SAND-data Ijsselstein (E224p)

schriftelijke enquête | mondelinge enquête | telefonische enquête

data schriftelijke enquête

zinsnr.testzinantwoorden
037 (x01c) Toon wast ... (inf. 03420) vertaling: Toon is zich aan het wassen
opm.: reflexief: zich
038 (x01d) De timmerman heeft geen spijkers bij zich (inf. 03420) vertaling: hum
opm.: reflexief: hem
039 (x01e) Fons zag een slang naast ... (inf. 03420) vertaling: hum
opm.: reflexief: hem
040 (x01f) Erik liet mij voor zich werken (inf. 03420) vertaling: hum
opm.: reflexief: hem
043 (x01i) Jan heeft in twee minuten een biertje gedronken (inf. 03420) vertaling: had z'n pilsie gauw op
046 (x01l) Ward heeft gehoord dat er foto's van zichzelf in de etalage staan (inf. 03420) vertaling: hum
opm.: reflexief: hem
052 (x02a) Dokter, leef ik wel gezond genoeg? (inf. 03420) vertaling: genog
065 (x02h) Zou ik dat wel kunnen doen? (inf. 03420) vertaling: Zou ik dat wel kunne doen
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard mot werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard mot werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard mot werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard kin werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard mot werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard kin werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard kin werken
komt voor: j
gebr.: 1
074 (x03a) Ik weet dat Jan hard (moet) (kunnen) (werken) (inf. 03420) vertaling: Ik weet dat Jan hard kin werken
komt voor: j
gebr.: 1
076 (x03b) Ik weet dat Jan hard moet werken kunnen (inf. 03420) komt voor: n
078 (x03c) Ik weet dat Jan hard kunnen moet werken (inf. 03420) komt voor: n
079 (x03d) Ik weet dat Jan hard kunnen werken moet (inf. 03420) komt voor: n
081 (x03e) Ik weet dat Jan hard werken kunnen moet (inf. 03420) komt voor: n
083 (x03f) Ik weet dat Jan hard werken moet kunnen (inf. 03420) komt voor: n
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
879 (x04(iii)a) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur moet bouwen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
880 (x04(iii)b) Ik weet dat Jan een nieuwe schuur bouwen moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
088 (x04(iii)c) Ik weet dat Jan moet een nieuwe schuur bouwen (inf. 03420) komt voor: n
089 (x04(iii)d) Ik weet dat Jan bouwen een nieuwe schuur moet (inf. 03420) komt voor: n
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
091 (x04(iv)a) Ik vind dat Marie naar Jef moet bellen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
092 (x04(iv)b) Ik vind dat Marie naar Jef bellen moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
093 (x04(iv)c) Ik vind dat Marie moet naar Jef bellen (inf. 03420) komt voor: n
094 (x04(iv)d) Ik vind dat Marie bellen naar Sjef moet (inf. 03420) komt voor: n
095 (x04(ix)a) Jan zei dat Marie naar een bakker moest gaan (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
095 (x04(ix)a) Jan zei dat Marie naar een bakker moest gaan (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
096 (x04(ix)b) Jan zei dat Marie naar een bakker gaan moest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 3,4
096 (x04(ix)b) Jan zei dat Marie naar een bakker gaan moest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 3,4
097 (x04(ix)c) Jan zei dat Marie moest naar een bakker gaan (inf. 03420) komt voor: n
098 (x04(ix)d) Jan zei dat Marie gaan naar een bakker moest (inf. 03420) komt voor: n
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
100 (x04(v)a) Ik weet dat Jan jammer genoeg moet vertrekken (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
101 (x04(v)b) Ik weet dat Jan jammer genoeg vertrekken moet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
102 (x04(v)c) Ik weet dat Jan moet jammer genoeg vertrekken (inf. 03420) komt voor: n
103 (x04(v)d) Ik weet dat Jan vertrekken jammer genoeg moet (inf. 03420) komt voor: n
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
105 (x04(vi)a) Ik weet dat Hans niet mag komen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
106 (x04(vi)b) Ik weet dat Hans niet komen mag (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
107 (x04(vi)c) Ik weet dat Hans mag niet komen (inf. 03420) komt voor: n
110 (x04(vi)d) Ik weet dat Hans komen niet mag (inf. 03420) komt voor: n
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
112 (x04(vii)a) Ik weet dat Jan varkens wil kopen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
