt voor: n
368 (y11j) Met hij/hem te werken moest zij de hele dag thuis blijven (inf. 02910) komt voor: n
369 (y11k) Met het te sneeuwen konden we de stad niet uit (inf. 02910) komt voor: n
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 02910) fragment: die (1)
371 (z01b) Dat is de man die het verhaal heeft verteld (inf. 02910) fragment: die (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 02910) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 02910) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 02910) fragment: - (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 02910) fragment: - (2)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 02910) komt voor: n
374 (z01e) De mannen ... ik mee gesproken heb, zitten daar (inf. 02910) fragment: waarmee (1)
375 (z01f) De mannen met ... ik gesproken heb zitten daar (inf. 02910) fragment: wie (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 02910) fragment: (2)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 02910) fragment: waar (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 02910) fragment: waar (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 02910) fragment: (2)
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
379 (z01i) Daar loopt de lerares ... het gedaan heeft (inf. 02910) fragment: die (1)
380 (z01j) Dat is het huis dat ik gekocht heb (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
380 (z01j) Dat is het huis dat ik gekocht heb (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
380 (z01j) Dat is het huis dat ik gekocht heb (inf. 02910) fragment: wat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
380 (z01j) Dat is het huis dat ik gekocht heb (inf. 02910) fragment: dat (1)
opm.: Twijfelgeval tussen d-woord en voegwoord
381 (z01k) Wie te laat komt, moet op de bank zitten (inf. 02910) fragment: wie (1)
382 (z01l) De vrouw ... vader vorig jaar gestorven is, is gisteren getrouwd (inf. 02910) fragment: waarvan (1)
384 (z02a) Piet denkt dat Jan en Marie op niemand niet boos zijn (inf. 02910) vertaling: P denkt dat J en m op hieniene nie kwaod bint
betekenis: geen negative concord
opm.: Wordt alleen in NC-lezig gebruikt met 'een vette knipoog'
384 (z02a) Piet denkt dat Jan en Marie op niemand niet boos zijn (inf. 02910) vertaling: P denkt dat J en m op hieniene nie kwaod bint
betekenis: geen negative concord
opm.: Wordt alleen in NC-lezig gebruikt met 'een vette knipoog'
385 (z02b) Wim denkt dat we nooit niemand een prijs geven (inf. 02910) vertaling: W denkt dat wie nooit gieniene een prijs geeft
betekenis: negative concord
opm.: Wordt alleen in NC-lezig gebruikt met 'een vette knipoog'
385 (z02b) Wim denkt dat we nooit niemand een prijs geven (inf. 02910) vertaling: W denkt dat wie nooit gieniene een prijs geeft
betekenis: negative concord
opm.: Wordt alleen in NC-lezig gebruikt met 'een vette knipoog'
386 (z02c) Het is waar dat ze mogen niet met Marie praten (inf. 02910) vertaling: 't is waor det ze niet magt proaten met M
betekenis: negatie > modaal
386 (z02c) Het is waar dat ze mogen niet met Marie praten (inf. 02910) vertaling: 't is waor det ze niet magt proaten met M
betekenis: negatie > modaal
389 (z03a) A: Waar groeit het geld aan de bomen? B: Nergens niet (inf. 02910) vertaling: naans
388 (z03b) A: Wie heeft de auto meegenomen? B: Niemand niet (inf. 02910) vertaling: gin iene
387 (z03c) Persoon A vraagt: Wanneer zal de wereldvrede komen? Persoon B antwoordt: Nooit niet (inf. 02910) vertaling: nooit
390 (z03d) A: Wat is rond en vierkant tegelijk? B: Niets niet (inf. 02910) vertaling: niks
391 (z03e) A: Welke koeien heeft hij gemolken? B: Geen enkele niet (inf. 02910) vertaling: giniene
392 (z04a) Zeg hem niet dat ik naar buiten ben geweest! (inf. 02910) vertaling: Zrg hum nie dek noak buten ewes bin
