Home

De eenheid van `het volk' als basis voor wetenschap en politiek. P.J. Meertens en de Westforschung.

Barbara Henkes

In het Duitse debat over de zogenaamde Westforschung gaat om de vraag hoe de bezetting van de gebieden ten Westen van de Duitse grens wetenschappelijk werd gelegitimeerd. De term zegt het al: daarbij is vooral gekeken naar de rol van Duitse instituties en individuele wetenschappers die hun blik Westwaarts richtten in de periode voorafgaand en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook in de bundel Griff nach dem Westen ligt de nadruk op de wijze waarop Duitse autoriteiten de wetenschapspraktijk in de buurlanden probeerden te beïnvloeden en buitenlandse geleerden voor hun uitgangspunt trachtten te winnen.  Zeker zo belangrijk is het om de vraag om te keren en na te gaan welke aantrekkingskracht de Duitse wetenschapspraktijk en het concept van een gedeelde `Germaanse cultuurruimte' uitoefende op wetenschappers en deskundigen in de `Germaanse' buurlanden. Welke vorm van wetenschappelijke transfer vond er plaats en met welke consequenties? In hoeverre belemmerde de overname van voorbeelden uit de Duitse wetenschapspraktijk een kritische houding jegens de Groot-Germaanse cultuurpolitiek voorafgaand, tijdens en na afloop van de Duitse bezetting?
    Ik zal mij beperken tot het terrein van de volkskunde en dialectologie, twee jonge disciplines die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland nog ingebed moesten worden binnen de academische instituties. Dat lag anders in Duitsland, waar men voorop liep met de academische verankering van beide vakken. Wat betreft de institutionalisering van de volkskunde in Nederland kan ik voortbouwen op eerdere publicaties.  De dialectologie heeft echter nog nauwelijks aandacht gekregen,  terwijl men aan de symbiose tussen beide vakgebieden in dit beginstadium vrijwel voorbij is gegaan. Aangezien de secretaris van de Dialecten- en Volkskundecommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, P.J. Meertens, een cruciale rol vervulde als intermediair bij de overname van buitenlandse voorbeelden in de Nederlandse dialectologie en volkskunde, vormen zijn activiteiten en overwegingen de leidraad van dit artikel.


De eenheid van de Nederlandse stam

Toen de 30-jarige neerlandicus P.J. Meertens werd benaderd voor de functie van secretaris van de pas opgerichte Dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, werkte hij aan de universiteitsbibliotheek in Utrecht. Hij was voorgedragen door de neerlandicus C.G.N. de Vooys en de classicus Jos. Schrijnen, die hem beiden als een `zeer begaafd en toegewijd' student hadden leren kennen.  Na zijn afstuderen hield hij met beide hoogleraren contact, vooral met De Vooys bij wie hij later zou promoveren. Als redacteur van het Tijdschrift voor Volkskunde en Dialect, Eigen Volk, als bestuurslid van de Zeeuwse Vereeniging voor Dialectonderzoek en als auteur in het Tijdschrift van Taal en Letteren en andere periodieken had hij blijk gegeven van zijn wetenschappelijke interesse voor de dialectologie. Voor Schrijnen, die met zijn tweedelige Nederlandsche Volkskunde (1915-1917) de grondslag had gelegd voor dit vak, telde bovendien dat Meertens' taalkundige interesse nauw gerelateerd was aan een volkskundige belangstelling.
    In beide disciplines was het de plaatsgebonden volkscultuur die Meertens fascineerde. Zijn behoefte om zich daarin te verdiepen werd mede gevoed door zijn gevoel van verbondenheid met zijn Zeeuwse land van herkomst en een meer algemene interesse voor de geschiedenis van groepen en individuen die zich buiten het (geografische, politieke, sociaal-economische of culturele) centrum van de macht bevonden. Meertens was in 1899 in Middelburg geboren als oudste zoon van kruidenier, die later verzekeringsagent werd. Toen Meertens en zijn jongere broer in 1919 zouden gaan studeren, verhuisde de familie naar Utrecht om de kosten van twee studerende zoons te drukken. Niet alleen zijn sociale en geografische herkomst, maar ook zijn homoseksualiteit maakte hem in zekere zin tot een 'buitenstaander' die zijn leven lang op zoek zou blijven naar een zingevend sociaal verband. Dat zocht hij met name in het christendom en het socialisme: van jongsafaan combineerde hij zijn orthodox christelijke levensovertuiging met een pacifistisch-socialistisch engagement.  Ook in de wetenschap zocht Meertens naar kennis en houvast om zijn positie in de samenleving te kunnen bepalen.
    Hij hoefde dan ook niet lang na te denken toen De Vooys hem voor de voornoemde functie benaderde, ook al zou hij er financieel nauwelijks op vooruit gaan. Meertens voelde zich opgetogen over de plaats binnen de academische gemeenschap die hem werd aangeboden. 'Natuurlijk heb ik het ogenblikkelijk aangenomen', schreef hij in zijn dagboek. 'Een zuiver wetenschappelijke betrekking voor m'n leven lang, geregelde omgang met geleerden uit binnen  en buitenland, een zelfstandige positie, hoe zou ik ooit dit alles kunnen verwerpen?'  De functie van ambtelijk secretaris was nieuw en van Meertens werd verwacht dat hij er - met een minimaal budget - inhoud en vorm aan zou geven. Hij kreeg een kamer in het Amsterdamse Trippenhuis, tevens het onderkomen van de Akademie voor Wetenschappen. Van daaruit kon hij aan de slag met de inrichting van een `Centraal Bureau voor Nederlandsche en Friesche Dialecten'.

Ter oriëntatie op het dialectologisch onderzoek in het buitenland ondernam Meertens een studiereis naar Vlaams-België en Duitsland.  Eerst verbleef hij een maand lang in Gent, waar de hoogleraar E. Blanquaert hem onder zijn hoede nam. Samen trokken zij het Vlaamse land in voor dialectopnames ter voorbereiding van de Dialectatlas van Noord-Oost Vlaanderen. Meertens deed ervaring op met dialectologisch-phonetisch onderzoek op locatie. Hij leerde hoe het dialect van de informanten genoteerd en verwerkt kon worden tot kaarten die inzicht boden in de ruimtelijke verspreiding van een specifiek taalgebruik. In de avonden introduceerde Blanquaerts' assistent Willem Pée hem in de plaatselijke kring van Vlaamse activisten, die net als hij zelf socialistisch georiënteerd waren.  Zo brachten zijn werkzaamheden op het terrein van de dialectologie hem in het hart van de Vlaamse beweging en hij was daar niet ongevoelig voor. De avond nadat hij in oktober 1930 de opening van de vernederlandste universiteit in Gent had bijgewoond, schreef hij in zijn dagboek: `Het was een ontroerend ogenblik, toen het door duizenden aangeheven gezang van de Vlaamse Leeuw de muziek van de Brabançonne verstikte, en allen in de zaal rechtstonden. Ik herinner me niet, ooit zo te hebben horen zingen, met een zo vlammend enthousiasme, met een zo geweldige vreugde. Er gebeuren grote dingen in Vlaanderen; er leeft hier een volk, dat van slaven tot vrije mensen wordt.'  Geheel in overeenstemming met de Vlaamse activisten zag ook Meertens de Vlamingen als het - door de Franstalige Walen - onderdrukte volksdeel binnen de Belgische natie.
    Ruim een maand later, toen hij zijn Vlaamse verkenningen voortzette met een bezoek aan de hoogleraar L. Grootaers en diens Zuid-Nederlandse Dialectcentrale in Leuven, ging Meertens nog een stap verder. Tijdens een wandeling door de stad deden de 'onbeschrijfelijke' geuren hem aan zijn jeugd in Middelburg denken. Deze 'historische sensatie' vormde het moment, waarop hij overtuigd raakte van de noodzaak om 'de eenheid van de Nederlandse stam' niet alleen in cultureel opzicht, maar ook in staatskundige zin te herstellen. `Sterker dan ooit [...] voel ik, dat dit volk mijn volk, dat dit land mijn land is. Ik ben hier geen vreemdeling, ik voel me hier thuis; hoe zou ik anders ook zo sterk aan Middelburg kunnen denken? Tot nog toe heb ik me steeds verzet tegen het denkbeeld, hier door velen, vooral onder de studenten, aangehangen, dat Vlaanderen en Holland weer één staat zouden worden, maar nu denk ik: het moet, hoe dan ook. Wat in wezen één is, kan en mag niet gescheiden blijven voortleven, en de eenheid dezer te onzaliger ure gescheiden landen alleen kan de redding van onze kultuur zijn.'  Meertens was gewonnen voor het Groot-Nederlandse streven, niet alleen in culturele maar ook in politieke zin, hetgeen zijn wens tot een samenwerkingsverband van zijn eigen bureau met de Dialectcentrales in Leuven en Gent nog versterkte.


