English | verwijzingen | impact

Symbolen

Symboolkaarten geven per trefwoord een eigen symbool dat op de plaats van waarneming is geplaatst. Symbolen kunnen ook worden gemengd: ofwel symbolen vallen over elkaar heen maar worden onderscheiden door hun onderling sterk verschillende vorm, ofwel symbolen worden opgebouwd uit specifieke elementen waarbij elk element (of juist het ontbreken ervan) een bepaald gegeven vertegenwoordigt.

Bij 'elementen' moet gedacht worden aan vorm, kleur, vulling van het symbool, grootte, richting, markering. Elk kenmerk vertegenwoordigt in de legenda een eigen betekenis of categorie.

Door te focussen op een type symbool of kenmerk kan de verspreiding van de ene categorie op de zelfde kaart worden vergeleken met de verspreiding van een andere categorie.

Het is aan te raden om symbolen die verwante categoriŽn weergeven zelf ook wat uiterlijk betreft verwant te laten zijn. Dat kan door symboolfamilies vantevoren te kiezen, zoals 'zwartgevulde cirkel, open cirkel met zwarte stip, open cirkel', of door verwante symbolen (en dus families) automatisch te laten ontstaan door categoriŽn te koppelen aan bouwelementen van een symbool.

Het is tevens aan te raden voor over elkaar heen vallende symbolen een nieuw symbool te ontwerpen om de beschouwer te helpen bij het focussen op enkele categoriŽn. Dit komt dat neer op het werken met symboolkenmerken en symboolfamilies.

De symbolen als gebruikt in de Morfologische Atlas van Nederlandse Dialecten benutten de volgende symboolkenmerken (in volgorde van belangrijkheid):

  • kleur voor het dominantse onderscheid
    • in deel 1 is dat bij de meervouden de uitgang
    • bij de verkleinwoorden de aanwezigheid (of niet) van palatalisatie
  • vorm
  • dikte / vulling
  • kanteling, dwz horizontaal of verticaal
  • grootte
  • extra merkje op het symbool
Schuinte van het symbool (schuin omhoog of schuin naar beneden) als extra richting is voor informatie-rijke kaarten nog wel te overwegen maar valt al snel af als het gaat om het handhaven van een helder kaartbeeld.

Schaduw als extra kenmerk vervalt om dezelfde reden nog eerder.

Kleuring van de ondergrond vervalt als het om een symbolenkaart gaat; immers, gebiedsvorming wordt dan het liefst op alle niveau's vermeden.

Omranding van het symbool met een kleur zou eventueel kunnen als er over het geheel weinig kleuren in het spel zijn. Maar de expressiekracht van de vorm van het symbool wordt minder en daarom valt ook dit kenmerk af.

De Kloeketabel-applicatie met HTML-kaarten benut de onderstaande mogelijkheden

  • op de eenvoudige kaart
    • kleur op de kleurenkaart
    • en vorm (hier inclusief oriŽntatie) op de zwart-witkaart
  • op de iets complexere kaart
    • kleur
    • vorm (inclusief oriŽntatie)
    • vulling
    • extra merkje op het symbool
    • en grootte
Grootte valt niet altijd fraai uit (in welk geval de kaart het beste overnieuw gemaakt kan worden met andere kenmerk-keuzes).

Gradaties in schuinte en ook schaduw zijn buiten de mogelijkheden van de applicatie gehouden. Deze variaties binnen symbolen zijn met name geschikt voor informatierijke kaarten waarop meer te vinden moet zijn dan met een eerste blik kan worden overgebracht.

Bij kaarten die tevens de intensiteit weergeven is in de applicatie gekozen deze verschillen met symboolverschillen weer te geven in plaats van met grootte-verschillen van eenzelfde symbool. Overigens wel mede met een oplopende graad van zwarting van het symbool.

Vijf schalen voor intensiteits- of frequentie-verschillen is een maximum; meer dan vijf schalen worden niet of nauwelijks in een enkele blik op de kaart verwerkt.

Grootte-verschillen tussen symbolen zijn moeilijk te onderscheiden als symbolen van op elkaar volgende grootte-graden ver van elkaar verwijderd liggen. Tevens treden overlappingen op van kleinere door grotere symbolen.

Tenslotte is bij deze intensiteitskaarten (met vijf intensiteits- of frequentie-klassen) gekozen om twee kleuren te gebruiken om zo een nadere orde aan te brengen, een orde die moeilijker te zien is bij gebruik van vijf symbolen van eenzelfde kleur.