393 (z04b) Niet vertellen dat je een cadeau voor hem hebt gekocht, hoor! (inf. 02910) vertaling: Niet vertelln dej 'm kado veur em ekoch heb, heur
394 (z04c) Weet je niet dat hij gevallen is? (inf. 02910) vertaling: Weej niet dette evalln is
399 (z05a) Wendy probeerde om niemand pijn te doen (inf. 02910) vertaling: Wendy prebeerde um giniene piene te doen
397 (z05b) 't Schijnt dat ze niets mag eten (inf. 02910) vertaling: 't schient det ze niks mag hemm
398 (z05c) Ze schijnt niets te mogen eten (inf. 02910) vertaling: Ze schient niks te maggn eten
399a (z05d) Ze proberen al de hele dag om elkaar op te bellen (inf. 02910) vertaling: zie probeert de hele dag a um mekare op te belln
400 (z05e) Het belooft weer een mooie dag te worden (inf. 02910) vertaling: 't belohft weer 'n mooi dag te worn
401 (z05f) 't Is misschien beter om nog even te wachten (inf. 02910) vertaling: 't is misschien beter um nog em te waggn
402 (z05g) We hadden 't geluk om hem direct terug te vinden (inf. 02910) vertaling: We han't geluk um drek trugge te vinde
404 (z06a) Als de kippen een valk zien, zijn ze bang (inf. 02910) vertaling: As de kippe un valke ziet bint ze bange
405 (z06b) Als we de aardappelen niet kunnen verkopen, zitten we in de problemen (inf. 02910) vertaling: Aw de eerpels nie kunt verkopn zitte we in de penarie
406 (z06c) Als jullie hem niet meenemen word ik kwaad (inf. 02910) vertaling: As juule um niet metnemt wokwood
407 (z06d) Hij wist he(n)t (inf. 02910) vertaling: Hij wust
408 (z06e) Op dit feest wordt er veel gedanst (inf. 02910) vertaling: Op dit feest wotter völle edanst
409 (z06f) Nu wordt er alleen nog maar brood verkocht in die winkel (inf. 02910) vertaling: Noe wotter alleen nog ma brood verkocht in die winkel
410 (z06g) Als hij met de fiets komt, zal hij wel laat zijn (inf. 02910) vertaling: Asse met de fietse kömp zalle wel late wen
412a (z06h) Als je tijd hebt, kom dan eens een keertje langs (inf. 02910) vertaling: Aj tied hest kom da nis langs
413a (z06i) Als ik rijk ben, koop ik een dure auto (inf. 02910) vertaling: Ak rieke bin koop ik un dure auto
881 (z07(i)) Ik weet dat (ge)(je) 't (gij)(jij) gedaan hebt (inf. 02910) komt voor: n
417 (z07(ii)a) Misschien ga'k 'et (e)(k)ik wel krijgen (inf. 02910) komt voor: n
418 (z07(ii)b) Durfder gij op duwen? (inf. 02910) komt voor: n
419 (z07(ii)c) Durfdeme gij uitnodigen? (inf. 02910) komt voor: n
420 (z07(ii)d) Durfdeze gij uitnodigen? (inf. 02910) komt voor: n
421 (z07(ii)e) Is hij Pol hier geweest? (inf. 02910) komt voor: n
422 (z07(ii)f) Hoe heeft hij Pol dat opgelost? (inf. 02910) komt voor: n
423 (z07(ii)g) Heb je me jij die brief opgestuurd? (inf. 02910) komt voor: n
424 (z07(ii)h) Ik heb hem het gegeven (inf. 02910) komt voor: n
425 (z07(ii)i) Ze leeft zij op water en brood deze week (inf. 02910) komt voor: n
431 (z08) Marie heeft gezegd dat jij (een liedje) (hebt) (geprobeerd) (te zingen) (inf. 02910) vertaling: M hef ezeg dij probeert hebp een vassie te zingn
opm.: IPP
431 (z08) Marie heeft gezegd dat jij (een liedje) (hebt) (geprobeerd) (te zingen) (inf. 02910) vertaling: M hef ezeg dij probeert hebp een vassie te zingn
opm.: IPP
431 (z08) Marie heeft gezegd dat jij (een liedje) (hebt) (geprobeerd) (te zingen) (inf. 02910) vertaling: marie hef ezeg dij'n vassie hep proberen te zingn
opm.: IPP
431 (z08) Marie heeft gezegd dat jij (een liedje) (hebt) (geprobeerd) (te zingen) (inf. 02910) vertaling: marie hef ezeg dij'n vassie hep proberen te zingn
opm.: IPP
549 (z08(v)) Marie heeft gezegd dat jij haar hebt geprobeerd een boek te geven (inf. 02910) vertaling: marie hef ezeg dij proobeert hept haar een boek te geem
543a (z08a) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt geprobeerd te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
543a (z08a) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt geprobeerd te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