Het 'Volk' als basis van de Duitse eenheid.


Na Vlaanderen reisde Meertens door naar Duitsland. Ook hier brachten zijn dialectologische verkenningen hem in het brandpunt van een cultuur-politieke strijd rond de nationale identiteit. Dat gold in het bijzonder voor het Institut für geschichtliche Landeskunde der Rheinlande aan de universiteit van Bonn waar Meertens zijn opwachting maakte. De oprichters van het Instituut - de historicus Hermann Aubin, de taalkundige Theodor Frings en de volkskundige Joseph Müller - vormden de voorhoede van de zogenaamde Kulturraumforschung, die sinds de Eerste Wereldoorlog in Duitsland een vlucht had genomen.  Na de herziening van de staatgrenzen door de geallieerden zocht men naar een nieuwe basis, waarop een Duitse eenheid gevestigd kon worden. De Herderiaanse idee van een gedeelde afstamming, taal en geschiedenis bood daartoe een aanknopingspunt. Zo kreeg het cultuurhistorisch onderzoek een onmiskenbaar politieke betekenis.
    Het in 1920 opgerichte Instituut in Bonn was erop uit het Duitse karakter van het Rijnland aan te tonen en historisch te onderbouwen tegenover de aanspraken van `erfvijand' Frankrijk. Alleen wanneer de plaatselijke bevolking overtuigd was van zijn verbondenheid met een midden-Europese cultuurruimte, kon de strijd over de westelijke grens ten gunste van Duitsland beslist worden.  Deze politieke inzet vormde de achtergrond waartegen Aubin, Frings en Müller in nauwe onderlinge samenwerking een nieuwe, interdisciplinaire benadering van het historisch, dialectologisch en volkskundig onderzoek tot ontwikkeling brachten. Via de verspreiding van vragenlijsten werden zowel de plaatselijke aanduiding van zaken en begrippen (dialect) als de plaatselijke zeden en gewoonten (volkscultuur) geïnventariseerd. Door het verloop van dialectgrenzen te verbinden aan de verspreiding van volkskundige gebruiken, meenden zij historisch gegroeide cultuurbewegingen en cultuurruimtes in kaart te kunnen brengen. Dat resulteerde in hun baanbrekende werk over de Kulturströmungen und Kulturprovinzen in Rheinland uit 1926, waarmee de dialectgeografie zich tot een cultuurgeografie en cultuurmorfologie ontwikkelde. 
    Toen Meertens in november 1930 bij het Institut für geschichtliche Landeskunde der Rheinlande arriveerde, waren Aubin en Frings inmiddels opgevolgd door de historicus Franz Steinbach en de taalkundige Adolf Bach. Hen was er alles aan gelegen de positie van het interdisciplinair georiënteerde instituut stevig in het Rijnland te verankeren, zowel in de universitaire gemeenschap als daarbuiten. Niet alleen omdat de buiten-universitaire, plaatselijke organisaties en autoriteiten hard nodig waren voor het verzamelen van hun materiaal, maar ook omdat men erop uit was - in de woorden van directeur Steinbach - `der Wissenschaft zu dienen und die Heimatliebe zu stärken'.  De politieke geschiedenis van het door staatsgrenzen afgegrensde vaderland moest plaats maken voor onderzoek naar de culturele eenheid van de Heimat. Of anders gezegd: in plaats van naar vorstenhuizen en diplomaten, militaire verrichtingen of culturele hoogstandjes moest de aandacht uitgaan naar een autonoom handelend 'Volk'. Dat was immers de drager van de Duitse geschiedenis. Door aan te knopen bij zelfstandige cultuurruimtes zou meer inzicht verkregen worden in een Duits volkskarakter, hetgeen uiteindelijk aan de basis stond van een Duitse eenheid.    Dit streven kon niet beperkt blijven tot het Rijnland. Mede op initiatief van Joseph Müller kwam het in 1928 tot de oprichting van de Zentralstelle voor de Duitse Volkskundeatlas, naast en in samenwerking met de Zentralstelle voor de Duitse Taalatlas in Marburg die al langer dialectologische vragenlijsten over heel Duitsland verspreidde.  Het lag voor de hand dat het Bonner Institut für geschichtliche Landeskunde als regionale afdeling voor het Rijnland (Rheinische Landsstelle) van de Volkskundeatlas zou functioneren. In mei 1930 werd deze verbinding ook van officiële zijde bevestigd.  De stimulans die daarvan uitging ervoer Meertens tijdens zijn driedaags bezoek aan het instituut. Hij toonde zich diep onder de indruk van de vernieuwende aanpak en hechte samenwerking tussen het dialect-, het volkskunde- en het naamkundeonderzoek die weliswaar onder verschillende hoogleraren, maar binnen één gebouw plaats vonden en elkaar over en weer stimuleerden. Dat deze samenwerking versterkt werd door een gedeelde politieke inzet, leek Meertens te ontgaan. Hij noteerde slechts dat hij tijdens gesprekken met Müller en Bach zijn hart ophaalde `aan de vriendelikheid, de welgemanierdheid en vooral de wetenschappelike zin (cursief, bh) van het Duitse volk'.  
    Drie dagen later reisde hij door naar de Zentralstelle des deutschen Sprachatlasses in Marburg, waar hij een week zou blijven. Ruim een halve eeuw eerder was in Marburg door Georg Wenker (1852-1911) de grondslag gelegd voor de Duitse Taalatlas. Wenker, die ook voor de dialectologie buiten Duitsland van grote betekenis is geweest, werd gefascineerd door de vraag waarom bepaalde dialecten op bepaalde plaatsen gesproken werden. De (geografische) ruimte stond centraal in zijn dialectonderzoek, waarmee hij - op basis van zijn vermaard geworden 'veertig zinnen' - overeenkomstige taaluitingen wilde vastleggen.  De Atlas zag hij als een middel om dialecten en hun verspreiding over het land in kaart te brengen en om de geografische verspreiding in hun historische ontwikkeling te verklaren. De veelsoortige dialecten waren in zijn ogen onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van 'Spaltungen, Verschiebungen, Wanderungen, Ansiedlungen, und Vermischungen der Deutschen Volksstämme'.  Deze door Wenker doorgevoerde omschakeling van een beschrijvende naar een verklarende dialectologie, werd na diens dood door Ferdinand Wrede (1893-1934) voortgezet. Via de verspreiding van duizenden vragenlijsten had hij de lokale aanduiding van zaken en begrippen in het Duitse Rijk vastgesteld en vervolgens verschillende dialectruimtes afgebakend. Wrede beschouwde de lokale en territoriale geschiedenis als hèt geëigende middel om de ontwikkeling en geografische verspreiding van dialecten te verklaren. Wrede's leerling Theodor Frings ging nog een stap verder toen hij zich in Bonn, in interdisciplinaire samenwerking met de historicus Aubin en de volkskundige Müller, richtte op de zogenaamde Kulturraumforschung.
    In Marburg werd Meertens ontvangen door Ferdinand Wrede. Deze 'vriendelike oude heer', zoals Meertens hem omschreef,  bleek zeer geïnteresseerd in mogelijke overeenkomsten tussen het Nederlandse en Duitse taalgebied. Hij wilde zijn gast direct overhalen om `de veertig zinnen' van zijn voorganger in Nederland te onderzoeken. Meertens was dermate onder de indruk van `het geweldige werk, dat hier tot stand gebracht is en wordt', dat hij zich voornam alles in het werk te stellen een vertaling van Wenkers' zinnen in de Nederlandse vragenlijsten op te nemen.  Bovendien verklaarde hij zich bereid gegevens te verschaffen over het Nederlandse taalgebied voor de Bibliographie zur deutschen Mundartenforschung und -dichtung. Ook deed hij de toezegging dat zijn `Dialectcentrale' in Amsterdam zich zou aansluiten bij het woordenboekkartel, waaraan vrijwel alle Duitse en verscheidene buitenlandse dialectwoordenboeken, zoals dat van Leuven, deelnamen. Voor eigen gebruik maakte Meertens een dertigtal overtrekken van dialectkaarten van het aan de Nederlandse oostgrens aansluitende gebied van Duitsland. 
    Voordat hij terugkeerde naar Nederland, verbleef Meertens nog anderhalve week in Hamburg. Daar was de Nederlandse Gesinus Kloeke sinds 1925 lector Nederlands aan het Germanische Seminar van de Hamburgse universiteit.  In Hamburg speelde op de achtergrond van het taalonderzoek eveneens een politieke agenda. Inhoudelijk zag de verantwoordelijke hoogleraar Nederduitse philologie Conrad Borchling een verregaande overeenstemming tussen het platduitse dialect en het Nederlands. Dat duidde op een gedeelde taalruimte, waarmee de Flamenpolitik van de Duitse bezetters tijdens de Eerste Wereldoorlog werd onderbouwd.  Het Germanische Seminar had zich ontwikkeld tot een onderzoeks- en coördinatiecentrum van de Nederduitse beweging dat onderdak bood aan een aantal Vlaamse activisten die na de Eerste Wereldoorlog vanwege hun collaboratie naar Duitsland waren gevlucht.  Het waren overigens niet alleen de Vlamingen die zich in Borchlings bijzondere interesse konden verheugen; die gold ook voor de Friesen en anderen bevolkingsgroepen rond de Noord- en Oostzee. Het ging hem erom de culturele en taalkundige tradities van verschillende Germaanse stammen te bestuderen. Deze gaven immers voeding aan een `kulturbewusst Niederdeutschtum' waarop `das gesamtdeutschen Volkstum und der Wahrung der Reichseinheit' gebaseerd moest zijn.  Tot haar gedwongen ontslag in 1934 werd hij daarbij terzijde gestaan door de joodse professor in de Nederduitse philologie Agathe Lasch.
    In deze wetenschapspolitieke context bakende Kloeke zijn eigen werkzaamheden af door in 1926 de Zentralstelle für niederländische Mundarten op te richten, nog voordat het in Nederland tot de instelling van het bureau van de Dialectencommissie kwam. Het idee voor een dergelijk bureau kwam uit de koker van Kloeke, die sinds april 1925 corresponderend lid was van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen.  Het lag dus voor de hand dat Meertens hem zou bezoeken, al verliep de kennismaking aanvankelijk nogal stroef. Dat was niet zo verwonderlijk, aangezien Kloeke erop had gerekend de leiding van het Nederlandse Dialectenbureau te krijgen. Niet alleen was hij de auctor intellectuallis van het Dialectenbureau, maar ook in wetenschappelijk opzicht was hij de deskundige bij uitstek. Na zijn promotie in Leipzig, was Kloeke in 1922 nogmaals in Amsterdam gepromoveerd.  Bovendien had hij in 1926, samen met Grootaerts, de Handleiding bij het Noord- en Zuid-Nederlandsche dialectonderzoek gepubliceerd. Dat de beperkte geldmiddelen verhinderden dat hij de functie kon bezetten, deed niets af aan Kloekes teleurstelling. 
    Op de plannen voor het nieuwe Dialectenbureau die Meertens aan hem voorlegde, reageerde Kloeke uiterst terughoudend. Meertens dacht, geïnspireerd door het voorbeeld van Bonn, aan een gecombineerd bureau voor dialectologie, volkskunde en naamkunde. Hoewel Kloeke in 1923 een jaar lang als vervanger van zijn Duzfreund Theodor Frings in Bonn had gewerkt,  moest hij niets hebben van een dergelijke combinatie van verschillende disciplines binnen een centraal geleid instituut. Nadat was afgesproken dat Kloeke zijn op  en aanmerkingen bij Meertens' voorstellen in een afzonderlijke nota zou formuleren, was de lucht geklaard. In de daaropvolgende dagen kwamen ze, volgens Meertens, `tot de meest vriendschappelike verhouding'.  Hij kreeg alle gelegenheid het aanwezige materiaal in het Hamburgse instituut te bestuderen, waarbij Borchling en Lasch hem een toelichting gaven op het apparaat van het Mittelniederdeutsche Wörterbuch en het Hamburger Wörterbuch. 


