Voornaam
populariteitslijsten
Jozef
Verklaring
Hebreeuws 'Jahweh voege toe, geve vermeerdering'. Uit het Oude Testament bekend door Jozef, de zoon van Jacob en Rachel (Genesis 30 en 37), die door zijn broers verkocht werd; uit het Nieuwe Testament vooral door Jozef van Nazareth, de man van Maria; daarnaast ook door Jozef van Arimathea. Vooral door Jozef van Nazareth is de naam populair geworden bij katholieken, echter pas in de laatste eeuwen (zie Debrabandere 1961). Het toenemende gebruik van de naam kwam niet alleen door de Reformatie, maar ook door de groeiende verering van Jozef als heilige. Dit gebeurde na 1621, toen door paus Gregorius XV officieel een feestdag aan hem gewijd werd. In 1870 verklaarde paus Pius IX hem tot schutspatroon van de gehele katholieke kerk. Feestdagen waren aanvankelijk 19 maart en de tweede woensdag na Pasen. Op 1 mei 1955 kondigde paus Pius XII af, dat met ingang van 1956 de 1e mei voor de gehele Kerk een feestdag zou zijn ter ere van St.-Jozef de werkman. Dit moest fungeren als een beroep op de maatschappelijke vrede in de christelijke wereld, maar was ook bedoeld als tegenwicht tegen de wereldse 1-meidag. Dat de naam in opkomst was, wordt ook bewezen door het feit dat hij in vorstelijke kringen opkwam, bijvoorbeeld Jozef I en II van Oostenrijk in de 16e eeuw. In Nederland werd de naam vooral beneden de grote rivieren populair. Hoewel de populariteit van de naam pas toenam in de 18e en 19e eeuw, komt hij in de Middeleeuwen al voor, in Duitsland nog vrij vaak in de 8e en 9e eeuw. De naam verdwijnt in de loop van de 10e eeuw en duikt tegen het eind van de 13e eeuw sporadisch weer op. Aanvankelijk is dit de naam uit het Oude Testament, later die uit het Nieuwe Testament. In West-Vlaanderen onder de christelijke namen van de 12e eeuw (Leys, Substitution 6). Oudste voorbeeld in Holland: 1317 (Van der Schaar). Door de betrekkelijk late verering van de heilige was de naam aanvankelijk niet erg populair. Vr. vormen komen reeds vroeg voor: Frankrijk: Iosepia 9e eeuw (Lebel 119); Kortrijk omstreeks 1400: Joossine, Joossijne, Joossijnkin, Joessinkin; Josina = Joest van Egmond 1485 (Dek 1958, E50); Josina = Joost van Damseler, Barneveld omstreeks 1530 (Ned. L. 1962 263). Daarna zeer frequent in de vormen Joosie, Joosyncken, Josina, Jossin, Jossine, Josijna, Josyne, Josyntge(n), Josijntje, Jesijntje. In Wychen (Gelderland) werd de naam Jozef (katholieke) gegeven wanneer een kind in maart, toegewijd aan St.-Jozef, werd geboren (Bernet K. 62).