537 (z08c) Marie heeft gezegd dat jij een liedje geprobeerd te zingen hebt (inf. 02910) komt voor: n
604a (z08d) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt te zingen geprobeerd (inf. 02910) komt voor: n
547 (z08e) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen geprobeerd hebt (inf. 02910) komt voor: n
543 (z08f) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen hebt geprobeerd (inf. 02910) komt voor: n
535 (z08g) Marie heeft gezegd dat jij hebt geprobeerd een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
535 (z08g) Marie heeft gezegd dat jij hebt geprobeerd een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
440 (z09a) Die van de stad, die hebben hier veel huizen gebouwd (inf. 02910) vertaling: Die stadsen hebt hier völle huuzn bouwd
441 (z09b) Aan die nieuwe vaart, daar zie je geen mens meer (inf. 02910) vertaling: An die nieuwe vaart ziej gin mense meer
442 (z09c) Gisteren die is Jan hier geweest (inf. 02910) vertaling: Gistern is jan hier ewes
443 (z09d) De dag dat Jan belde, was ik niet thuis (inf. 02910) vertaling: De dag dat jan belln waknie thuus
444 (z09e) Jef, die zou ik nooit uitnodigen (inf. 02910) vertaling: Jef zo'k nooit uutnödegn
445 (z09f) Marie, die zou zoiets nooit doen (inf. 02910) vertaling: marie zol zoiets nooit doe(n)
446 (z09g) Bert, die drinkt wel eens een glas te veel (inf. 02910) vertaling: Bert drinkt wellis un glas te völle
447 (z09h) Martha, die zou ik wel eens bij mij thuis willen uitnodigen (inf. 02910) vertaling: martha zo'k willis beej mie tuus willn uutnödegn
448 (z09i) Dat huis, dat zou ik nooit willen kopen (inf. 02910) vertaling: Det huus zo'k nooit willn koopn
449 (z09j) Dat huis, dat staat daar al vijftig jaar (inf. 02910) vertaling: Det huus stiet er al fieftig joar
000 (z09opm) (inf. 02910) opm. inf.: Alleen pronominale herhaling wanneer het echt nadruk heeft
451 (z10(i)a) Ze zijn naar de markt geweest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
451 (z10(i)a) Ze zijn naar de markt geweest (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
452 (z10(i)b) Ze hebben naar de markt geweest (inf. 02910) komt voor: n
453 (z10(i)c) Ze zijn/hebben geweest naar de markt (inf. 02910) komt voor: n
454 (z10(i)d) Ze hebben geweest naar de markt (inf. 02910) komt voor: n
456 (z10(ii)a) Hij heeft zijn kinderen op de tractor gezet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
456 (z10(ii)a) Hij heeft zijn kinderen op de tractor gezet (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
457 (z10(ii)b) Hij heeft zijn kinderen gezet op de tractor (inf. 02910) komt voor: n
458 (z10(ii)c) Hij heeft gezet zijn kinderen op de tractor (inf. 02910) komt voor: n
461 (z10(iii)a) Hij heeft zijn voorgevel helemaal wit geschilderd (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
461 (z10(iii)a) Hij heeft zijn voorgevel helemaal wit geschilderd (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
462 (z10(iii)b) Hij heeft zijn voorgevel geschilderd helemaal wit (inf. 02910) komt voor: n
464 (z10(iii)c) Hij heeft geschilderd zijn voorgevel helemaal wit (inf. 02910) komt voor: n
466 (z10(iv)a) Mijn vrouw kan dialect spreken (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
466 (z10(iv)a) Mijn vrouw kan dialect spreken (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
467 (z10(iv)b) Mijn vrouw kan spreken dialect (inf. 02910) komt voor: n
469 (z10(v)a) Gunther heeft Annemie naar huis gebracht (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
469 (z10(v)a) Gunther heeft Annemie naar huis gebracht (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
470 (z10(v)b) Gunther heeft Annemie gebracht naar huis (inf. 02910) komt voor: n
471 (z10(v)c) Gunther heeft gebracht Annemie naar huis (inf. 02910) komt voor: n
472 (z11a) En heeft Gunther gebeld? (inf. 02910) vertaling: Het g ebelt?