Duitsland als voorbeeld voor Nederland en Vlaanderen.

De studiereis van Meertens in het najaar van 1930 was bepalend voor de wijze waarop hij nadien als secretaris van de Dialectencommissie en vanaf 1934 van de Volkskundecommissie zou opereren. Dat gold allereerst voor de opzet van een correspondenten-netwerk ten behoeve van de Dialectatlas. In navolging van de Duitse Sprachatlas werd een landelijk netwerk gevormd van onderwijzers, dominees, artsen en andere `culturele tussenpersonen' die vragenlijsten over het plaatselijk dialect konden beantwoorden en zodoende een brugfunctie vervulden tussen het bureau in Amsterdam en het onderzoeksveld.  Nog voor het eind van 1931 slaagde Meertens erin de eerste vragenlijst over de benaming van delen van het menselijk lichaam naar zo'n 6500 medewerkers verspreid over het hele land toe te zenden. In de daarop volgende jaren stond de uitbreiding van het aantal medewerkers hoog op de agenda.  
    Analoog aan het Bonner Institut für geschichtliche Landeskunde wilde hij ervoor zorgen dat het dialectonderzoek in combinatie met volkskundig, naamkundig en regionaal historisch onderzoek verder ontwikkeld zou worden. Die verbinding ging hem ter harte, omdat zij een interdisciplinaire benadering van cultuurhistorisch onderzoek mogelijk maakte, waarvoor de gangbare politieke en ideeengeschiedenis geen ruimte bood. Meertens had al eerder duidelijk gemaakt dat hij niet geïnteresseerd was in een `oorlogszuchtige historiebeschrijving', noch in een `kultuurgeschiedenis alleen' en evenmin in `een vorstengeschiedenis', maar wél in een geschiedenis `van land en volk'.  Hij wilde zich inzetten voor een wetenschapspraktijk waarin aandacht werd geschonken aan het alledaagse leven van `het (gewone) volk' - en precies dàt zag hij verwezenlijkt in de Volkstum- en Kulturraumforschung zoals dat in Bonn vorm kreeg. Zijn hart lag immers bij het onderzoek naar individuen, groepen en culturen die buiten het centrum van de macht stonden, zoals zijn vroege publicaties over Zeeuwse rederijkers, Saint-Simonisten en Zwijndrechtse Nieuwlichters, heksengeloof, volksgeneeskunde, het Achterhoekse boerenleven of `Utrechtse meisjes en oud-Utrechtse vrijages' laten zien. 
    In die rij paste ook zijn affiniteit met de binnen het Belgische verband gemarginaliseerde Vlamingen en de zich binnen Europees verband vernederd voelende Duitsers. Wetenschappelijke aandacht voor hun `eigen' cultuur zou hun positie kunnen versterken: kennis betekende voor Meertens 'waarheid' en waarheid moest leiden tot een beter begrip en loyaliteit binnen een groter nationaal of grensoverschrijdend verband.  Waar voor de Vlamingen en de Duitsers sinds de Eerste Wereldoorlog echter de versterking van een nationale identiteit of eenheid tegenover de Franse dan wel Romaanse invloed een belangrijke drijfveer vormde om de `volkse' taal en tradities in kaart te brengen, ontbrak bij Meertens dat afgrenzende, militant nationalistische element. Hij beschouwde een vergrote kennis en erkenning van de 'eigenheid' van verschillende culturen primair als een samenbindende kracht: de 'ander' leren kennen is hem liefhebben, of ten minste respecteren. Deze zienswijze komt ook tot uitdrukking in het voorwoord op de tweede jaargang van het tijdschrift Eigen Volk, waarvoor Meertens zich als redactielid vanaf de eerste jaargang in 1929 actief inzette. Met een verwijzing naar 'den geest van den Volkerenbond' werd benadrukt dat de redactie 'den gemeenschappelijke bodem der volkeren' wilde laten zien. Dat was mogelijk door `de kenmerken en bijzonderheden, welke spreken voor de oorspronkelijkheid in het Nederlandsche volk te bestudeeren in het verband van het geheel'.  Een dergelijk universalistisch streven naar eenheid en gelijkheid in verscheidenheid, zou een toenadering tot een militant nationale, Groot-Nederlandse, Nederduitse of Groot-Duitse opstelling echter niet uitsluiten.    
    Wanneer Duitsland vanuit Meertens optiek getypeerd kon worden als de grote broer van wie hij veel kon leren, dan was Vlaanderen - met eenzelfde familiaire metafoor - de tweelingbroer met wie hij zich een voelde. De oriëntatie van Meertens op Duitsland werd versterkt doordat de dialectologen en volkskundigen in Vlaanderen zich evenzeer op de Duitse collega's richten bij de ontwikkeling en organisatie van hun onderzoek. Deze wetenschappelijke oriëntatie van de Vlamingen stond niet los van het politieke krachtenveld in België. De tegenstellingen tussen Vlaanderen en Wallonië bevorderden dat de Vlamingen zich vooral op het Noord-Oosten richtten. Daarmee raakten Vlaamse, Nederlandse en Duitse geleerden op elkaar betrokken, nog voordat de nationaal-socialistische cultuurpolitiek er vanaf 1933 alles aan deed om een dergelijk, als 'Germaans' gedefinieerd verbond te versterken.
    Meertens' sympathieën voor het Groot-Nederlandse streven en zijn vriendschappelijke contacten met Vlaamse collega's zorgden ervoor dat hij de ontwikkelingen in België nauwlettend volgde. Zo was hij in april 1932 aanwezig op het Vlaamse Filologencongres. In de sectie folklore hield de volkskundige Maurits de Meyer een pleidooi om tot een Nederlandstalige tegenhanger van het Duitse Handwörterbuch des deutschen Aberglauben te komen. De discussie die zich daarover ontspon, vormde de aanzet tot de oprichting van twee comités voor folkloristisch onderzoek - een voor Vlaanderen en een voor Nederland - die nauw met elkaar zouden samenwerken.  Meertens nam de coördinatie op zich van de volkskundigen in de Noordelijke Nederlanden. Dat is op z'n minst opmerkelijk, aangezien zijn functieomschrijving zich toen - in overeenstemming met het advies van Kloeke - nog altijd beperkte tot het dialectonderzoek. Maar Meertens wilde meer. Hij wilde de taken van zijn bureau graag uitbreiden naar het volkskundigonderzoek en dit initiatief bood hem de kans dat te realiseren.
    Daarbij kwam hij onvermijdelijk in het vaarwater van de Leids hoogleraar germanistiek Jan de Vries, die samen met de bekende publicist en folklorist Dirk Jan Van der Ven bezig was met de opzet van een Interacademisch Comité voor de Volkskunde ter voorbereiding van een Nederlandse Volkskundeatlas.  In de strijd om de volkskunde trok Meertens, gesteund door prof. Jos Schrijnen en dankzij zijn institutionele inbedding binnen de Akademie van Wetenschappen, aan het langste eind. Zijn werkzaamheden werden in november 1934 uitgebreid met het secretariaat van de Volkskundecommissie en de opzet van een Volkskundeatlas. Dit betekende een verdergaande versterking van de banden met de Duitse collega's, aangezien de Duitse Volkskundeatlas in heel Europa een voorbeeldfunctie vervulde vanwege haar hechte organisatie, gedegen werkwijze en zichtbare output in de vorm van volkskundige kaarten.
    