Er lijken nu twee klassen aanwezig op de kaart - en dat is ook zo: de vijf klassen zijn opgedeeld in tweeŽn zodat eerst daarop de focus komt en vervolgens kan binnen een kleur naar verdere verfijning van de opdeling gekeken worden.

Door te spelen met de klasse-indelingen kan de kaart aan de bedoelingen worden aangepast.

Bij de zwart-wit kaart wordt overigens geen tweedeling meegegeven.

Hieronder een voorbeeld van hoe de grootte van symbolen voor het oog beÔnvloed kunnen worden door de omgeving waarin het symbool is geplaatst: dat kan zijn door de werking van andere symbolen maar ook door de lijnen van de basiskaart zoals provinciegrenzen en rivieren. Hierdoor worden grootte-verschillen tussen symbolen snel minder effectief als informatiedrager waar het gaat om gradatie-verschillen.

    

Noot: Omdat het bij de Kloeketabel-applicatie gaat om HTML-kaarten zijn de betrokken afbeeldingen toegankelijk en kan de gebruiker zelf symbolen creŽeren waar dat gewenst is. Let er wel op dat de naamgeving ongewijzigd blijft.

Het is, tot slot, van belang steeds af te wegen wat de bedoeling van de kaart is, welk kenmerk benadrukt moet worden, wat de eerste boodschap moet zijn. Vervolgens is het bij symbolen van belang de af te beelden gegevens te kennen. Beide zijn nodig om tot symboolkeuze te komen, met name als het gaat om symbolen die opgebouwd worden en onderlinge samenhang moeten vertonen om het de beschouwer gemakkelijker te maken de kaart te interpreteren.

De gekleurde symbolen in de applicaties op CD-ROM en website beogen een voldoende contrast. De logica van de kleurmenging zou direct duidelijk moeten zijn (rood+geel=oranje, blauw+geel=groen, blauw+rood=paars, alles=zwart); aanpassing aan kleurenblindheid zou verlies van logica betekenen. Als u kaarten wilt presenteren aan kleurblinde collega's overweeg dan het gebruik van zwart-wit symbolen of 'upload' anders een schermafbeelding van de kleurenkaart naar http://www.vischeck.com/ voor daltonisering (voor maximaal contrast bij kleurenblindheid).

 top | English

Verwijzingen

Al doende leert men en wie de tijd en de moeite neemt om de kartografische eisen te overdenken komt (hopelijk) altijd op hetzelfde uit. Als ťen van de eerste en uitvoerigste onderzoeken naar grafische (re)presentatie geldt wereldwijd de leidraad van Jacques Bertin uit 1967, Sťmiologie graphique (Paris: Mouton). (Er bestaat een Engelse vertaling.) De uitgaves zijn echter vrij zeldzaam. Een Nederlandse samenvatting van zijn gedachten (op basis van een Franse samenvatting van Bertins eigen hand) is te bestellen via het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (volg de verwijzing naar winkel, dan producten, dan overige producten).

Lees meer over Jacques Bertin op de site van beeld-promoter Planque. Of beleef een fraaie samenvatting van zijn Sťmiologie graphique op de site van het Institut d'Etudes Politiques (Sciences Po) te Parijs.

Een actuele (franstalige) cursus valt te lezen bij de universiteit van GenŤve. Vergelijkbaars is te vinden bij kartografie.nl.

Een nederlandstalige samenvatting van een (engelstalig) proefschrift (1992) over symboolontwerp is te lezen bij de universiteit van Utrecht.

Een (duitstalig) proefschrift (1998) over geografische visualisering is te vinden bij de universiteit van Darmstadt.

Verslagen (engelstalig) van psychologisch onderzoek naar kaartbeelden en symbolen zijn te vinden op de site van onderzoeker en ontwerper Phillips.

Lees meer over visuele presentatie in het algemeen op de site van Edward Tufte.
 

Impact

Een aardig voorbeeld van de 'impact' van kartografische symbolen is de herkomst van de benaming die in de Nederlandse grammatica wordt gegeven aan een onderscheid van typen bijzinnen. Dit onderscheid van bijzinnen is afhankelijk van de plaats van het hulpwerkwoord. Zo wordt van de eerstvolgende bijzin gezegd dat de woorden in de 'rode volgorde' staan:
'dat hij is gekomen'.
Bij de volgende bijzin staan de woorden in de 'groene volgorde':
'dat hij gekomen is'.

De kleuraanduiding is afgeleid van de rode en groene cirkeltjes op een dialectkaart van A. Pauwels uit 1953 (De plaats van het hulpwerkwoord, verleden deelwoord en infinitief in de Nederlandse bijzin, Leuven).

top