Home

Voor Volk en Vaderland. Over de omgang met wetenschap en politiek in de volkskunde.

Barbara Henkes

Op 20 april 1948 stond Jan Pieter Marie Laurens de Vries (1890-1964) terecht voor het Tribunaal van de naoorlogse Bijzondere Rechtspleging. Hij werd ervan beschuldigd steun te hebben verleend aan `de vijand of diens handlangers of medewerkers, of althans blijk te hebben gegeven van zijn nationaalsocialistische gezindheid'.  Een van de getuigen met een ontlastende verklaring was Pieter Jacobus Meertens (1899-1985). Hij stond bekend als een overtuigd bestrijder van het nationaal-socialisme. Meertens en De vries hadden in de jaren voorafgaand en tijdens de Duitse bezetting nauw samengewerkt bij de ontwikkeling en institutionalisering van de volkskunde in Nederland. Maar waar de Leidse hoogleraar Jan de Vries zich steeds verdergaand engageerde met de nationaalsocialistische autoriteiten en hun cultuur-politiek, had Piet Meertens zich daar in toenemende mate van gedistantieerd.
    Prof. dr. Jan de Vries was een toonaangevende figuur binnen de relatief kleine kring van volkskundigen. Bovendien was hij niet de enige die tijdens en na de Bezetting als `fout' te boek stond. In combinatie met de oriëntatie van de volkskunde op zaken als 'de eigen volksaard', 'volksstammen', en 'raseigenheden', heeft dit ertoe geleid dat de volkskunde de naam kreeg een `foute' wetenschap te zijn.  Of dat er op z'n minst een onderscheid werd gemaakt tussen een `wetenschappelijke' volkskunde en een `ideologische' of `nationaal-socialistische' volkskunde.  Op die manier kon de wetenschappelijke integriteit van de volkskunde behouden blijven.  Het is de vraag of een dergelijk onderscheid houdbaar en zinvol is. Kan er niet meer inzicht worden verkregen door na te gaan in hoeverre de verschillende oriëntaties binnen de volkskunde ten aanzien van het nationaal socialisme herleid kunnen worden tot persoonlijke waarden en normen, zoals die gevoed werden door de sociale en cultuur-politieke netwerken waarin volkskundigen zich bewogen?
    Aan de hand van een dubbelportret van Meertens en De Vries met bijzondere aandacht voor hun benadering van de volkskunde en hun omgang met de politieke ontwikkelingen, zal ik nagaan in hoeverre volkskundigen en hun discipline destijds ingezet konden worden bij de ontwikkeling en verbreiding van een nazistisch wereldbeeld.
    

Meertens en De Vries: een introductie.


Toen de neerlandicus Piet Meertens in november 1934 werd benoemd tot secretaris van de Volkskundecommissie van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (KNAW), was hij 35 jaar en ongehuwd. Hij schreef geregeld voor de protestants-christelijke Lectuurgids en verkeerde in kringen van protestants-christelijke schrijvers en dichters.  Zo ontmoette hij onder meer de bekende literator Anne de Vries met wie hij samen zou publiceren op het terrein van de volkskunde. Ook Fedde Schurer en Jan H. de Groot bewogen zich in deze literaire kringen. Toen Schurer enige tijd als werkloos onderwijzer bij de Volkskundecommissie tewerkgesteld was, zou hij Meertens introduceren in de christelijke partijpolitiek.  Met De Groot, die als bibliothecaris werkzaam was bij de KNAW, stelde Meertens De lof van den boer samen, een bloemlezing over de boer in de Noord- en Zuidnederlandse letterkunde.  Bij Meertens vloeiden wetenschap en literatuur, evenals religie en politiek moeiteloos in elkaar over.  
     Zijn christelijke levensovertuiging - als 18-jarige werd Meertens lidmaat van de Nederlands Hervormde kerk - combineerde hij al jong met een pacifistisch-socialistische orintatie. Na een levensbeschouwelijke zoektocht die hem enige jaren tot een geregelde bezoeker van Kees Boeke's Gemeenschapshuis maakte, sloot hij zich rond 1935 aan bij de Christelijk-Democratische Unie (1926-1946), een kleine politieke partij die een orthodox protestantisme combineerde met sociale vooruitstrevendheid. Of zoals Meertens haar aanhang typeerde: `met mensen die socialistisch dachten, maar bezwaar hadden zich aan te sluiten bij de S.D.A.P.'.  Hij zag de CDU als een voorhoede, die vat kon krijgen op `een groot aantal boeren en arbeiders' en de grote partijen zou kunnen beïnvloeden in de richting van `een nieuwe samenleving'.  Hoe Meertens zich die nieuwe samenleving voorstelde in 1936 blijkt onder meer uit een briefwisseling met zijn partijgenoot C.A. Keuning:

`De enig mogelijke oplossing van het probleem van crisis en werkloosheid is: het opvolgen van Gods wil, en ik zie deze in het prijs geven van het (kapitalistische) stelsel onzer samenleving en de vorming van een nieuwe maatschappij (...) De maatschappij die geen werkloosheid kent, vind ik in Rusland. (...) ik meen dat op dit ogenblik nergens ter wereld Gods wil in het maatschappelijke zozeer volbracht wordt als daar.'

Tijdens de crisisjaren stond Piet Meertens ter linkerzijde van het politieke spectrum. Dat wordt ook geïllustreerd door zijn lidmaatschap van het Comité van Waakzaamheid (1936-1940), waarbinnen linkse intellectuelen zich hadden verenigd in protest tegen de dreiging van het nationaal-socialisme.      Wanneer tijdens een interview in 1973 zijn eerste bezoek aan Duitsland in de jaren dertig ter sprake komt, stelt Meertens achteraf dat hij er toen van overtuigd raakte, dat `een revolutie' onvermijdelijk was, hetzij onder aanvoering van de communisten, dan wel van de nationaal-socialisten. Vooral in gesprekken met studenten in Marburg leerde hij `het geweldige gevaar van het nationaal-socialisme' kennen. `En dat', zo voegt Meertens er in een curieus, maar veelzeggend zinnetje aan toe, `is voor mij persoonlijk wel een voordeel geweest.'
    Helaas gaat de interviewer hier niet nader op in, maar Meertens lijkt te refereren aan zijn tijd- en vakgenoten die later een keuze voor het nationaal-socialisme zouden maken. Want Meertens bewoog zich destijds in kringen, waarbinnen het denken en schrijven over een Nederlands volkskarakter, de authentieke volkscultuur en nationaal besef in combinatie met een streven naar volkseenheid en sociale vernieuwing zeer uiteenlopende politieke richtingen kon uitgaan.