Tegelijkertijd betekende de opkomst van het nationaal-socialisme dat de relatie met Duitsland onder druk kwam te staan. Zo was het de bedoeling in het voorjaar van 1933 een derde vragenlijst uit te zenden met de Nederlandse bewerking van de 'veertig zinnen van Wenker'. Omdat de invulling van deze vragenlijst het Duitse dialectonderzoek ten goede zou komen, vreesde de Dialectencommissie dat `in de Nederlandsche onderwijswereld' weinig animo bestond om daar aan mee te werken.  Ook vanwege de toen doorgevoerde bezuinigingen besloot men met de uitzending te wachten. Een jaar later waren de bezwaren kennelijk geweken, want de vragenlijst werd in 1934 alsnog verspreid en het aantal teruggestuurde lijsten verschilde niet opvallend van voorafgaande keren.  Het was dan ook zeker niet de bedoeling om de samenwerking met Duitse collega's te blokkeren nadat Hitler aan de macht was gekomen.
    Het eerste jaarverslag van de Volkskundecommissie over 1934, ondertekend voor de voorzitter Jos. Schrijnen en secretaris P.J. Meertens, vermeldt expliciet dat de commissie wilde samenwerken met andere commissies en verenigingen van volkskundigen in Nederland, evenals met `verwante lichamen in Vlaanderen en Duitschland'. Andere landen worden niet genoemd. Binnen de Nederland-Vlaams-Duitse driehoek bestond er over en weer een sterke behoefte aan grensoverschrijdende uitwisseling en afstemming van onderzoeksaanpak en -bevindingen, waarbij de Duitsers met hun landelijk gecoördineerde atlaswerk onmiskenbaar voorop liepen. Van die kennis en ervaring wilde men in de aangrenzende landen graag profiteren. Andersom streefden de Duitsers ernaar dat hun buitenlandse collega's hun vragenlijsten en kaarten (de schaal en de symbolen) op die van hen zouden afstemmen. Zodoende konden overeenkomstige taal- en cultuuruitingen over de staatsgrenzen heen in kaart worden gebracht. Dat was relevant gezien de - zowel onder Duitse als Nederlandse en Vlaamse wetenschappers breed gedragen - idee van een gedeelde Germaanse verwantschap op het terrein van taal, cultuur en afstamming. Die verwantschapsidee betekende overigens nog geen politiek streven om de bestaande grenzen op te heffen of te verleggen. Maar hoe doorlaatbaar de grenzen tussen wetenschappelijke uitgangspunten en politieke doelen konden zijn, wordt duidelijk wanneer we de Duitse inzet nader beschouwen.


De `Germanische (deutsche und niederländische) Wissenschaftsaufgaben im Westen'