113 (x04(vii)b) Ik weet dat Jan varkens kopen wil (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
114 (x04(vii)c) Ik weet dat Jan wil varkens kopen (inf. 03420) komt voor: n
115 (x04(vii)d) Ik weet dat Jan kopen varkens wil (inf. 03420) komt voor: n
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
117 (x04(viii)a) Ik weet dat Eddy brood wil eten (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
118 (x04(viii)b) Ik weet dat Eddy brood eten wil (inf. 03420) gebr.: 4
086 (x04(viii)c) Ik weet dat Eddy morgen wil brood eten (inf. 03420) komt voor: n
121 (x04(viii)d) Ik weet dat Eddy eten brood wil (inf. 03420) komt voor: n
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
123 (x04(x)a) Eddy moet vroeg kunnen opstaan (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
124 (x04(x)b) Eddy moet vroeg opstaan kunnen (inf. 03420) komt voor: n
087 (x04(x)c) Eddy moet kunnen vroeg opstaan (inf. 03420) komt voor: n
126 (x04(x)d) Eddy moet opstaan vroeg kunnen (inf. 03420) komt voor: n
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
128 (x04(xi)a) Ik zei dat Willy de auto moest verkopen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
129 (x04(xi)b) Ik zei dat Willy de auto verkopen moest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
130 (x04(xi)c) Ik zei dat Willy moest de auto verkopen (inf. 03420) komt voor: n
131 (x04(xi)d) Ik zei dat Willy verkopen de auto moest (inf. 03420) komt voor: n
135 (x05c) Boeken heeft Jan geen (inf. 03420) vertaling: Jan hef geeneen boek
156 (x06a) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen moet hebben gemaakt (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4,5
156 (x06a) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen moet hebben gemaakt (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4,5
157 (x06b) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen moet gemaakt hebben (inf. 03420) komt voor: n
158 (x06c) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen hebben moet gemaakt (inf. 03420) komt voor: n
159 (x06d) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen hebben gemaakt moet (inf. 03420) komt voor: n
160 (x06e) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt moet hebben (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
160 (x06e) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt moet hebben (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
161 (x06f) Jan weet dat hij voor drie uur de wagen gemaakt hebben moet (inf. 03420) komt voor: n
173 (x07l) Die auto is Wims (inf. 03420) vertaling: van Wim
174 (x07m) Die fiets is mijns (inf. 03420) vertaling: van mijn
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 03420) fragment: te (2)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 03420) fragment: om (1)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 03420) fragment: om (1)
188 (x09a) Heb je genoeg mensen om hooi van het land te halen? (inf. 03420) fragment: te (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 03420) fragment: om te (1)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 03420) fragment: (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 03420) fragment: (2)
189 (x09b) Het was aardig van Jan om te komen werken (inf. 03420) fragment: om te (1)
190 (x09c) Deze ton is zwaar om te dragen (inf. 03420) fragment: om te (1)
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 03420) fragment: (2)
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 03420) fragment: als (1)
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 03420) fragment: als (1)
191 (x09d) ...... je met ons mee wilt ...... moet je nu je jas aan doen (inf. 03420) fragment: (2)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 03420) fragment: om (1)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 03420) fragment: te (2)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 03420) fragment: te (2)
192 (x09e) We hopen allemaal van op tijd thuis te zijn (inf. 03420) fragment: om (1)
193 (x09f) Dat is zo zeker als één en één twee is (inf. 03420) fragment: als (1)
194 (x09g) Ik denk niet dat wij rijker zijn ......... Marie (inf. 03420) fragment: als (1)
194 (x09g) Ik denk niet dat wij rijker zijn ......... Marie (inf. 03420) fragment: dan? (1)
194 (x09g) Ik denk niet dat wij rijker zijn ......... Marie (inf. 03420) fragment: dan? (1)
194 (x09g) Ik denk niet dat wij rijker zijn ......... Marie (inf. 03420) fragment: als (1)
195 (x09h) Jullie hebben meer tijd ......... wij (inf. 03420) fragment: als (1)