Toen de Leidse hoogleraar oud-germanistiek Jan de Vries in maart 1939 tot voorzitter werd benoemd van de Volkskundecommissie, was hij 49 jaar oud, gehuwd en vader van drie volwassen kinderen. Net als Meertens had ook De Vries zich op literaire kringen georiënteerd. Zo verkeerde hij, na zijn benoeming in 1919 als leraar Nederlands aan de Gemeentelijke H.B.S. in Arnhem, geregeld in het gezelschap van Jan Greshoff en andere toen rechts-autoritair georiënteerde letterkundigen. Binnen deze kring zouden De Vries' anti-democratische ideeën een welwillend oor gevonden hebben.  
    Na zijn verhuizing naar Leiden in 1926 verkeerde De Vries voornamelijk in academische kringen. Hij werd actief lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, en hij kwam maandelijks bijeen voor debat met zijn Leidse collega's, waaronder de politiek zeer verschillend georiënteerde hoogleraren A.W. Bijvanck, F. Muller, B.A. van Groningen en J.C. van Oven.  Ook werd hij in 1931 hoofdredacteur van de Winkler Prins Algemene Encyclopaedie. Zijn wetenschappelijke interesse beperkte zich niet tot de oud-Germaanse talen en de vergelijkende taalwetenschap. Vanaf het eind van de jaren twintig veroverde hij sleutelposities op het terrein van de Nederlandse en internationale volkskunde. Zo was hij sinds 1935 vice-voorzitter en vanaf 1937 voorzitter van de International Association for European ethnology and folklore en redacteur van Folk, het orgaan van deze internationale organisatie.  Het lag dan ook voor de hand dat De Vries in 1939 zijn Nijmeegse collega, Prof. Jos. Schrijnen, als voorzitter van de Volkskundecommissie zou opvolgen.
    Daarnaast maakte De Vries vanaf 1939 deel uit van het Hoofdbestuur van het Algemeen Nederlandsch Verbond (ANV), een organisatie die vanuit een Groot-Nederlandse optiek de `verhoging van de zedelijke en stoffelijke kracht van de Nederlandse stam' en `de handhaving en verbreiding van de Nederlandse taal' nastreefde.  Zijn vakgebied, de germanistiek met als aanverwante vakken volkskunde, archeologie, en godsdienstgeschiedenis, voerde De Vries tot onderzoekingen `over de oudste geschiedenis van ons volk', zoals hij zelf zou verklaren.  Dit bracht hem in nauw contact met vooral Scandinavische, Vlaamse en Duitse geleerden, die op hetzelfde gebied werkzaam waren.
    Evenals Meertens, stelde De Vries achteraf dat zijn ervaringen in Duitsland tijdens de jaren dertig hem ervan overtuigden, `dat de maatschappij evolueerde in een richting, die slechts de keus liet tussen Communisme en Nationaal-Socialisme (Fascisme).' In zijn geval verwierp hij `zonder voorbehoud' het communisme en kwam derhalve bij het nationaal-socialisme uit. Zonder dat 'deze hoofdzakelijk theoretische beschouwingen' hem ertoe konden brengen tot de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) toe te treden.

Volk van Nederland

De Vries' benoeming tot voorzitter van de Volkskundecommissie was voorafgegaan door een controverse met zijn overleden voorganger, de filoloog en volkskundige Jos. Schrijnen. De laatste had met zijn tweedelige Nederlandse Volkskunde (1915-1917) een eerste overzicht van het vakgebied geboden. Met een opsomming van uiteenlopende gebruiken, gewoonten, opvattingen en verhalen, wilde de auteur de restanten van een oeroude cultuur blootleggen, van waaruit de `volksaard' afgeleid zou kunnen worden. Vijftien jaar later greep De Vries de publicatie van een vrijwel ongewijzigde herdruk aan om tegenover Schrijnen's statische visie een andere benadering van de volkskunde te stellen: een gebruik werd niet doorgrond door het als overblijfsel van vroeger tijden te beschouwen, maar door te kijken naar de functie en betekenis ervan voor de hedendaagse volksgemeenschap.
    Hoewel de kritiek van De Vries op Schrijnen de inhoudelijke bezinning op het vak ten goede kwam, veroorzaakte de toon waarop dat gebeurde een schisma tussen de volkskundigen waardoor de institutionalisering van het vak binnen de academie werd vertraagd.  De tegenstelling tussen de katholieke universiteit van Nijmegen en het oud-liberale `Leiden' zal daar wellicht toe hebben bijgedragen. Met de dood van Schrijnen kwam er een eind aan deze - voor de nog jonge wetenschap van de volkskunde - weinig bevorderlijke situatie. De Vries nam het heft van de Nederlandse volkskunde stevig in handen volgens de ideeën die hij in 1937 in zijn bundel Volk van Nederland had verwoord.
    Daarin - en ook in andere artikelen  - signaleerde De Vries `een kentering'. Was de studie van het Nederlandse volksleven tot voor kort `het jachtterrein van dilettanten' gebleven, nu werd het tijd voor een professionele, centraal georganiseerde aanpak. Bij alle waardering voor de ijver waarmee folkloristen het volkskundig materiaal - variërend van liederen tot toverspreuken en van oogstgebruiken tot klederdrachten - hadden verzameld en geïnventariseerd, riep hij op tot een bezinning op de vraag wat er met het verzamelde materiaal kon en moest gebeuren. Volksoverleveringen dienden niet langer - in het verlengde van de Romantische traditie - als sporen of `relicten' van een heidens Germaanse oudheid te worden beschouwd. Evenmin konden zij gezien worden als `omlaag gezonken kultuurbezit' dat uit de bovenlaag van de samenleving naar het `lagere volk' was doorgesijpeld. In dat laatste geval zou de volkstraditie immers geen `oorspronkelijk volksbezit' zijn, `maar slechts het wrakhout van een reeds lang gestrande beschaving'.
    Tegenover deze beide benaderingen stelde De Vries een dynamisch alternatief, waarmee hij `het volk' een actieve rol toebedeelde: het ging erom na te gaan wat `de onderlagen' van het volk - en daarmee doelde hij niet op `de massa', maar op `de boeren, de visschers en de schippers' - uit het traditionele bezit hadden overgenomen en behouden. Bij deze volksgroepen `die buiten de groote geestesstromingen zijn gebleven', waren de `oude levensvormen' in de meest zuivere zin bewaard gebleven. De bestudering van dit cultuurgoed, dat kennelijk waardevol genoeg was om gecontinueerd te worden en daarmee het karakter, of `de ziel' van het volk in zich droeg, kon er toe dienen om de hogere beschaving te inspireren en de eenheid van gans het volk, van hoog tot laag, te bevorderen.
    De Vries presenteerde de volkskunde als een bij uitstek `nationale wetenschap', die een bijdrage kon leveren aan het doorgronden van de `geestelijke structuur van een volk'. Dat vereiste echter wel een professionele aanpak, waarbij men zich niet langer mocht beperken tot het willekeurig verzamelen van uiteenlopende zaken als mangelplanken en toverspreuken of oorijzers en volksliedjes. Door een systematische inventarisatie, vergelijking en nadere bestudering van overeenkomstige volksgebruiken onder Westeuropese volken kon een dieper inzicht verkregen worden in het `volkseigene': `Want het volksbezit is juist daarom belangrijk, omdat het deze algemeen-menschelijke verschijnselen in een eigen, bijzondere vorm toont, omdat het overgoten wordt met een eigenaardige kleur, gevuld met een nationalen geest.'
    Daartoe diende het Nederlandse volksleven geplaatst te worden `tegen een algemeenen achtergrond, waarin de anthropologische en geschiedkundige samenstelling van het volk, het verband tusschen bevolking en bodem, [en] de psychologische geaardheid van verschillende bevolkingselementen in korte trekken worden geteekend.' De Vries verkende de raakvlakken van de volkskunde met andere disciplines en positioneerde het vak binnen de academie door bijdragen op te nemen van onder andere de hoogleraar psychologie en pedagogiek J. Waterink over `Het Nederlandsche volkskarakter', van de hoogleraar geografie L. van Vuuren over `Ons vaderland als woonplaats van den mensch', de theoloog P.W.J. van den Berg over `Gemeenschapsvormen op het platteland' en de kunsthistoricus dr. J.S. Witsen Elias over `Nederlandsche volkskunst'.
    Ter afsluiting van zijn bundel presenteerde De Vries tenslotte zijn wetenschaps-politieke plannen, waarbij hij eens te meer hamerde op de noodzaak van regeringssteun voor de `moderne richting der wetenschap van de volkskunde'. Met een verwijzing naar de opzet van zijn boek pleitte hij voor meer en systematisch onderzoek `dat de samenwerking van zeer verschillende wetenschappen vereischt'. Daartoe dienden een vijftal bureaus te worden opgericht op het gebied van de (fysische) antropologie, de archeologie, de plaatsnaamkunde (toponomie), het dialectonderzoek en de folklore. Vanuit een centraal punt zouden zij eensgezind moeten werken aan `het eene doel: de volledige kennis van het Nederlandsche volk'.
    Tot slot merkt De Vries op dat het Nederlandsche volk niet alleen binnen de staatsgrenzen van het Koninkrijk der Nederlanden woont. Ook de zuidelijke Nederlanden zouden erbij betrokken moeten worden. Voorzover het verschillende staatsverband de eenheid van het onderzoek in de weg stond, moest er gestreefd worden naar een gelijksoortige inrichting van het onderzoek in zowel Vlaanderen als Nederland.