Dat men in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog streefde naar een versterking van de nationale eenheid door een 'volks' of etnisch Duits bewustzijn, was geenszins uniek. Hetzelfde gebeurde in andere landen van Europa, inclusief Nederland, waar het denken in termen van stam-, ras- en bloedverwantschap behoorde tot het gangbare, ook wetenschappelijke, repertoire. Wat wel opvalt is de mate waarin dit streven in Duitsland van overheidswege werd ondersteund. Er ontstonden onderzoeksgroepen die zich specifiek met de grensgebieden bezig hielden. Zo nam de Rheinische of Westdeutsche Forschungsgemeinschaft - onder leiding van de Bonner historicus en directeur van het Institut für geschichtliche Landeskunde in Bonn, Frans Steinbach - de gebieden langs de gehele westgrens voor zijn rekening. Vanaf 1931 kwam de Forschungsgemeinschaft regelmatig bijeen om zich te buigen over 'Westfragen'. Na 1933 werd in toenemende mate een beroep gedaan op buitenlandse deskundigen die een `Germaans' perspectief zouden hanteren.  
    Het was nog niet zo simpel om vast te stellen wie daarvoor in aanmerking konden komen. Vooral onder de Nederlanders was er nauwelijks iemand te vinden `der wirklich unbedingt im Dienst der germanischen Idee stände', schreef de Keulse historicus Frans Petri in maart 1934 vanuit Brussel aan Steinbach.  Voor de germanisten bood volgens Petri - wiens positie in Karl Ditts' bijdrage aan dit themanummer zorgvuldig wordt gewikt en gewogen - de universiteit van Gent een geschikt aanknopingspunt, ook wat betreft de noordelijke Nederlanders. In dat verband noemde hij expliciet de naam van Jan de Vries, die kort daarvoor tijdens de Vlaamse Wetenschappelijke Congressen een indrukwekkende voordracht had gehouden over de noodzaak `dass Holland sich der Pflege seiner germanischen Uberlieferung in ganz anderer Weise als bisher annehmen müsse'. De germanist De Vries stond inmiddels met één been in de volkskunde en volgens Petri waren volkskundigen het meest ontvankelijk voor een wetenschappelijke inzet op Germaanse grondslag.  De Vries en Vlaamse volkskundigen als Maurits de Meyer, Paul de Keyser en Frans Olbrechts werden dan ook allen uitgenodigd voor een tweedaagse conferentie in mei 1934 over de `Germanische (deutsche und niederländische) Wissenschaftsaufgaben im Westen'.  Ook dialectologen als Blancqaert, Grootaerts, Peé en de Nederlandse Kloeke behoorden tot de ruim zestig genodigden.
    Van de vijftig deelnemers die zich uiteindelijk in het Duits-Nederlandse grensplaats Kleve verzamelden was eenderde afkomstig uit Vlaanderen en Nederland.  Zowel Meertens als Schrijnen ontbraken bij deze gelegenheid, maar de Nijmeegse onderwijzer en aanstormend talent op het gebied van de dialectologie en de volkskunde Winant Roukens gaf wel acte de présence. Roukens, een vertrouweling van Schrijnen, was zelfs uitgenodigd een lezing te houden. Hij werkte op dat moment aan zijn proefschrift over Wort- und Sachgeographie Südost-Niederlands und der umliegenden Gebiete. Mit besonderer Berüchsichtigung des Volkskundlichen (1937). Daarin zou hij een reeks samenhangende volkskunde- en dialectkaarten van Limburg en de aangrenzende Belgische en Duitse gebieden presenteren. De uitnodiging voor de conferentie in Kleve had hij wellicht te danken aan zijn vriend Mathias Zender, die het werk van de Rheinische Landesstelle van de Duitse Volkskundeatlas in Bonn coördineerde.  De Vlaamse volkskundige De Meyer maakte van de gelegenheid gebruik om zowel Roukens als Bach en Zender uit te nodigen voor de Vlaamse Folkloredag in Leuven. Een maand later, in juni 1934, gaven de beide Duitsers daar inderdaad een toelichting op de eerste resultaten van het werk aan de Duitse Volkskundeatlas. Ook Roukens voerde er het woord in het bijzijn van Meertens. Voorzitter De Meyer concludeerde na afloop dat de Vlaamse volkskundigen zich moesten `aanpassen aan wat in het buitenland, en vooral in Duitschland werd gedaan en bereikt'. Daarnaast achtte hij `een zekere samenwerking, hoofdzakelijk met Nederland [...] onmisbaar'.  Hij pleitte dus voor een samenwerking tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden met Duitsland als inspirerend voorbeeld.
    Die inspiratie wilden de Duitse collega's maar al te graag leveren. In maart 1935 was er opnieuw een bijeenkomst van de Rheinische Forschungsgemeinschaft, deze keer over 'Kulturfragen in Nordwestdeutschland und in den Niederlanden'. Onder de buitenlandse 'Volkskundler von Wert' die elkaar in Bonn troffen, bevonden zich wederom de Vlaamse De Meyer en de Nederlandse Roukens, terwijl ook de Gentse dialectologen Blanquaert en Pee aanwezig waren. Voorzitter Steinbach benadrukte dat de Forschungsgemeinschaft een forum kon bieden om de atlasprojecten in Duitsland, Nederland en Vlaanderen op elkaar af te stemmen. De Duitse evenals de Vlaams-Nederlandse atlasplannen pasten immers binnen het onderzoek naar de Germaanse volksaard.  De voordrachten van de Nederlandse en Vlaamse aanwezigen stemden overeen met die van hun Duitse collega's waar het ging om de relativiteit van staats- èn taalgrenzen bij het definiëren van een Germaanse cultuurruimte. De nationale en politieke achtergrond van waaruit die wetenschappelijke uitwisseling plaats vond vertoonde echter wezenlijke verschillen. Zo schreef Adolf Bach voorafgaand aan een volgende bijeenkomst in Aken: 'Die Zusammenkunft hat über das Wissenschaftliche hinaus ein politisches Interesse, da es sich bei den Besprechung nicht nur um gemeinsame Arbeiten handelt, sondern auch um die persönliche Fühlungsnahme mit den an Volkstumsfragen im Rhein- und Maasgebiet arbeitendem ausländischen Gelehrten, die volkspolitische Bedeutung haben kann.'  In hoeverre deze formulering door strategische overwegingen werd ingegeven om geld te genereren, is moeilijk te zeggen. Vast staat wel dat de Forschungsgemeinschaft en het nauw daarmee verbonden Bonner Institut für geschichtliche Landeskunde in toenemende mate een instrument werden om de staatsgrenzen op grond van wetenschappelijk onderzoek te relativeren ten gunste van een 'völkische' en in laatste instantie Germaanse eenheid.
    De typering van deze ontwikkeling als een 'geheim politiek Duits plan', zoals Ton Dekker dat doet in zijn geschiedschrijving van de Nederlandse volkskunde,  is echter ongelukkig gekozen, omdat daarmee de verantwoordelijkheid voor de doordringing van politiek in de wetenschapspraktijk uitsluitend bij de Duitsers wordt gelegd en de Nederlandse en Vlaamse onderzoekers als onwetende slachtoffers van Duitse machinaties worden neergezet. De Vlaamse en Nederlandse onderzoekers hadden echter hun eigen wetenschapspolitieke agenda's en belangen om met hun Duitse collega's in zee te gaan. Het Duitse voorbeeld diende meer dan eens om de status van het vakgebied te versterken en het nationale belang binnen een internationaal verband van volkskundig en dialectologisch onderzoek de onderstrepen. Als de Nederlandse overheid niet meer geld beschikbaar zou stellen, zo werd met zoveel woorden beargumenteerd, dan dreigde de `eigenheid' van de Nederlandse taal en cultuur te loor te gaan binnen een door Duitsland aangevoerd onderzoek naar de Germaanse cultuurruimte.  Dat was zeker geen reden om de Duitse collega's de rug toe te keren, maar wel om de Nederlandse overheid aan te sporen tot meer financiële steun voor het volkskundig en dialectologisch onderzoek.

In dat complexe krachtenveld van wetenschappelijke interesse en onderlinge naijver, van internationale samenwerkingsverbanden en nationale belangen toonde de Nijmeegse hoogleraar Schrijnen zich als een van de weinigen uiterst sceptisch over de eenzijdige oriëntatie op Duitsland. Toen Meertens in maart 1936 verslag uitbracht van de bijeenkomst in Aken waar besloten was een gezamenlijke vragenlijst op te stellen voor zowel het Westduitse als het Nederlandstalige gebied, waarschuwde Schrijnen: `Alles goed en wel maar de Duitschers doen hun best, ons in te palmen. Zij beschouwen ook onze taal maar als een duitsch dialect. Zij willen ons land en taal annexeeren'.  Nu werd Schrijnens afkeer van de Duitse collega's ongetwijfeld gevoed door zijn streven heer en meester te blijven op het terrein van de volkskunde in Nederland.  Tegelijkertijd zal zijn argwaan zeker nog versterkt zijn door de kritische houding waarmee de top van de katholieke kerk in Nederland en van de universiteit in Nijmegen de ontwikkelingen in nazi-Duitsland volgde.  Zijn behoefte aan afgrenzing was in ieder geval duidelijk. Twee maanden later noemde hij het idee van een Germaansche samenwerking ronduit 'verderfelyk'. In plaats daarvan moest er `een algemeene samenwerking' bevorderd worden via de Volkenbond. Schrijnen wilde zich daar persoonlijk voor inzetten bij het Institut International de Coopération Intellectuelle in Parijs.  
    In hoeverre de 68-jarige Schrijnen daar nog toe gekomen is, blijft onduidelijk. In ieder geval haalde het niets uit en enige tijd later blijkt dat Meertens zijn aanvankelijk vertrouwen had verloren in de verenigende kracht van de Volkenbond, die `altijd een Statenbond geweest is en het zelfbeschikkingsrecht der volkeren eerder tegen heeft gewerkt dan gesteund'.  Tegenover de door ziekte verzwakte Schrijnen, die in een van zijn laatste artikelen opnieuw benadrukte dat er voor Nederland en Vlaanderen geen sprake kon zijn van een eenduidige Germaanse cultuurruimte - het Oudgermaansche, Romaansche, middeleeuwse en moderne, kerkelijke en profane zouden hier naast en door elkaar liggen  -, trok Meertens in versterkte mate naar de Duitse collega's die vanuit de Westdeutsche Forschungsgemeinschaft stevig aan de Germaanse weg timmerden. Ondanks zijn kritiek op het nationaal-socialisme, waar hij, net als de katholieke prelaat Schrijnen, weinig van moest hebben. 
    Want Meertens mocht zich dan wel inzetten voor een wetenschappelijke uitwisseling die een grensoverschrijdende Germaanse eenheid kon onderbouwen, tegelijkertijd onderscheidde hij zich al in een zeer vroeg stadium met een principiële stellingname tegenover het Hitler-regime. Na een intensieve levensbeschouwelijke zoektocht die hem langs uiteenlopende pacifistische, christelijk en socialistische groeperingen leidde, werd hij in 1935 lid van de Christelijk-Democratische Unie (1926-1946). Deze kleine politieke partij probeerde een antimilitaristische en antikapitalistische alternatief te bieden op orthodox-protestantse basis.  Bovendien onderscheidde de CDU zich toen al van andere protestantse partijen in Nederland door haar afkeer van het nationaal-socialisme met zijn `kneveling van woord- en persvrijheid, schaamtelooze partijdictatuur, verheerlijking van het militarisme, ontrechting van andersdenkenden, vervolging van Joden, socialisten, democraten en pacifisten'.  Een jaar later sloot hij zich aan bij het Comité van Waakzaamheid, waarin kritische intellectuelen zich gezamenlijk schrap wilden zetten tegen de dreiging van het nationaal-socialisme en voor 'de verdediging van het Nederlandse geestesgoed bij uitnemendheid, de vrijheid'.
    Achteraf kan men dat beschouwen als twee geheel tegenstrijdige posities, maar Meertens heeft dat zeker niet zo ervaren. Ook naderhand zou hij de betekenis van de Kulturraumforschung en de daarmee verwante Volkstumforschung voor de versterking en legitimering van de nationaal-socialistische expansie en vervolgingspolitiek niet als zodanig onderkennen. Daarvoor had het 'volksche' uitgangspunt teveel raakvlakken met zijn eigen inzet bij de volkskunde en de dialectologie. Ook hem ging het immers om het zoeken en inventariseren van waardevolle elementen in een alledaagse `volks'cultuur, die niet bij de staatsgrenzen ophield te bestaan. Aandacht en respect voor een gezamenlijke volkscultuur beschouwde hij als een noodzakelijk antidotum tegen de vervlakkende, verarmende en verdelende invloeden van de industrialisatie en verstedelijking - en van het kapitalisme in het algemeen. In zijn optiek, en die van veel anderen, was de bestudering van een grensoverschijdende volkscultuur het heilzame middel bij uitstek om de eenheid te bevorderen tussen verschillende sociale klassen en kerkelijke gezindten, tussen stad en land en tussen arm en rijk, zowel tussen de verschillende regio's binnen de Nederlande staatsgrenzen als daar buiten.
    