195 (x09h) Jullie hebben meer tijd ......... wij (inf. 03420) fragment: als (1)
195 (x09h) Jullie hebben meer tijd ......... wij (inf. 03420) fragment: dan (?) (1)
195 (x09h) Jullie hebben meer tijd ......... wij (inf. 03420) fragment: dan (?) (1)
196 (x09i) Wij hebben meer tijd ......... jij (inf. 03420) fragment: dan (?) (1)
196 (x09i) Wij hebben meer tijd ......... jij (inf. 03420) fragment: als (1)
196 (x09i) Wij hebben meer tijd ......... jij (inf. 03420) fragment: als (1)
196 (x09i) Wij hebben meer tijd ......... jij (inf. 03420) fragment: dan (?) (1)
197 (x09j) Is Jan even oud als jij? (inf. 03420) fragment: als (1)
199 (x09k) Hij staat te zeuren (inf. 03420) fragment: te (1)
198 (x09l) Hij kan staan zeuren (inf. 03420) fragment: te (1)
201 (x09n) Jan zei ......... hij wou meegaan (inf. 03420) fragment: dat (1)
202 (x09o) Hij deed of hij haar niet zag (inf. 03420) fragment: dat (1)
203 (x09p) Ik weet niet of hij komt (inf. 03420) fragment: of (1)
205 (x10b) Ik weet dat zij op niets trots is (inf. 03420) vertaling: ZIj is niet zo gros
209 (x10f) Iedereen denkt dat wij naar huis gaan en dat zij nog mogen blijven (inf. 03420) vertaling: magge
226 (y01(i)a) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij en doet (inf. 03420) komt voor: n
227 (y01(i)b) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: Hij doet (inf. 03420) komt voor: n
228 (y01(i)c) Persoon A vraagt: Hij slaapt; persoon B antwoordt: 't Doet (inf. 03420) komt voor: n
230 (y01(ii)a) A: Hij zal niet komen B: Hij en doet (inf. 03420) komt voor: n
231 (y01(ii)b) A: Hij zal niet komen B: Hij doet (inf. 03420) komt voor: n
232 (y01(ii)c) A: Hij zal niet komen B: 't doet (inf. 03420) komt voor: n
234 (y01(iii)a) A: Slaapt hij? B: Ja, hij doet (inf. 03420) komt voor: n
235 (y01(iii)b) A: Slaapt hij? B: Ja, dat doet hij (inf. 03420) komt voor: n
236 (y01(iii)c) A: Slaapt hij? B: Ja, hij en doet (inf. 03420) komt voor: n
237 (y01(iii)d) A: Slaapt hij? B: Ja, hij slaapt (inf. 03420) komt voor: j
238 (y01(iii)e) A: Slaapt hij? B: Nee, hij doet niet (inf. 03420) komt voor: n
239 (y01(iii)f) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet (inf. 03420) komt voor: n
240 (y01(iii)g) A: Slaapt hij? B: Nee, hij en doet niet (inf. 03420) komt voor: n
241 (y01(iii)h) A: Slaapt hij? B: Nee, hij slaapt niet (inf. 03420) komt voor: j
242 (y01(iii)i) A: Slaapt hij? B: 't Doet (inf. 03420) komt voor: n
243 (y01(iii)j) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Ie doet (inf. 03420) komt voor: n
244 (y01(iii)k) Persoon A vraagt: Slaapt hij?; persoon B antwoordt: Toetoet (inf. 03420) komt voor: n
245 (y01(iv)a) De lamp doet niet meer branden; De kinderen doen hier niet voetballen; Branden doet de lamp niet meer (inf. 03420) komt voor: n
246 (y01(iv)b) Doet Marie elke avond dansen? (inf. 03420) komt voor: n
247 (y01(iv)c) Doe het brood even snijden! (inf. 03420) komt voor: n
249 (y02a) De jongen wiens moeder gisteren hertrouwd is, stond achter mij (inf. 03420) fragment: wiens (1)
250 (y02b) De bank waar ze op zaten was pas geverfd. (inf. 03420) fragment: waor (1)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03420) fragment: (2)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03420) fragment: waor (1)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03420) fragment: waor (1)
251 (y02c) De bank ...... op ...... ze zaten is pas geverfd. (inf. 03420) fragment: (2)
253 (y02e) Op zondag gingen we met heel de familie naar zee, wat heel leuk was. (inf. 03420) komt voor: n
254 (y02f) Dat is een man die je nooit in een café zult aantreffen (inf. 03420) komt voor: n
255 (y02g) In het dorp waar ik woon staat een oud kerkje (inf. 03420) fragment: waor (1)
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03420) fragment: dat (1)
opm.: tweijfelgeval D-woord of voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03420) fragment: det (1)
opm.: tweijfelgeval D-woord of voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03420) fragment: det (1)
opm.: tweijfelgeval D-woord of voegwoord
256 (y02h) Op de dag dat we aankwamen regende het (inf. 03420) fragment: dat (1)
opm.: tweijfelgeval D-woord of voegwoord
258 (y02i) Dat is iets wat ik niet graag doe (inf. 03420) fragment: wet (1)
257 (y02j) Dat is iets wat heel mooi is (inf. 03420) komt voor: n
259 (y02k) Wie geld heeft moet mij maar wat geven (inf. 03420) fragment: die (1)
260 (y03a) Wat denk je wie ik in de stad ontmoet heb? (inf. 03420) vertaling: Wat dink je wie ik bin teugegekomme?