De Nederlandse Volkskarakters

Meertens kon zich goed vinden in de benadering en de plannen van De Vries. Ook hij zag de volkskunde als een nationale wetenschap, waarbij het onderzoek naar de aard van verschillende groepen binnen het Nederlandse volk tot meer eendracht kon leiden. Deze visie sprak uit de bundel De Nederlandse Volkskarakters, welke hij samen met Anne de Vries had geredigeerd en die kort na Jan de Vries' Volk van Nederland in het voorjaar van 1938 verscheen.
    Richtte Jan de Vries zich met zijn bundel vooral op de academie en de Nederlandse overheid die het volkskundig onderzoek financieel mogelijk moest maken, de bundel van Meertens en Anne de Vries was eerder bedoeld om een breder publiek kennis te laten maken met de cultuur of het karakter van de `eigen' groep in relatie tot andere groepen van het Nederlandse volk. Op die manier hoopten ook zij de onderlinge eenheid binnen het Nederlandse volk te bevorderen. Hoe Meertens en Anne de Vries de 'Nederlandse Volkskarakters' niet alleen in woord maar ook in beeld trachten te vangen, vormt het thema van de bijdrage van Remco Ensel aan deze bundel.
    De benadering van de beide samenstellers vereiste - meer dan de `meta'-benadering van Jan de Vries - een zorgvuldige afweging van de vraag welke groepen in de bundel aan bod zouden moeten komen. Meertens en Anne de Vries kozen in eerste instantie voor een geografische afbakening. De inwoners van de verschillende provincies, varirend van de Oost-Vlamingen in het Zuiden tot de Groningers in het Noorden, kregen ieder een eigen hoofdstuk. Daarnaast selecteerden zij enkele regio's, zoals de Veluwe en het Gooi; ook de bevolking van enkele grote steden in zowel Nederland als Vlaanderen ontbrak niet. Deze expliciete aandacht voor de stadsbevolking laat zien dat zij het onderzoek naar `het karakter' van het Nederlandse volk niet tot boeren en vissers wilden beperken.
    De Noordzee- en Zuiderzee vissers kregen overigens wel aparte hoofdstukken toebedeeld, los van hun thuishaven - en dat gold ook voor de Nederlandse joden: `drie bevolkingsgroepen', zo schreven Meertens en Anne de Vries in hun inleiding op de bundel, `die enerzijds nog steeds hun eigen karakter hebben behouden, en anderzijds op het karakter van ons volk in zijn geheel grote invloed hebben uitgeoefend.'  Deze verantwoording ten tijde van een toenemend antisemitisme, met name in Nazi-Duitsland, kan gelezen worden als een politieke verklaring. Mochten de lezers de impliciete betekenis van dit statement over het hoofd zien, dan lieten de woorden van de auteur van het hoofdstuk over `De Nederlandse Joden', de joodse psycholoog Dr. Jul. Leydesdorff, aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij begon zijn bijdrage met een verwijzing naar `de harde "germaanse" lessen van het laatste decennium'.
    Hoewel Leydesdorff zijn artikel het veelzeggende motto meegaf `To be and not to be - that 's the question' was ook hij - net als de overige auteurs in hun bijdragen over `De Achterhoekers' of `De Hagenaars' - niet vrij van essentialistische noties over 'de Joden'. Zo signaleerde hij een wezenlijk verschil tussen de Askenasische Joden uit Oost Europa en de Sefardische Joden van het Iberische schiereiland, maar tegelijkertijd bracht hij het gezamenlijke, eigen Joodse volkskarakter van àlle Nederlandse Joden naar voren, om vervolgens weer het Néderlandse karakter van de Joodse Nederlanders te benadrukken.
    Afgezien van Leydesdorff's bijdrage aan de bundel is er nog een ander hoofdstuk van belang voor de plaats die Joden kregen toegeschreven in deze benadering van De Nederlandse Volkskarakters. Dat betreft het artikel van de joodse sociaal-democraat Dr. Henri Polak over `De Amsterdammers'. Daarin onderscheidde hij de Joodse Amsterdammers van de Joden van elders en benadrukte zodoende zoiets als een `algemeenen Amsterdamschen volksaard', waar Joden expliciet deel van uitmaakten. Ook hier betreft het een essentiële eenheid (de Amsterdammers en de Joden) in verscheidenheid (joodse en niet-joodse Amsterdammers, naast Amsterdamse en niet-Amsterdamse joden). Met hun keuze voor Leydesdorff en Polak volgden de samenstellers een dubbelstrategie, waarbij zij enerzijds specifieke aandacht vroegen voor joden en een joodse identiteit, terwijl ze tegelijkertijd de joden als een geïntegreerd en onmisbaar deel van de Nederlandse volkskarakters wilden benadrukken. Met welke ambivalenties dat gepaard ging, komt in het artikel van Remco Ensel aan de orde.
     Dat Meertens en Anne de Vries, evenals Jan de Vries, overtuigd waren dat `onze zuidelijke landsgrenzen wel twee landen, maar niet twee volken van elkaar scheiden', blijkt uit het feit dat 14 (van de 31) bijdragen geheel aan Vlaanderen zijn gewijd. Ten overvloede beklemtoonden zij in hun inleiding `het Groot-Nederlandse karakter' van hun boek, waarbij opvalt dat zij Zuid-Afrika buiten beschouwing laten.  Wel voegden zij er nog aan toe dat de Oost-Friezen geen aparte plaats hebben gekregen omdat hun `volksaard' te weinig van de Nederlandse Friezen zou verschillen.  Ook aan `de Nederlanders in den vreemde (o.a. in de Oost en de West)' werd voorbij gegaan, omdat zij `te weinig een eigen volksaard of te zeer ontnederlandst' zouden zijn.