Nieuwe mogelijkheden voor het onderzoek naar de Nederlandse taal en volkscultuur

Hoe werd die visie nu vertaald in de Nederlandse wetenschapspraktijk? Het werk van de Volkskundecommissie schoot niet hard op. Tegen het einde van de jaren dertig waren er nog maar vier vragenlijsten verspreid. Daarnaast had Meertens veel tijd en energie gestoken in de populair-wetenschappelijke bundel De Nederlandse Volkskarakters (1938),  waarmee hij een breed publiek - vooral potentiële medewerkers aan de Volkskundeatlas -, hoopte te bereiken. Ook via tentoonstellingen en artikelen deed hij er alles aan om het draagvlak voor de nieuwe discipline te vergroten. Maar de dubbele belasting als secretaris van zowel de Dialektencommissie als de Volkskundecommissie vergde het uiterste van zijn krachten. Te meer omdat voorzitter Schrijnen weinig initiatief meer aan de dag legde. De beperkte overheidssteun van niet meer dan f 200,- per jaar voor de Volkskundecommissie was ook niet bevorderlijk voor de institutionalisering van een discipline die in de academische wereld nog nauwelijks ergens op kon steunen.  
    Daar kwam verandering in bij het aantreden van de nieuwe voorzitter van de Volkskundecommissie in 1939. Na de dood van Schrijnen in 1938 kon men niet langer om Jan de Vries heen, die zich als enige Nederlandse hoogleraar op het terrein van de volkskunde had geprofileerd. Ook De Vries had zich door voorbeelden in het buitenland laten inspireren, vooral door de organisatie van de volkskunde in de Scandinavische landen. De in 1932 opgerichte Zweedse Gustav Adolf Akademie waar - net als in Bonn - het onderzoek op het terrein van de dialectologie, de volkskunde en plaatsnaamkunde werd gecombineerd, gold voor hem als een lichtend voorbeeld. Daarnaast toonde De Vries zich onder de indruk van de politieke steun van het nationaal-socialistische regime voor de volkskunde in Duitsland. Als vice-voorzitter van de International Association for European Ethnology and Folklore (IAEEF) was hij een groot voorstander van een onderlinge afstemming van de nationale Volkskundeatlassen op elkaar. Samen met collega's uit Scandinavië, Duitsland, Engeland, en Ierland hij aan de realisering van een Europese Volkskundeatlas. Dat men zich daarbij tot de 'Germaanse' delen van Europa zou beperken, verdedigde hij als een pragmatische, eerste stap. 
    Meertens en de overige leden van de Volkskundecommissie konden zich daar goed in vinden. Te meer omdat Schrijnens pleidooi voor een internationale samenwerking waarbij zowel de `Germaansche' als `Romaansche' gebieden betrokken moesten worden, nooit tot concrete resultaten had geleid.  In oktober 1939 werd dan ook besloten een vijfde volkskundige vragenlijst te versturen, gebaseerd op de door de IAEEF voorgestelde internationale vragenlijst.  De Vries' internationale oriëntatie sloot niet uit dat hij het Volk van Nederland voorop stelde, zoals zijn gelijknamige bundel uit 1937 had laten zien. Wanneer het ging om de bestudering van het Nederlandse volkskarakter in relatie tot Vlaanderen werd het Groot-Nederlandse perspectief onverminderd gehandhaafd, zo niet geïntensiveerd. Want waar Schrijnen een eigen Noord-Nederlandse atlas naast die van de Zuiderburen voor ogen had gestaan, streefde De Vries - met volledige instemming van Meertens - naar een gemeenschappelijke Nederlands-Vlaamse Volkskundeatlas.
    Onder voorzitterschap van de energieke De Vries voelde Meertens dat zijn werk vleugels kreeg. De Vries wist de Nederlandse autoriteiten te overtuigen van de nationale betekenis van de volkskunde, getuige de extra financiële bijdrage van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen die hij nog in het jaar van zijn benoeming los kreeg. Nu was het dieptepunt van de economische recessie toen ook wel voorbij, maar dat hij de subsidie van f 200 met een `bijzondere toelage' van f 800 voor het samenstellen van de Volkskundeatlas wist aan te vullen was evengoed een prestatie.  De voorzitter zette zich in voor een solide financiële basis en organisatorische structuur voor het volkskundig onderzoek in Nederland, zoals hij dat in eerdere publicaties had bepleit. Meertens toonde zich dan ook enthousiast over de kennis, visie en daadkracht, waarmee De Vries de laksheid van 'de Haagse heren' te lijf ging.

Dat was de situatie op het Dialecten- en Volkskundebureau ten tijde van de Duitse inval. Kort na de capitulatie was Meertens, net als zoveel Nederlandse intellectuelen, gezagsdragers en burgers, in verwarring over de houding die tegenover het nieuwe bewind ingenomen moest worden. Diende hij zich te verzetten tegen de nieuwe machthebbers, kon hij het beste afwachten en hopen dat alles wel mee zou vallen, of bood de nieuwe situatie juist ongekende mogelijkheden voor de toekomst?  Meertens wist het niet; hij raakte verlamd door zijn eigen principes van weerloosheid en orthodox christelijke uitgangspunten en zijn gevoel van verwantschap me het Duitse volk, getuige zijn dagboeknotities: `Het is een afschuwelijke gedachte, dat het volk van dichters en denkers, het volk waarmee wij Nederlanders meer dan met enige andere natie naar de geest en naar het bloed verwant zijn, bezig is om zich dermate gehaat onder ons te maken, dat de politieke en kulturele samenwerking, waarnaar ik en velen met mij jarenlang gestreefd hebben, verder dan ooit schijnt te zijn en kans loopt, gedurende lange jaren onverwezenlijkt te blijven.'
    Het was met name Jan de Vries die hem over de streep haalde. Want waar de schok van de Duitse inval op Meertens een verlammend effect had, zag De Vries vrijwel onmiddellijk nieuwe mogelijkheden voor de versterking van de Nederlandse volkscultuur binnen een Germaanse context. Met zijn brochure Naar een betere toekomst van juli 1940 toonde De Vries zich ervan overtuigd dat met de Duitse bezetting voor Nederland en Europa een nieuwe periode was aangebroken. Werd in de oude situatie de enkeling boven de gemeenschap gesteld, in de nieuwe situatie ging de gemeenschap voor het individu. Daarmee kwam de nadruk te liggen op de belangen van het volk (nationaal) en op sociale rechtvaardigheid (socialistisch). De Nederlanders zou volgens De Vries binnen het door Duitsland geleide Europa hun eigen national belangen krachtig moeten bevorderen en de stichting van een `Dietse staat' moeten nastreven.
    Ondanks diens eerdere protest tegen de nationaal-socialistische vervolgingspolitiek, raakte De Vries hier precies de punten waarvoor Meertens gevoelig was: het Dietse streven, de belangen van `het volk' en sociale rechtvaardigheid. Toen vervolgens al snel duidelijk werd dat het nieuwe regime bereid was het onderzoek van dialectologie, volkskunde en naamkunde zowel financieel als organisatorisch te ondersteunen met de oprichting van een centraal Instituut voor de Nederlandse taal en volkscultuur, zag Meertens de toekomst in september 1940 weer met enig vertrouwen tegemoet.