473 (z11b) En pas op! (inf. 02910) vertaling: Waad oe
473 (z11b) En pas op! (inf. 02910) vertaling: Pas op
473 (z11b) En pas op! (inf. 02910) vertaling: Pas op
473 (z11b) En pas op! (inf. 02910) vertaling: Waad oe
474 (z11c) 't En was maar net goed genoeg (inf. 02910) vertaling: 't was ma net goed genog
475 (z11d) Marjo heeft nu meer koeien dan ze vroeger en had (inf. 02910) vertaling: M het nou meer koen as vrogger
476 (z11e) Als Susanne en had kunnen komen dan had ze dat gedaan (inf. 02910) vertaling: as S had kunn komm (dan) had ze det edoan
477 (z11f) Zij is de beste dokter die ik en ken (inf. 02910) vertaling: zie si de beste dokter diekkenne
478 (z11g) Voor je iets en weggooit, moet je even bellen (inf. 02910) vertaling: Veujj wat weggooit muj em belln
479 (z11h) Hier is alles wat ik gekregen en heb (inf. 02910) vertaling: Hier is alles wak ekregen hebbe
480 (z11i) Jan en is te gierig om iets aan z'n kinderen te geven (inf. 02910) vertaling: jan is te knieperig um wat zn zie kinder te gee
481 (z11j) Alsof jij iets van voetballen en weet! (inf. 02910) vertaling: Asof ie wat van foetballn weet
482 (z11k) Dat boek leg neer! (inf. 02910) vertaling: Leg de boek neer
482 (z11k) Dat boek leg neer! (inf. 02910) vertaling: Leg de boek dale
482 (z11k) Dat boek leg neer! (inf. 02910) vertaling: Leg de boek dale
482 (z11k) Dat boek leg neer! (inf. 02910) vertaling: Leg de boek neer
483 (z11l) Als je echt niet kunt wachten, dan kom maar (inf. 02910) vertaling: Aj egt nie wachen kunt dan kom mo
488 (z12a) Ik weet dat Jan de dokter had kunnen roepen (inf. 02910) vertaling: Ik wet dat jan de dokter hat kunn roepn
489 (z12b) Ik weet dat Jan de dokter kon geroepen hebben (inf. 02910) vertaling: I wet det jan de dokter eroepn kon hemm
490 (z12c) Hij zei dat ik het had moeten doen (inf. 02910) vertaling: Hij zeugn det ik et haddemun doen
491 (z12d) Hij zei dat ik het moest gedaan hebben (inf. 02910) vertaling: Hij zemg det ik et edon mosse hemm
492 (z12e) Hij is vorige week door dokter Mertens geopereerd (inf. 02910) vertaling: Hij is veurige wekke door dokter m opereerd
493 (z12f) Hij wordt morgen door dokter Mertens geopereerd (inf. 02910) vertaling: Hij wott mann door dokter m opereerd
495 (z13a) Ik denk dat je veel weg zou moeten gooien/Ik denk dat je veel zou weg moeten gooien/Ik denk dat je veel zou moeten weg gooien (inf. 02910) vertaling: Ik denke dij völle weg zoln mun gooin
496 (z13b) Het is dom om zulke dure dingen (weg) te (weg) gooien (inf. 02910) vertaling: 't is dom om zuk duur spul weg te gooin
497 (z13c) Hij is alle kapotte spullen (weg) aan het (weg) gooien (inf. 02910) vertaling: Hij is alle kepotte spulln an 't weggooin
498 (z13d) Ik vind dat je vaker (de krant) zou (de krant) moeten (de krant) lezen (inf. 02910) vertaling: Ik vinne dij vaker de krante zolln munn lezzn
499 (z13e) Het is dom om in het donker (de krant) te (de krant) lezen (inf. 02910) vertaling: 't is dom om in 't donker de krante te lezzn
500 (z13f) Hij is de hele dag (de krant) aan het (de krant) lezen (inf. 02910) vertaling: Hij is de hele dag de krante an't lezzn
512 (z15a) Zo'n ding een(e) heb ik nog nooit gezien! (inf. 02910) komt voor: n
513 (z15b) Zo een vrouw een(e) kun je maar beter niet tegenspreken (inf. 02910) komt voor: n