Essentialistisch vertoog

Dergelijke overwegingen waren niet in tegenspraak met de aanpak van Jan de Vries, ook al wenste hij zich - `om methodische redenen' - te beperken tot de boeren, vissers en schippers als `dat deel (van het volk), waarin wij meenen, dat de typeerende karaktereigenschappen het beste bewaard zijn gebleven, omdat zij het minste in aanraking zijn gekomen met de kultuurgoederen van buitenland of bovenklasse'.  In zijn Volk van Nederland was de aandacht dan ook uitsluitend gericht op cultuurverschijnselen onder de boerenbevolking.  
    Jan de Vries groeide op in Amsterdam als enig kind van een hoofdonderwijzer en diens vrouw.  Ondanks, of juist dankzij deze stadse, burgerlijke achtergrond, was De Vries geneigd de `hoogmoed' van de stadse elite - zoals hij het noemde - te bestrijden door de traditioneel `hogere' cultuur als minder voor te stellen. Keer op keer trok hij de registers van zijn beeldende retoriek wijd open om zich af te zetten tegen de cosmopolitische `asfalt'cultuur van de `naar verandering hakende' stedeling, `wiens geest een chaos en wiens ziel een woestijn is.' Daar stelde hij dan het leven op het land tegenover, waar de boer `gehecht is aan de plaats, waar hij geboren en getogen is' en in direct contact stond met `de alvoedende aarde'.  Meertens en Anne de Vries, beiden afkomstig uit de provincie (resp. Zeeland en Drente), waren kennelijk minder geneigd tot idealisering van de plattelandsbeschaving - wat ook blijkt uit hun kritische bijdragen over de betreffende regio's. 
    Maar uiteindelijk was de gemeenschappelijke inzet van zowel Jan de Vries als Meertens en Anne de Vries het onderscheid tussen een `hoge' en `lage' cultuur te bestrijden en na te gaan hoe stad en land, boeren en burgers, `Holland' en de regio op elkaar inwerkten en elkaar nodig hadden ter meerdere eenheid en `versterking van de liefde voor het eigen volk'.  De gemeenschappelijke basis voor dat streven kwam ook tot uitdrukking in het begrippenapparaat dat in beide bundels werd gehanteerd, als het erom ging de invloeden van een geografische ligging, erfelijke factoren, en historische ontwikkelingen op de vorming van een volkscultuur en een volks`karakter' aan te geven. Niet alleen Meertens en Anne de Vries noemden in hun inleiding, zonder enige negatieve bijklank, de `rasvermenging die sinds eeuwen in onze lage landen heeft plaats gevonden'. Ook andere auteurs maakten in hun bijdragen onbevangen gebruik van begrippen als `volksaard', `volksstam', `raseigenaardigheden', `zuiverheid', `bloed' en `bodemgesteldheid', die binnen de psychologie, geografie, archeologie, geschiedenis en fysische antropologie waren ontwikkeld en inmiddels gemeengoed waren.
    Hierdoor vormde De Nederlandse Volkskarakters een verzameling van teksten waarin essentialistische noties over `het volk' - of het nu ging om een `Joods', `Zeeuws', `Nederlands' of `Groot-Nederlands' volk - tegelijkertijd gearticuleerd en gerelativeerd werden. Dat was mogelijk omdat groepen Nederlanders enerzijds als eenheid werden gepresenteerd, terwijl anderzijds de overeenkomsten en veranderlijkheid van deze verschillende groepen werden beschreven. De vraag wat de `Nederlandse volkskarakters' inhielden, werd dan ook geenszins beantwoord. De bundel maakte eerder duidelijk dat die vraag slechts langs omtrekkende bewegingen benaderd kon worden en dat iedere poging om daar een afgebakende omschrijving van te geven tot teksten vol tegenstrijdigheden leidde. De verschijning en ontvangst van een dergelijke bundel laten zien hoezeer intellectuelen destijds bepaald werden door een essentialistisch vertoog, dat ook voor de recensenten en het lezerspubliek als vanzelfsprekend gold.
    In Volk van Nederland ging Jan de Vries niet uit van in hoofdzaak geografisch afgebakende groeperingen, maar van `enkele belangrijke gebieden van het Nederlandsche volksleven'.  Weliswaar leende deze keuze zich beter voor een meer dynamische aanpak, maar ook hij en zijn co-auteurs raakten verstrikt in hun pogingen de `ziel' van het Nederlandse volk als object van onderzoek bloot te leggen. Om daar meer greep op te krijgen, pleitte hij voor meer overheidssteun bij het systematisch in kaart brengen van specifiek Nederlandse cultuurverschijnselen. Dit zou mogelijk gemaakt worden door - in navolging van de Duitse volkskundigen - een landelijke verspreiding van vragenlijsten, die tot een Nederlandse Volkskunde Atlas moesten leiden. Samenwerking met Duitse en Vlaamse volkskundigen zou het mogelijk maken het grensoverschrijdende karakter van de Nederlandse cultuur aan te tonen.