Onderscheid tussen nationaal-socialistische autoriteiten en het Duitse volk.

Juist op het moment dat deze nieuwe mogelijkheden zich voordeden, werd Meertens op 13 september 1940 gearresteerd. Niet vanwege zijn kritiek op het nationaal-socialisme, maar op grond van vermeende homoseksuele contacten met twee (jongere) mannen in de periode 1933-1939. Voor Meertens, overtuigd van zijn eigen onschuld, zette deze gebeurtenis de wereld op zijn kop: `Terwijl ons land bezet is door een vreemde mogendheid en onze nationale zelfstandigheid op het spel staat, komt de Nederlandse justitie huiszoeking doen [...] op een bureau, waar sinds jaar en dag gewerkt wordt aan de verheffing van het nationale bewustzijn van ons volk.'  Zijn vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten was verdwenen, terwijl de Duitse gezagsdragers het belang van zijn werk op waarde leken te schatten. `Is het niet beschamend dat voor het werk, waarvoor ik jaren lang ben afgescheept met een aalmoes, nu opeens geld in overvloed beschikbaar is? Dat eerst ons land zijn onafhankelijkheid moest verliezen, eer de ogen opengingen voor de nationale en kulturele betekenis van de dialect  en volkskunde studie?'
    Toen Meertens op 31 maart 1941 uit de gevangenis werd ontslagen en, na opheffing van zijn schorsing, in juni zijn werkzaamheden hervatte aan de Nederlands Akademie van Wetenschappen (het Koninklijke was inmiddels geschrapt), voelde hij zich buitengewoon erkentelijk ten opzichte van De Vries. Tijdens zijn gevangenschap citeerde Meertens in zijn dagboek uit een brief van De Vries, die hem had geschreven dat zijn afwezigheid `een ramp is voor het Bureau' en `een slag voor het nationale belang der volkskunde.'  De inzet van De Vries, die - met voorbijgaan aan hun politieke verschillen en zonder morele oordelen over zijn homoseksualiteit - er alles aan had gedaan om zijn goed functionerende secretaris terug te krijgen, ervoer Meertens als een daad van persoonlijke loyaliteit en integriteit.  In het jaar na zijn vrijlating werkte hij dan ook loyaal samen met De Vries aan de realisering van de plannen voor het voornoemde Rijksinstituut voor Taal en Volkskultuur, zoals het centrale instituut inmiddels was gaan heten. Zijn Dietse streven naar een politieke eenwording van Noord- en Zuid-Nederland had De Vries inmiddels verlaten, zodra hem duidelijk was geworden dat dit onvoldoende steun kreeg van Nederlandse zijde terwijl ook de bezettingsautoriteiten niets moesten hebben van een dergelijke 'nationale' versterking binnen hun Groot-Germaanse context.
    De Vries distantieerde zich in toenemende mate van zijn anti-Duitse collega's en voelde zich steeds meer aangetrokken tot het Groot-Germaanse perspectief dat de nationaal-socialistische cultuurpolitiek bood. Dat hij zich daarmee inliet met instanties waarbinnen virulent antisemitisme en racisme gemeengoed waren - zonder dat hij zelf ooit blijk gaf van antisemitische overtuigingen - leek hem niet te deren. Meertens daarentegen bewoog zich langzaam maar zeker in tegenovergestelde richting. Vanaf mei 1942 noemde hij in zijn dagboeken geregeld met afschuw de isolering en vervolging van de joden. Vooral de directe confrontatie met de anti-semitische vervolgingspolitiek bracht een omslag te weeg in zijn houding ten aanzien van de Duitse bezettingsmacht.  Zijn werkzaamheden voor de Dialecten- en de Volkskundecommissie zette hij voort, maar uit zijn dagboekaantekeningen van 18 augustus 1943 valt op te maken dat hij de plannen van De Vries voor het Rijksinstituut sinds enige tijd probeerde te traineren.
    Dat viel hem overigens niet gemakkelijk, omdat hij nog altijd enthousiast was voor de instelling van een overkoepelend instituut en hij vreesde dat het daar na afloop van de oorlog niet meer van zou komen. Dat woog echter niet op tegen zijn bezwaar jegens de steun van de bezetters, `die van deze zuiver nationale zaak liever hun handen moeten afhouden'. Volgens Meertens, die zijn voorzitter in augustus 1943 nog altijd voor `een eerlijk man' hield, zag De Vries niet `dat men onder geen enkele voorwaarde de hulp van de vijand mag aanvaarden.' Op dit punt zijn Meertens en De Vries van mening gaan verschillen: `voor hem zijn de Duitsers vrienden en bondgenoten, voor mij zijn ze   althans voor zover ze nationaal socialist zijn   vijanden, en zullen dat blijven zolang ze op Nederlandse grond staan en zo lang dit regime aan het bewind is.'  Het onderscheid dat Meertens hier - voor het eerst expliciet - maakt tussen Duitsers en nationaal-socialisten, duidt erop dat hij zich inmiddels had aangesloten bij de groep socialisten rond het verzetsblad De Vonk.  Daarbinnen was een dergelijk onderscheid gangbaar, wat het voor Meertens mogelijk maakte om zijn gevoel van verwantschap met het Duitse volk en de Duitse cultuur te combineren met zijn afschuw over de antisemitische vervolgingspolitiek.
    Toch zag Meertens een overwinning van de geallieerden met zorg tegemoet, omdat daarmee de `anti socialistische, grootkapitalistische machten' aan de macht dreigden te komen. Als `een overtuigd socialist' hoopte hij op `een socialistische revolutie in Duitsland', die overgenomen zou moeten worden door soortgelijke socialistische bewegingen in de geallieerde landen. `Daardoor zou Duitsland niet het machteloze, geknechte rijk worden, zoals alle brave burgers het in een nabije toekomst zien, maar een rijk dat op gelijke voet staat als de andere grote mogendheden en dat zelfs, ondanks zijn nationaal socialistische verleden, in staat zou zijn om de hegemonie uit te oefenen in West Europa. Voor velen klinkt dit belachelijk, en toch weet ik niet of het wel zo belachelijk is. Een volk dat tot krachtprestaties in staat is als het Duitse volk voor en na getoond heeft te zijn, laat zich niet op de achtergrond dringen, laat staan dat men het uit de rij der volken zou kunnen schrappen.'  Meertens refereert hier aan de situatie van na de Eerste Wereldoorlog die hij, zoals veel anderen binnen en buiten De Vonk, als oorzaak zag voor het nationaal-socialisme. Een `tweede Versailles' diende voorkomen te worden en samen met De Vonk keerde hij zich nadrukkelijk tegen het idee dat het gehele Duitse volk moest boeten voor de nazi-misdaden.