514 (z15c) Zo een mens een(e) heeft altijd wat om over te klagen (inf. 02910) komt voor: n
515 (z15d) Jij bent ook een rare een(e) (inf. 02910) komt voor: n
516 (z16a) Robert heeft één groene appel weggegeven, en nu heeft hij er nog twee rode (inf. 02910) vertaling: R hef ien groene appel weggegeem en noe heftie nog twee rooie
412 (z16b) Er waren veel mensen op het feest (inf. 02910) vertaling: d'r wann völle mensn op ' feust
413 (z16c) Jammer dat ik gisteren niet kon komen. Waren er veel mensen op het feest? (inf. 02910) vertaling: wann d'r völle mensn op 't feust
520 (z16d) Wat voor boeken heb je gekocht? (inf. 02910) vertaling: Wat hij veurn boeke ekog
520 (z16d) Wat voor boeken heb je gekocht? (inf. 02910) vertaling: Wat fuur boekn hij ekoch
520 (z16d) Wat voor boeken heb je gekocht? (inf. 02910) vertaling: Wat fuur boekn hij ekoch
520 (z16d) Wat voor boeken heb je gekocht? (inf. 02910) vertaling: Wat hij veurn boeke ekog
521 (z16e) Hij woont bij Marietje (inf. 02910) vertaling: Hij woont bi-j M
522 (z16f) Hij woont bij Wim (inf. 02910) vertaling: Hij woont bi-j W
523 (z16g) Loop even naar de bakker, Wim! (inf. 02910) vertaling: Loop emm noa de bakker
524 (z16h) Wie heb je gezien? (inf. 02910) vertaling: Wie hij ezeen
525 (z16i) Wie heeft jou gezien? (inf. 02910) vertaling: Wie hef oe ezeen
527 (z16j) Had ik dat geweten dan had ik het niet gedaan (inf. 02910) vertaling: Hak da eweetn dan hak et nie edon
528 (z16k) 't Zou beter zijn om nog even te wachten (inf. 02910) vertaling: 't sol better we um nog em te wach
882 (z16l) Gelukkig had Jan de dokter gebeld en die was er al heel gauw (inf. 02910) vertaling: Gelukkig had J de dokter ebelt en die was-ter rap
883 (z16m) Loop nou toch door, vervelende jongens! (inf. 02910) vertaling: Loop noe toch deur verveelnde kliern
538 (z17a) Marie heeft gezegd dat jij geprobeerd hebt een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
538 (z17a) Marie heeft gezegd dat jij geprobeerd hebt een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 5
534 (z17b) Marie heeft gezegd dat jij hebt proberen een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
534 (z17b) Marie heeft gezegd dat jij hebt proberen een liedje te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
544 (z17c) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt proberen te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
544 (z17c) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt proberen te zingen (inf. 02910) komt voor: j
gebr.: 1
545 (z17d) Marie heeft gezegd dat jij een liedje proberen hebt te zingen (inf. 02910) komt voor: n
536 (z17e) Marie heeft gezegd dat jij een liedje proberen te zingen hebt (inf. 02910) komt voor: n
605a (z17f) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt te zingen proberen (inf. 02910) komt voor: n
548 (z17g) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen proberen hebt (inf. 02910) komt voor: n
542 (z17h) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen hebt proberen (inf. 02910) komt voor: n

interview mondelinge enquête

sprekertekstcommentaar 
geen interview gehouden in Lenthe

data telefonische enquête

zinsnr.testzininstructieantwoorden
geen data telefonische enquête in Lenthe