Het nationale denken in politiek en wetenschap.


Op dat punt van hun wetenschappelijke verkenningen aangekomen, kregen Jan de Vries en Piet Meertens direct met elkaar te maken. Beiden waren gemotiveerd om de Nederlandse volkskunde op te stoten in de vaart der academische en - niet in de laatste plaats - Europese volkeren. Beiden werden daarbij gestimuleerd door het politieke vertoog van de jaren dertig, toen steeds meer nadruk kwam te liggen op het streven naar volkseenheid en sociale vernieuwing.
    Binnen dit politieke vertoog nam het platteland een belangrijke plaats in: daar kon men nog een werkelijke `gemeenschap' aantreffen. De boeren - die toen sterk te lijden hadden onder de crisis - werden als onmisbaar deel van het Nederlandse volk naar voren gehaald. Dat ging gepaard met een beeld van de `zuivere' plattelandcultuur als tegenwicht voor de ongunstige, `materialistische' invloeden van de stad. Het overbruggen van de kloof tussen stad en land en daarmee tussen de intellectuele elite en het volk, was een voorwaarde om tot een geestelijke vernieuwing en een daadwerkelijke versterking van de Nederlandse volksgemeenschap te kunnen komen.  
    Op Volkseenheids-conferenties, aan de Volkshogescholen of vanuit regionale bewegingen probeerde men met elkaar in gesprek te komen en een lijn uit te zetten waarlangs de verdeeldheid op grond van religie, regio en klasse overbrugd kon worden en de `vernieuwing van Nederland' vorm moest krijgen. Ook de scheidslijn tussen het Nederlands-sprekende volk in Noord- en Zuid-Nederland (Vlaanderen) stond hierbij ter discussie en deed de aanhang van de Groot-Nederlandse of Dietse beweging vermeerderen. Daarbinnen vonden ook Jan de Vries en Piet Meertens elkaar.
    Zo groeiden in de loop van de jaren dertig de voorstanders van volkseenheid, regionale emancipatie en economische ordening langzamerhand toe naar een beweging die door de antropoloog Rob van Ginkel als `de eenheidsdenkers' wordt aangeduid en die de historicus Wichert ten Have `een stroming van Vernieuwing' noemt.  Ten Have voegt daar onmiddellijk aan toe dat er geen sprake was van een precies omschreven beweging: de term `vernieuwing' heeft in zijn werk een ideaaltypisch karakter.  Dat neemt echter niet weg dat vaag omschreven en soms tegenstrijdige meningen samenkwamen in de stellige overtuiging dat er sprake was van één gezamenlijk doel, namelijk de versterking van de eenheid van het Nederlandse volk.

De inspanningen van Jan de Vries en Piet Meertens voor de ontwikkeling van de volkskunde waren nauw verweven met de opleving van het nationale denken in de jaren dertig. De naar emancipatie strevende bevolkingsgroepen probeerden hun plaats te bepalen binnen een nationale eenheid, en de beide volkskundigen droegen ertoe bij om dit streven langs wetenschappelijke weg te legitimeren en te bevorderen. Bij deze gemeenschappelijke inzet bleven hun uiteenlopende posities binnen het politieke spectrum - Meertens links geëngageerd in de CDU en De Vries rechts georinteerd zonder partijpolitieke bindingen - op de achtergrond.
    De Vries, die onder meer in zijn Volk van Nederland duidelijk had aangegeven hoe hij de volkskunde op de academische en cultuur-politieke kaart wilde zetten, wist goed wat hij wilde en ging recht op zijn doel af. De geringe overheidssteun voor zijn plannen zag hij als een indicatie voor de beperkte capaciteiten van de Nederlandse regering, zeker als hij dat vergeleek met nazi-Duitsland waar zoveel middelen vrij kwamen voor de bestudering van de Germaanse volkscultuur. Duitsland vormde niet alleen in wetenschappelijk, maar ook in politiek opzicht zijn voorbeeld.
    Meertens deelde de kritiek van De Vries op de Nederlandse regering, te oordelen naar de doorslagen van zijn brieven aan zijn vriend, de taalkundige H.L. Bezoen in Batavia. `We hebben ons geld hard nodig voor onze landverdediging en luchtbescherming, en of we langzaam maar zeker ten prooi worden van de barbarij komt er minder op aan', schreef de pacifistisch georiënteerde Meertens in juni 1939.  In dezelfde brief noemde hij met instemming een voordracht van de socioloog en sociaal-democraat J.P. Kruyt, die `een heftige aanval (heeft) gericht op de regering, die de volkskracht langzaam maar zeker laat ondermijnen. We zullen hopen dat de Haagse heren het onder hun ogen krijgen.' Tegelijkertijd was ook Meertens onder de indruk van de wijze waarop de volkskunde in Duitsland vorm kreeg. Maar dit bracht hem niet tot een waardering van het politieke regime waaronder dat tot stand kwam, in tegendeel. Ondanks zijn pro-Duitse gevoelens, had hij weinig op met het nationaal-socialisme.
    Aan Meertens had De Vries als voorzitter van de Volkskundecommissie een perfecte rechterhand. Meertens beschikte, net als de Vries, over een noeste werkijver en een sterk organisatievermogen. Bovendien was hij zeer belezen en van een hoog intellectueel niveau, zonder echter de geldingsdrang die daarmee veelal gepaard gaat. Meertens bleef liever op de achtergrond dan dat hij in de schijnwerpers trad. Hij toonde zich eerder een loyale volger dan een voortrekker. In zijn positie als secretaris had dat grote voordelen. Zeker naast een persoonlijkheid als De Vries kon hij deze houding beter cultiveren om botsingen met zijn voorzitter te voorkomen en om diens conflicten met andere kemphanen in de academische arena in diplomatieke banen te leiden. Binnen enkele maanden na de benoeming van de nieuwe voorzitter schreef Meertens dan ook opgetogen dat `alles koek en ei' was tussen hem en De Vries.
    
