Voornaam
populariteitslijsten
Nicasius
Verklaring
Afleiding van het Grieks werkwoord nikáo 'ik overwin', dus: 'de overwinnaar'. Heiligennaam: 1) Nicasius, waarschijnlijk eerste bisschop van Rouaan, omstreeks 250 (de bisschopslijsten beginnen pas met St.-Mellonus omstreeks 300); martelaar in Gasny; kerkelijke feestdag: 11 oktober; 2) Nicasius, aartsbisschop van Reims, omstreeks 400; stichter van de basiliek, de latere kathedraal. Martelaar, waarschijnlijk onder de Hunnen in 451; kerkelijke feestdag: 14 december. De naam is in het zuiden al vroeg in gebruik en verbreidt zich in de loop der eeuwen naar het noorden. In de 12e eeuw in Zuid-Nederland: Casis, Kortrijk 1300-'50 (Debrabandere). In het noorden: Casijn van Oldenbarnevelt, Nijkerk medio 14e eeuw (Ned. L. 1958, 444); Jan Nicasius, Rotterdam omstreeks 1550 (Jaarb. 1955, 103); Casijn Jansz. van Hell, geboren bij Harderwijk, gestorven 1572 (Ned. L. 1955, 107). Casijn bleef steeds in gebruik in het geslacht Van (der) Hell; ook in de geslachten Van Till en Loudon. Oudere vormen: Kortrijk omstreeks 1400: Nycasis, Casis, Casekin. In het noorden veelal Casijn. Den Bosch en omgeving vooral in de 17/18e eeuw: Casijn, Sijn, Zijn. In de 15e eeuw reeds veel in Heeze-Leende; later vooral onder invloed van St.-Nicasius van Heeze, een van de martelaren van Gorkum (geboren 1522 in Creyl bij Heeze). Roepnaam in Heeze: Kaas. Vrouwelijke vormen vanaf de 16e eeuw: Casina, Casinna, van Donseler, omstreeks 1550 in Amersfoort (Ned. L. 1962, 286 v.). Nicasia Amsterdam 1735 (Ned. L. 1961, 85).