267 (y04a) Hij heeft zijn handen gewassen (inf. 03420) vertaling: Hij heef z'n handen afgewassen
269 (y04c) Hij heeft een hoed op het hoofd (inf. 03420) vertaling: op z'n kop
271 (y04e) Hij heeft zijn been gebroken (inf. 03420) vertaling: z'n been
272 (y04f) Zij heeft zich pijn gedaan (inf. 03420) vertaling: het deed goed zeer
280 (y04k) Zij herinnert zich dat hij als een varken zat te eten (inf. 03420) vertaling: verreke
289 (y04n) Hij heeft zich een ongeluk gewerkt (inf. 03420) vertaling: heeft zich 't gompes gewerkt
opm.: reflexief: zich
295 (y05) Zou hij dat (gedaan/doen) (hebben) (gekund)? (inf. 03420) vertaling: Zou hij dat hebbe gekind?
295 (y05) Zou hij dat (gedaan/doen) (hebben) (gekund)? (inf. 03420) vertaling: Zou hij dat hebbe gekind?
295 (y05) Zou hij dat (gedaan/doen) (hebben) (gekund)? (inf. 03420) vertaling: Da t het ie nooit gekind
295 (y05) Zou hij dat (gedaan/doen) (hebben) (gekund)? (inf. 03420) vertaling: Da t het ie nooit gekind
877 (y05(i)) Hij heeft dat nooit gekund (inf. 03420) fragment: gekind (1)
878 (y05(ii)) Hij heeft dat nooit gedaan (inf. 03420) fragment: gedoen (1)
296 (y05(iii)a) Zou hij dat gedaan hebben gekund? (inf. 03420) komt voor: n
297 (y05(iii)b) Zou hij dat gedaan gekund hebben? (inf. 03420) komt voor: n
298 (y05(iii)c) Zou hij dat hebben gekund gedaan? (inf. 03420) komt voor: n
299 (y05(iii)d) Zou hij dat hebben gedaan gekund? (inf. 03420) komt voor: n
300 (y05(iii)e) Zou hij dat gekund hebben gedaan? (inf. 03420) komt voor: n
301 (y05(iii)f) Zou hij dat gekund gedaan hebben? (inf. 03420) komt voor: n
302 (y05(iii)g) Zou hij dat hebben gekund doen? (inf. 03420) komt voor: n
303 (y05(iii)h) Zou hij dat hebben doen gekund? (inf. 03420) komt voor: n
304 (y05(iii)i) Zou hij dat doen hebben gekund? (inf. 03420) komt voor: n
305 (y05(iii)j) Zou hij dat doen gekund hebben? (inf. 03420) komt voor: n
306 (y05(iii)k) Zou hij dat gekund doen hebben? (inf. 03420) komt voor: n
307 (y05(iii)l) Zou hij dat gekund hebben doen? (inf. 03420) komt voor: n
309 (y06a) Ik heb geen zin en voeren de koeien (inf. 03420) vertaling: We motte de koeie gaon voere
komt voor: n
309 (y06a) Ik heb geen zin en voeren de koeien (inf. 03420) vertaling: We motte de koeie gaon voere
komt voor: n
310 (y06b) Zij kwamen aan te gewandelen (inf. 03420) komt voor: n
311 (y06c) Ik denk hij weg is (inf. 03420) vertaling: Ik dink dat ie weg is
komt voor: n
311 (y06c) Ik denk hij weg is (inf. 03420) vertaling: Ik dink dat ie weg is
komt voor: n
312 (y06d) Ik zei nog tegen haar: ik denk hij is weg (inf. 03420) komt voor: n
314 (y06e) Ik weet dat hij is weg (inf. 03420) komt voor: n
315 (y06f) Ik weet hij is weg (inf. 03420) komt voor: n
316 (y06g) Hij wou nog snel even bij de bakker naar binnen en koop een broodje. (inf. 03420) komt voor: n
317 (y06h) Marie al haar koeien zijn verdronken bij de overstroming (inf. 03420) komt voor: j
318 (y06i) Kaas maken weet ik niets van (inf. 03420) komt voor: j
322 (y06k) Ik heb al de eerste drie sommen gemaakt. De welke heb jij gemaakt? (inf. 03420) komt voor: n
324 (y06m) De zulke zou ik niet durven opeten (inf. 03420) komt voor: n
325 (y06n) De die zou ik niet durven opeten (inf. 03420) komt voor: n
326 (y06o) Ik weet dat Jan naar de markt geweest heeft (inf. 03420) komt voor: n
330 (y07a) Lopentere kwam ik hem tegen (inf. 03420) vertaling: Hij was ook lopend
komt voor: n
330 (y07a) Lopentere kwam ik hem tegen (inf. 03420) vertaling: Hij was ook lopend
komt voor: n