De Duitse inval

Nog geen jaar later toonden beiden zich overdonderd door de Duitse inval. Op 10 mei 1940 noteerde Meertens in zijn dagboek: `Oorlog met Duitschland, dus toch. Ik heb deze mogelijkheid eigenlijk nooit willen geloven, deze afschuwelijkheid. En nu is het werkelijkheid geworden. Mijn arm land, mijn arm volk. Maar ook: ongelukkig Duitsland, dat tot deze dingen zijn toevlucht moet nemen.'  
    In de daarop volgende maanden werd Meertens - zoals het gros van de Nederlandse bevolking - heen en weer geslingerd tussen de hoop `dat alles wel mee zal vallen' en vrees voor de toekomst.  In juli verkende Meertens de mogelijkheden van diverse politieke stromingen. Zo liet hij zich door Mr. A. Loosjes informeren over de opstelling van de Dietse Beweging. Die bleek echter zozeer in een pro- en anti-Duitse stroming verdeeld te zijn `dat van de D.B. op het ogenblik niets (kan) uitgaan'.  Ook sprak hij met Ds. Domela Nieuwenhuis Nijegaard over het Nationaal Front. Maar ondanks zijn bewondering voor de `grote bezieling waarmee deze oude man zich inzet voor zijn ideaal' werd Meertens van aansluiting weerhouden doordat hij een tegenstelling signaleerde tussen `dit ideaal en het christendom, o.a. met betrekking tot het Jodenvraagstuk'. 
    Ook Jan de Vries was in eerste instantie geschokt door de Duitse inval, zo blijkt niet alleen uit getuigenissen na afloop van de oorlog,  maar ook uit zijn eerste geschriften na de capitulatie in 1940. In het juni/julinummer van Neerlandia, het maandblad van het Groot-Nederlands georiënteerde Algemeen Nederlandsch Verbond, stond een bijdrage van De Vries onder de titel `Het uur der beslissing'. Daarin refereert hij aan de Duitse inval als aan `een dief in de nacht', terwijl hij in zijn kort daarna verschenen brochure Naar een betere toekomst herinnert aan `de uren van smart en ontgoocheling om de zwakte en doelloosheid van ons verzet tegen de plotselinge aanval'.  Maar De Vries heroeiënteerde zich snel, zo blijkt alleen al uit de titel van het laatste geschrift.
     De eerste alinea van `Het uur der beslissing' sloot hij af met de constatering dat `Ons vaderland, dat meer dan een eeuw lang geen oorlog gekend had en zijn vrijheid ongerept bewaarde, door een vreemde mogendheid (werd) bezet.' Vervolgens schreef hij vervolgens dat hij ervan overtuigd was dat `het Nederlandsche volksbestaan niet vernietigd (zal) worden.' Sterker nog: `Wij zullen in een herboren Europa onze plaats weer innemen'. Maar dat vereiste wel een noodzakelijke herorintatie: `Wij mogen er niet blind voor zijn, dat nieuwe tijden andere normen zullen eisen (....) Als het noodig is, moet men het verleden begraven om den weg der toekomst vrij te maken.' Daar zag De Vries als nieuw verkozen voorzitter van het Algemeen Nederlands Verbond ook de taak van het ANV: `[H]et moet in den nacht van het heden een lichtbaak zijn, waardoor verdwaalde Nederlanders de koers naar het eigen volksbesef kunnen terugvinden.' 
    Met een dergelijk standpunt stond De Vries zeker niet alleen. Kort na de capitulatie wezen meer vooraanstaande Nederlanders op de mogelijkheden die de nieuwe ontwikkelingen boden om `fouten van het verleden' te herstellen.  Zo kwam het befaamde driemanschap L. Einthoven, J. Linthorst Homan en J.E. de Quay in juli 1940 tot de oprichting van een nieuwe eenheidspartij. De Nederlandse Unie zou in `loyale verhouding tot de bezettende overheid' moeten bijdragen tot `het behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap'.  Tot haar gedwongen opheffing in december 1941 verwierf de Unie een onverwacht grote aanhang onder brede lagen van de Nederlandse bevolking.
    De Vries was benaderd, maar had geweigerd zijn naam aan dit `nationale initiatief' te verbinden, zo wordt duidelijk uit Meertens' dagboeknotities. Zijn bezwaren golden niet alleen de leiders van de oude politieke partijen, zoals Colijn en Telders, die in het Comité van Aanbeveling hadden plaatsgenomen, maar ook de `vage bewoordingen' waarin de doelstellingen van de Nederlandse Unie waren gesteld. Bovendien was over `één der belangrijkste punten', namelijk `het Dietse', niets opgenomen. `Wat nu?', liet een vertwijfelde Meertens - die zich kennelijk door De Vries' kritiek van aansluiting liet weerhouden - direct daarop volgen. 
    Toen De Vries hem enkele dagen later een exemplaar van Neerlandia met `Het uur der beslissing' toestuurde, reageerde Meertens positief, met name waar het hun gedeeld Groot-Nederlands perspectief betreft: `Wanneer het ANV den door U aangewezen weg inslaat, is er nog geen reden om aan de toekomst te wanhopen.'  Wat betreft de Vlaams-Nederlandse relaties mag Meertens hoopvol gestemd zijn geweest, dat gold niet voor de Duits-Nederlandse verhoudingen die zo bepalend waren voor de ontwikkeling van de volkskunde. Op 24 juli schreef hij in zijn dagboek:

`Het is een afschuwelijke gedachte, dat het volk van dichters en denkers, het volk waarmee wij Nederlanders meer dan met enige andere natie naar de geest en naar het bloed verwant zijn, bezig is om zich dermate gehaat onder ons te maken, dat de politieke en kulturele samenwerking, waarnaar ik en velen met mij jarenlang gestreefd hebben, verder dan ooit schijnt te zijn en kans loopt, gedurende lange jaren onverwezenlijkt te blijven.'
    