Naoorlogse continuiteit

Deze benadering van het Duitse verleden en het Duitse volk zorgde ervoor dat Meertens zich onmiddellijk na de bevrijding inzette voor het herstel van de contacten met Duitsland. Zijn streven naar een interdisciplinaire benadering en een grensoverschrijdende samenwerking bij het onderzoek naar een gedeelde volkscultuur bleef onverminderd gehandhaafd. Daarbij was hij nog immer geneigd Duitsland als de 'grote broer' te zien die onder Hitler tijdelijk de weg was kwijt geraakt. Deze familiaire en sekse-gekleurde metafoor kies ik bewust vanwege het zowel biologische, sociale als historische verwantschapsdenken dat daarmee gepaard ging. Voor Meertens diende het krachtige Duitse broedervolk weer zo snel mogelijk in een hersteld Europees familieverband te worden opgenomen.
    Door deze nadruk op vergeving, insluiting en gezamenlijkheid verzette hij zich tegen het in Nederland nog lang en intens gekoesterde vijandbeeld van Duitsland en iedereen die daar iets mee te maken had. Tegelijkertijd ging hij daarmee voorbij aan de virulente vormen van uitsluiting onder het nationaal-socialisme die met juist door de nadruk op de gemeenschappelijkheid van de 'Germaanse' volken door de wetenschap waren ondersteund en gelegitimeerd. Dat deze afschrikwekkende kant van de 'volkse' medaille aan Meertens' aandacht is ontsnapt, hing nauw samen met een `juridische reflex' waarmee men de naoorlogse samenleving weer op orde probeerde te krijgen. Daarbij ging het erom zo snel mogelijk individuele nazi's vanwege hun persoonlijk aandeel aan de gepleegde misdaden te bestraffen, zowel in Duitsland als in de bezette landen. Ook in de wetenschap richtte de aandacht zich op de `rotte appels' - `foute' geleerden - opdat de 'goeden' de draad weer zo snel mogelijk konden oppakken, zonder dat hun gedeelde uitgangspunten ter discussie werden gesteld. 
    De verschrikkingen die met het nationaal-socialisme en het Groot-Germaanse denken gepaard waren gegaan, werden kort na de Tweede Wereldoorlog bij voorkeur beschouwd als 'excessen' die men zo snel mogelijk moest zien te vergeven (respectievelijk bestraffen) en vergeten. Men wilde vooruit en gezien het crediet dat Meertens gedurende de laatste oorlogsjaren had opgebouwd in kringen van het verzet kòn hij ook vooruit. Voor zijn Dialecten- en Volkskundecommissie zag hij onverminderd een doel weggelegd bij de opbouw van een 'nieuw' en vreedzaam Europa. De werkzaamheden aan de Dialekt- en Volkskundeatlassen werden dan ook met hernieuwde energie opgepakt, in nauwe samenwerking met Vlaanderen en ook spoedig binnen een breder Europees verband. Meertens lang gekoesterde wens om het onderzoek van de dialectologie, de volkskunde en de naamkunde binnen één instituut te verenigen, werd in 1948 gerealiseerd onder de noemer van de `Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen', de voorloper van het latere (P.J.) Meertens Instituut. De naam zegt het al: vooralsnog werd de zoektocht naar het 'volkseigene' voortgezet, zonder zich te bezinnen op de als vanzelfsprekend gehanteerde noties over volk, cultuur en stam. (Ras was in de Europese context nagenoeg tot taboe verklaard, al werd het nog even probleemloos gehanteerd als het om gebieden buiten Europa ging).
    Pas aan het einde van de jaren '60 zouden de Duitse volkskundigen Hermann Bausinger en Wolfgang Emmerich het voortouw nemen om te laten zien hoe de volkskunde met haar queeste naar een volkseigen cultuur en een aanverwant `volkskarakter', naadloos kon aansluiten bij het streven naar een etnisch- of `ras'-zuivere samenleving van het nationaal-socialisme.  In Nederland, waar men zich nog lange tijd als slachtoffers van de Duitse overval kon blijven beschouwen, duurde het veel langer voordat men zich afvroeg in hoeverre de nationaal-socialistische cultuurpolitiek niet alleen opgedrongen was, maar ook aansluiting kon vinden bij de Nederlandse wetenschapspraktijk zoals die voor 1940 was ontwikkeld.

Tot besluit

Dat brengt mij weer terug bij de studiereis waarmee Meertens zijn werkzaamheden als secretaris van de Dialecten- en Volkskundecommissie begon. Die reis was bepalend voor de vormgeving van het dialectologisch en volkskundigonderzoek in Nederland. In beide landen maakte hij vrienden en ervoer hij een verwantschap die hij aan een gemeenschappelijke volkscultuur toeschreef. Daarbij kwam dat Meertens de politieke situatie in zowel België als Duitsland benaderde vanuit het perspectief van de zwakkeren of de verliezers. De positie van de Vlamingen ten aanzien van de Waalse dominantie, evenals die van de Duitsers tegenover de geallieerden gingen bij Meertens gepaard met een welhaast religieus gevoel van loyaliteit. Meertens was dan ook snel gewonnen voor een intensieve en door een Groot-Nederlands perspectief gedreven samenwerking met de Vlaamse collega's. Ook met de Duitse geleerden wilde hij graag samenwerken. Vooral zijn bezoek aan het Instituut in Bonn bood hem een blauwdruk voor de manier waarop dialectologisch en volkskundig onderzoek in relatie tot elkaar en tot de buiten-academische omgeving vormgegeven kon worden. Met deze inspirerende voorbeelden uit de nabijgelegen buurlanden keerde hij terug naar Nederland.
    Zijn vroege afkeer van de nationaal-socialistische vervolgingspolitiek ging niet gepaard met een afkeer van de Duitse wetenschapspraktijk. In tegendeel, het stimuleerde eerder zijn behoefte aan contact met zijn Duitse collega's in de overtuiging dat zij door een gedeelde, wetenschappelijke interesse in de verwantschap tussen het Duitse en Nederlandse volk en hun cultuur werden gedreven. Dat die wetenschappelijke interesse echter ook een legitimatie kon vormen voor een mensonterende bezettings- en vervolgingspolitiek kon of wilde hij niet zien; niet voorafgaand, noch tijdens en ook niet na afloop van de nationaal-socialistische bezetting. Dat Meertens, als zovelen, daaraan voorbij kon gaan, hing samen met het na de bezetting nog in verhevigde mate gekoesterde ideaal van wetenschappelijke onafhankelijkheid. Dat wetenschappelijke vragen, benaderingen en zelfs methodes niet in een politiek vacuum tot stand komen, werd pas vanaf het eind van de jaren '60 een veel besproken en omstreden thema in academische kring.
    Meertens Werdegang laat zien dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen het nationaal-socialisme en wetenschappelijk onderzoek naar een grensoverschrijdende volkscultuur. Tegelijkertijd moet onderkend worden dat zijn inzet bij het onderzoek naar een gedeelde volkscultuur - hoezeer die ook verweven was met een socialistische levensbeschouwing - hem in een positie bracht waarin hij veel gemeen had met degenen die zich vanuit een nationalistische of nationaal-socialistische perspectief met dergelijk thema's bezig hielden. Dat bracht hem in een dubbelzinnige positie, zeker nadat het nationaal-socialisme een dominante macht werd die haar invloedsfeer uitbreidde naar de door haar als 'Germaans' gepercipieerde buurlanden. Ook toen die dominantie zover ging dat Nederland werd bezet, was Meertens bereid de positieve effecten hiervan voor de Nederlandse volkscultuur te overwegen. Te meer omdat hij, na zijn gevangenname, het vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten had verloren. De ommekeer in zijn houding tegenover de Duitse bezettingsmacht voltrok zich op het moment dat de vervolgingspolitiek niet langer viel te ontkennen en hij betrokken raakte bij de verzetsgroep rond 'De Vonk'. Toen leerde hij een onderscheid te maken tussen nationaal-socialisten en Duitsers en was hij in staat om zich te distancieren van de Duitse bezettingsmacht en zelfs van haar plannen voor de institutionalisering van het onderzoek naar de volkscultuur.
    Een dergelijk onderscheid - waarbij de Duitsers evenals de Nederlanders en Belgen als een hulpeloos volk door een aantal `demonische' figuren zouden zijn meegesleurd  - maakte het mogelijk om direct na de oorlog de bestaande contacten met Duitse en Vlaamse volkskundigen en dialectologen, en met hun instituties te hervatten. Zolang een kritisch kader ontbrak om te reflecteren op de politieke implicaties van een wetenschappelijke zoektocht naar een `volkse' eenheid of een `eigen', al dan niet grensoverschrijdende cultuur, kon de internationale uitwisseling probleemloos worden voortgezet onder een Europese in plaats van een Germaanse vlag. In die zin is het van belang niet alleen te kijken naar continuiteiten in de wetenschapspraktijk en de internationale uitwisseling voorafgaand aan het nationaal-socialisme, maar ook na afloop. Die discussie, welke in Duitsland gepaard is gegaan met menig kritische uiteenzetting rondom het wetenschappelijk erfgoed, zou in Nederland en België meer aandacht verdienen. Te meer omdat de versterkte internationalisering, zo niet mondialisering van wetenschappelijk onderzoek nieuwe vormen van wetenschappelijke transfer genereert die weliswaar grensoverschrijdend zijn, maar daarom nog niet politiek neutraal.