333 (y07d) Hij deed zich voor dat hij net uit zijn bed kwam (inf. 03420) vertaling: Hij deed net of ie uit z'n bed kwam
334 (y07e) De schilder is hier geweest te schilderen (inf. 03420) vertaling: De schilder is gewist
359 (y11a) Met zulk weer je kunt niet veel doen (inf. 03420) komt voor: n
360 (y11b) Als het kermis is de mensen komen buiten (inf. 03420) komt voor: n
361 (y11c) Ik wil hem nooit meer zien want hij mij bedrogen heeft (inf. 03420) komt voor: n
362 (y11d) Ik wil hem nooit meer zien omdat hij heeft mij bedrogen (inf. 03420) komt voor: n
363 (y11e) Jij gaat naar het voetbal kijken met ik (inf. 03420) komt voor: n
365 (y11f) Hem is dood (inf. 03420) komt voor: n
364 (y11g) Is hem dood? (inf. 03420) komt voor: n
366 (y11h) Haar is ziek (inf. 03420) komt voor: n
367 (y11i) Is haar ziek? (inf. 03420) komt voor: n
368 (y11j) Met hij/hem te werken moest zij de hele dag thuis blijven (inf. 03420) komt voor: n
369 (y11k) Met het te sneeuwen konden we de stad niet uit (inf. 03420) komt voor: n
370 (z01a) Dat is de man die ze geroepen hebben (inf. 03420) fragment: die (1)
371 (z01b) Dat is de man die het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: denk (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: denk (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: denk (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: die (2)
372 (z01c) Dat is de man die ik denk dat het verhaal heeft verteld (inf. 03420) fragment: denk (1)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 03420) fragment: waarvan (1)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 03420) fragment: die (2)
373 (z01d) Dat is de man die ik denk dat ze geroepen hebben (inf. 03420) fragment: die (2)
374 (z01e) De mannen ... ik mee gesproken heb, zitten daar (inf. 03420) fragment: waarmee (mee doorgestreept) (1)
375 (z01f) De mannen met ... ik gesproken heb zitten daar (inf. 03420) fragment: wie (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 03420) fragment: waar (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 03420) fragment: waar (1)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 03420) fragment: (2)
376 (z01g) De mannen ... mee ik gesproken heb zitten daar (inf. 03420) fragment: (2)
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 03420) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord of voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 03420) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord of voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 03420) fragment: dat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord of voegwoord
377 (z01h) Dat is een huis ... ik wel zou willen hebben (inf. 03420) fragment: wat (1)
opm.: twijfelgeval D-woord of voegwoord
379 (z01i) Daar loopt de lerares ... het gedaan heeft (inf. 03420) fragment: die (1)
380 (z01j) Dat is het huis dat ik gekocht heb (inf. 03420) fragment: dat (1)
381 (z01k) Wie te laat komt, moet op de bank zitten (inf. 03420) fragment: wie (1)
382 (z01l) De vrouw ... vader vorig jaar gestorven is, is gisteren getrouwd (inf. 03420) fragment: wier (1)
382 (z01l) De vrouw ... vader vorig jaar gestorven is, is gisteren getrouwd (inf. 03420) fragment: wier (1)
382 (z01l) De vrouw ... vader vorig jaar gestorven is, is gisteren getrouwd (inf. 03420) fragment: waarvan de (1)
382 (z01l) De vrouw ... vader vorig jaar gestorven is, is gisteren getrouwd (inf. 03420) fragment: waarvan de (1)