Onder invloed van de voortvarende plannen van De Vries maakte deze sombere stemming in de eerste weken van september plaats voor meer vertrouwen in de toekomst. De Vries zag onder de nieuwe verhoudingen de mogelijkheid een lang gekoesterde wens te realiseren: de instelling van een centraal instituut, waarin de bureaus van de Dialecten- en de Volkskundecommissie ondergebracht zouden worden. Meertens kon diens initiatief niet genoeg roemen: `Hij is werkelijk iemand met buitengewoon doorzettingsvermogen en een benijdenswaardig jeugdig élan.' De Vries, zo voegde hij daar aan toe, kon in alle opzichten op zijn medewerking rekenen.
    Hoewel Meertens voorzag dat de plannen de nodige weerstand zouden oproepen, lichtte hij dit niet nader toe. Dacht hij daarbij aan de meer persoonlijk getinte competentiestrijd binnen de Akademie, of realiseerde hij zich dat de noodzakelijke steun van de bezettingsmacht voor een dergelijk instituut op politieke bezwaren zou stuiten? Zelf leek hij niet zwaar te tillen aan het gevaar dat de wetenschappelijke praktijk in nationaal-socialistisch vaarwater kon geraken. Vooralsnog was hij er van overtuigd dat `het gezond verstand' in deze wetenschappelijke aangelegenheid zou overwinnen.

Een slag voor de volkskunde.

Juist op het moment dat deze nieuwe mogelijkheden zich voordeden, werd Meertens op 13 september gearresteerd. Niet vanwege zijn kritiek op het nationaal-socialisme, maar op grond van vermeende homoseksuele contacten met twee (jongere) mannen in de periode 1933-1939.  Voor Meertens, overtuigd van zijn eigen onschuld, zette deze gebeurtenis de wereld op zijn kop: `Terwijl ons land bezet is door een vreemde mogendheid en onze nationale zelfstandigheid op het spel staat, komt de Nederlandse justitie huiszoeking doen naar pornografische foto's op een bureau, waar sinds jaar en dag gewerkt wordt aan de verheffing van het nationale bewustzijn van ons volk.'  Enkele maanden later kwam hij nog eens op terug op het falen van de Nederlandse overheid:

`Er ontbreekt iets aan de leiding van ons volk. Zij die geroepen zijn tot de hoge functies in ons staatsleven zijn lang niet allen uitverkoren. Is het niet beschamend dat voor het werk, waarvoor ik jaren lang ben afgescheept met een aalmoes, nu opeens geld in overvloed beschikbaar is? Dat eerst ons land zijn onafhankelijkheid moest verliezen, eer de ogen opengingen voor de nationale en kulturele betekenis van de dialect  en volkskunde studie?'

Na de eerste wanhoop en verbijstering over zijn arrestatie hernam Meertens zichzelf. Zijn christelijke levensovertuiging bood hem een referentiekader, waarmee hij het onheil dat over hem persoonlijk was afgeroepen een plaats kon geven: `Nooit is het lijden zinloos. Het lijden, hoeveel moeite het ons ook mag kosten, den zin ervan te verstaan. Deze goddelijke wetenschap verzoent mij met het schijnbaar zinlooze, dat ik op het oogenblik onderga.'  Bovendien wist hij zich gesteund door talloze vrienden, geleerden, zijn vervangster en naaste collega van het Dialect-bureau Jo Daan, en niet in de laatste plaats door Jan de Vries die tijdens zijn gevangenschap en bij zijn terugkeer onvoorwaardelijk achter hem bleef staan. Geroerd citeerde Meertens in zijn dagboek uit een brief van De Vries, die hem schreef dat zijn afwezigheid `een ramp is voor het Bureau' en `een slag voor het nationale belang der volkskunde.' Doelend op hun uiteenlopende standpunten ten aanzien van het nationaal-socialisme voegde Meertens daar aan toe: `Dat uit de mond van iemand te horen, die voor kort nog mijn tegenstander was, doet me meer goed dan ik in woorden kan uitdrukken.'
    Tijdens zijn detentie bleef Meertens via Jo Daan, De Vries en de voorzitter van de Dialectencommissie Prof. Jac. van Ginneken nauw betrokken bij de gang van zaken op het Bureau. Hij adviseerde bij het opstellen van de vragenlijsten voor de Dialect en de Volkskunde Atlas en hij kreeg - na interventie van De Vries - de nodige literatuur om aan de `Tijdschriftenschouw' voor het Tijdschrift voor Volkskunde te werken. Maar zijn geïsoleerde positie plaatste hem wel buiten de maatschappelijke ontwikkelingen in bezet Nederland.

De Vries daarentegen stond er middenin. Als voorzitter van het Algemeen Nederlands Verbond bepleitte hij in zijn bijdragen aan Neerlandia niet alleen de samenwerking met de nationaal-socialistische autoriteiten,  in zijn brochure Naar een betere toekomst ging hij een stap verder door het Duitse volk ten voorbeeld te stellen bij `de opvoeding van het jonge opgroeiende geslacht van Nederland tot den onbaatzuchtigen dienst aan het volk.'  Onderwijl werkte hij mee aan de oprichting van een `nationaal instituut voor het onderzoek en de behartiging van de Nederlandsche taal, dialecten en volkskunde' en een centraal geleide Heemkunde Commissie.  
    Gedurende het eerste jaar van de Duitse bezetting engageerde De Vries zich in toenemende mate met de bezettingsmacht en haar Nederlandse sympathisanten, zoals de hoogleraren Jan van Dam (1896-1979) en Geerto Snijder (1896-1992).  Tegelijkertijd raakte hij op steeds grotere afstand van zijn naaste collega's die een kritische houding tegenover het nationaal-socialisme innamen.  Zo schreef hij - op verzoek van Van Dam, die sinds november 1940 was benoemd tot secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming - een eerste aflevering in de serie `Hoekstenen onzer Volkskultuur' over De wetenschap der Volkskunde. Wat De Vries daarin naar voren bracht, verschilde niet wezenlijk van hetgeen hij in de voorafgaande jaren had betoogd. Na een historische schets volgde een toelichting op de doelstellingen en de werkwijze van de Atlas der Nederlandse Volkskunde. In zijn pleidooi voor een Atlas, die `het ganse gebied van Duinkerken tot Delfzijl' zou omvatten, refereerde hij expliciet aan zijn vooroorlogse, Groot-Nederlandse uitgangspunt. Maar De Vries slaagde er in zijn Groot-Nederlands standpunt om te buigen in de richting van het Groot-Germaans gedachtengoed.  Door de Duitse autoriteiten werd de volkskunde immers gezien als een cultuurpolitiek instrument bij uitstek, waarmee de bevolking van de bezette gebieden voor een Groot Germaans Rijk gewonnen kon worden.