384 (z02a) Piet denkt dat Jan en Marie op niemand niet boos zijn (inf. 03420) betekenis: negative concord
385 (z02b) Wim denkt dat we nooit niemand een prijs geven (inf. 03420) betekenis: negative concord
386 (z02c) Het is waar dat ze mogen niet met Marie praten (inf. 03420) betekenis: negatie > modaal
389 (z03a) A: Waar groeit het geld aan de bomen? B: Nergens niet (inf. 03420) vertaling: nergens
388 (z03b) A: Wie heeft de auto meegenomen? B: Niemand niet (inf. 03420) vertaling: kweetnie
387 (z03c) Persoon A vraagt: Wanneer zal de wereldvrede komen? Persoon B antwoordt: Nooit niet (inf. 03420) vertaling: ik dink van nooit
390 (z03d) A: Wat is rond en vierkant tegelijk? B: Niets niet (inf. 03420) vertaling: dat kin niet
399 (z05a) Wendy probeerde om niemand pijn te doen (inf. 03420) vertaling: pijn = zeer
405 (z06b) Als we de aardappelen niet kunnen verkopen, zitten we in de problemen (inf. 03420) vertaling: hebben we wel pech
406 (z06c) Als jullie hem niet meenemen word ik kwaad (inf. 03420) vertaling: kwaad = woest
408 (z06e) Op dit feest wordt er veel gedanst (inf. 03420) vertaling: gedanst = gedansen
881 (z07(i)) Ik weet dat (ge)(je) 't (gij)(jij) gedaan hebt (inf. 03420) komt voor: n
417 (z07(ii)a) Misschien ga'k 'et (e)(k)ik wel krijgen (inf. 03420) komt voor: n
418 (z07(ii)b) Durfder gij op duwen? (inf. 03420) komt voor: n
419 (z07(ii)c) Durfdeme gij uitnodigen? (inf. 03420) komt voor: n
420 (z07(ii)d) Durfdeze gij uitnodigen? (inf. 03420) komt voor: n
421 (z07(ii)e) Is hij Pol hier geweest? (inf. 03420) komt voor: n
422 (z07(ii)f) Hoe heeft hij Pol dat opgelost? (inf. 03420) komt voor: n
423 (z07(ii)g) Heb je me jij die brief opgestuurd? (inf. 03420) komt voor: n
424 (z07(ii)h) Ik heb hem het gegeven (inf. 03420) komt voor: j
425 (z07(ii)i) Ze leeft zij op water en brood deze week (inf. 03420) komt voor: n
431 (z08) Marie heeft gezegd dat jij (een liedje) (hebt) (geprobeerd) (te zingen) (inf. 03420) vertaling: g
543a (z08a) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt geprobeerd te zingen (inf. 03420) komt voor: j
opm.: met 'te'
546 (z08b) Marie heeft gezegd dat jij een liedje geprobeerd hebt te zingen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
opm.: met 'te'
546 (z08b) Marie heeft gezegd dat jij een liedje geprobeerd hebt te zingen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 4
opm.: met 'te'
537 (z08c) Marie heeft gezegd dat jij een liedje geprobeerd te zingen hebt (inf. 03420) komt voor: n
604a (z08d) Marie heeft gezegd dat jij een liedje hebt te zingen geprobeerd (inf. 03420) komt voor: n
547 (z08e) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen geprobeerd hebt (inf. 03420) komt voor: n
543 (z08f) Marie heeft gezegd dat jij een liedje te zingen hebt geprobeerd (inf. 03420) komt voor: n
535 (z08g) Marie heeft gezegd dat jij hebt geprobeerd een liedje te zingen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 3
opm.: met 'te'
535 (z08g) Marie heeft gezegd dat jij hebt geprobeerd een liedje te zingen (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 3
opm.: met 'te'
442 (z09c) Gisteren die is Jan hier geweest (inf. 03420) vertaling: geweest = gewist
443 (z09d) De dag dat Jan belde, was ik niet thuis (inf. 03420) vertaling: thuis = thois
444 (z09e) Jef, die zou ik nooit uitnodigen (inf. 03420) vertaling: uitnodigen = vragen
446 (z09g) Bert, die drinkt wel eens een glas te veel (inf. 03420) vertaling: te diep in 't gloasie
451 (z10(i)a) Ze zijn naar de markt geweest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
451 (z10(i)a) Ze zijn naar de markt geweest (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
452 (z10(i)b) Ze hebben naar de markt geweest (inf. 03420) komt voor: n
453 (z10(i)c) Ze zijn/hebben geweest naar de markt (inf. 03420) komt voor: n
454 (z10(i)d) Ze hebben geweest naar de markt (inf. 03420) komt voor: n
456 (z10(ii)a) Hij heeft zijn kinderen op de tractor gezet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
456 (z10(ii)a) Hij heeft zijn kinderen op de tractor gezet (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
457 (z10(ii)b) Hij heeft zijn kinderen gezet op de tractor (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 1,2
457 (z10(ii)b) Hij heeft zijn kinderen gezet op de tractor (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 1,2
458 (z10(ii)c) Hij heeft gezet zijn kinderen op de tractor (inf. 03420) komt voor: n
461 (z10(iii)a) Hij heeft zijn voorgevel helemaal wit geschilderd (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
461 (z10(iii)a) Hij heeft zijn voorgevel helemaal wit geschilderd (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
462 (z10(iii)b) Hij heeft zijn voorgevel geschilderd helemaal wit (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 2
462 (z10(iii)b) Hij heeft zijn voorgevel geschilderd helemaal wit (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 2
464 (z10(iii)c) Hij heeft geschilderd zijn voorgevel helemaal wit (inf. 03420) komt voor: n
466 (z10(iv)a) Mijn vrouw kan dialect spreken (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
466 (z10(iv)a) Mijn vrouw kan dialect spreken (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
467 (z10(iv)b) Mijn vrouw kan spreken dialect (inf. 03420) komt voor: n
469 (z10(v)a) Gunther heeft Annemie naar huis gebracht (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
469 (z10(v)a) Gunther heeft Annemie naar huis gebracht (inf. 03420) komt voor: j
gebr.: 5
470 (z10(v)b) Gunther heeft Annemie gebracht naar huis (inf. 03420) komt voor: n
471 (z10(v)c) Gunther heeft gebracht Annemie naar huis (inf. 03420) komt voor: n
474 (z11c) 't En was maar net goed genoeg (inf. 03420) vertaling: genoeg = genog
495 (z13a) Ik denk dat je veel weg zou moeten gooien/Ik denk dat je veel zou weg moeten gooien/Ik denk dat je veel zou moeten weg gooien (inf. 03420) positie: 1
496 (z13b) Het is dom om zulke dure dingen (weg) te (weg) gooien (inf. 03420) positie: 1
497 (z13c) Hij is alle kapotte spullen (weg) aan het (weg) gooien (inf. 03420) positie: 2
498 (z13d) Ik vind dat je vaker (de krant) zou (de krant) moeten (de krant) lezen (inf. 03420) positie: 1
499 (z13e) Het is dom om in het donker (de krant) te (de krant) lezen (inf. 03420) positie: 1
500 (z13f) Hij is de hele dag (de krant) aan het (de krant) lezen (inf. 03420) positie: 1
509 (z14a) Ze heeft dat probleem aan hem laten oplossen (inf. 03420) fragment: door (1)
512 (z15a) Zo'n ding een(e) heb ik nog nooit gezien! (inf. 03420) komt voor: n
513 (z15b) Zo een vrouw een(e) kun je maar beter niet tegenspreken (inf. 03420) komt voor: n
514 (z15c) Zo een mens een(e) heeft altijd wat om over te klagen (inf. 03420) komt voor: n
515 (z15d) Jij bent ook een rare een(e) (inf. 03420) komt voor: n

interview mondelinge enquête

sprekertekstcommentaar 
geen interview gehouden in Ijsselstein

data telefonische enquête

zinsnr.testzininstructieantwoorden
geen data telefonische enquête in Ijsselstein