Voor handhaving en versterking der Nederlandse volkskracht

Het waren niet alleen pragmatische overwegingen, die de opstelling van De Vries na de capitulatie in mei 1940 bepaalden. Hij zag ook uitgesproken positieve kanten aan de overwinning van het nationaal-socialisme:

'Ik noem slechts: de eenheid van Europa onder leiding van een sterk centrale macht en de verdediging van ons werelddeel tegen het Bolsjewistische Rusland, de nieuwe sociale ordening, die de klassenstrijd wilde opheffen, de belangstelling voor de gezonde volkskrachten, zich o.a. uitend in de versterking van de boerenstand, de beteugeling der verlammende onderlinge verdeeldheid, de herwaardering van geld en arbeid.'

Dergelijke standpunten ten aanzien van het leiderschapprincipe en het streven naar een nieuwe sociale ordening, had De Vries ook al voor mei 1940 gekoesterd. Toentertijd pasten zijn opvattingen binnen de autoritair-nationalistische stroom van het vernieuwingsdenken, waar nationale saamhorigheid en volkskracht zich slecht lieten verenigen met (parlementaire) democratie en individualisme.  In die zin vormde de Duitse bezetting voor De Vries geen aanleiding om zijn denkbeelden te herzien, integendeel.
    Het nieuwe regime bood hem volop gelegenheid zijn wetenschappelijke capaciteiten op het terrein van de Germaanse oudheid en de volkskunde, waarvoor tot dan toe weinig belangstelling bestond, te ontplooien. Zonder stil te staan bij de uitsluiting van naaste collega's vanwege hun joodse herkomst of anti-nationaal-socialistisch opvattingen, zag De Vries vooral intellectueel en materieel voordeel van een samenwerking met instellingen als het Volkskunde-büro te Berlijn en Das Ahnenerbe.
    Deze samenwerking diende dan wel gepaard te gaan met inspanningen ten bate van `het handhaven van het Nederlandsche volksbezit', zoals de Nederlandse taal en uitingen van het volksleven, verklaarde De Vries achteraf tijdens zijn verhoor in 1948. En hij vervolgde: `Dat ik, ten aanzien van mijn verleden en mijn positie in het Nederlandsche Kultuurleven mij niet afzijdig houden kon, volgde reeds uit mijn instemming met verschillende nationaal-socialistische denkbeelden.' 

Toen Meertens op 31 maart 1941 uit de gevangenis werd ontslagen en, na opheffing van zijn schorsing, in juni zijn werkzaamheden hervatte aan de Nederlands Akademie van Wetenschappen (het Koninklijke was inmiddels geschrapt), voelde hij zich buitengewoon erkentelijk ten opzichte van De Vries. De inzet van De Vries, die - met voorbijgaan aan hun politieke verschillen en zonder morele oordelen over zijn homoseksualiteit - er alles aan had gedaan om zijn goed functionerende secretaris terug te krijgen, ervoer Meertens als een daad van persoonlijke loyaliteit en integriteit. Dat komt ook naar voren uit zijn getuigenis ten gunste van De Vries na afloop van de Duitse bezetting. Wellicht heeft dit ertoe bijgedragen dat Meertens, niet zonder aarzeling, besloot om op 11 februari 1942 aanwezig te zijn bij de installatie van de Kultuurraad, waarin De Vries zitting zou nemen. De volgende dag noteerde Meertens in zijn dagboek:

`Ik zie de bezetter niet in de eerste plaats als vijanden, zoals ons volk vrijwel in zijn geheel doet; daarvoor ben ik mij te zeer bewust van de lotsverbondenheid die het Duitse en het Nederlandse volk verbindt. Het is allerongelukkigst dat de Duitsers de 10de mei 1940 ons land moesten binnenvallen, en het was oneindig beter geweest als wij in 1920 de helpende hand aan Duitsland hadden uitgestoken, toen het lag te zieltogen. In plaats daarvan hebben we meegeholpen om het leeg te plunderen. Die verzuimde hand kunnen we niet meer herstellen; de geschiedenis heeft zich anders ontwikkeld dan wij verwacht hadden. De vraag van het ogenblik is: hoe moeten we redden van onze kultuur, wat nog het redden waard is?'
    
Over de `uitvoerige rede' van Rijkscommissaris Seyss-Inquart bij deze gelegenheid - waarin hij ruim drie kwartier lang over het belang van de kultuur voor de gemeenschap sprak - schreef Meertens `dat men daar weinig anders tegenin kan brengen dan dat déze man het zegt op dít ogenblik. Had een Nederlander het voor de 10de Mei uitgesproken, dan had dit woord in brede kringen bijval gevonden'.  
    De woorden van Seyss-Inquart getuigden in ruime mate van het doel om `de kultuurscheppende en kultuurdragende mensch, uit zijn vereenzaming bevrijd, weer aan de gemeenschap van zijn volk te binden'. Een doel dat naadloos aansloot bij Meertens streven en recente ervaringen. Maar daarnaast verzuimde de nazi-autoriteit niet om de `uitschakeling van het jodendom uit het Nederlandse kultuurleven' te bepleiten.  Had Meertens selectief geluisterd of verkoos hij de houding van het gros van de Nederlandse bevolking dat, ook na de Februaristaking van 1941 nog hoopte dat het zo'n vaart niet zou lopen?  Zijn commentaar tekent in ieder geval de meegaande houding waarmee Meertens het nationaal-socialistische regime in het jaar na zijn vrijlating uit de gevangenis tegemoet lijkt te treden.
    Want inmiddels had Meertens zich, volgens zijn latere verklaring in 1972, op verzoek van De Vries bereid verklaard manuscripten van dialect- en streekromans op hun kwaliteit te beoordelen en `vooral ook te wijzen op bepaalde passages (b.v. over Duitsland, de Joden, communisten enz.) die de Duitsers zouden aangrijpen om geen papier te geven'. Vanaf dat moment behoorde hij, samen met De Vries, tot de lezers van het Lectoraat; een censurerende instantie van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Zelf stelt Meertens achteraf dat het nimmer tot hem was doorgedrongen dat hij op deze manier `was ingelijfd in het Lectoraat.'  Hoe het ook zij: het was een opmerkelijke stap die hem in 1941 op een hellend vlak bracht richting collaboratie met de Duitse bezettingsmacht.

Uiteenlopende richtingen

Het jaar na zijn vrijlating werkten Meertens en De Vries eendrachtig samen aan de realisering van de plannen voor het voornoemde Rijksinstituut voor Taal en Volkskultuur, zoals het centrale instituut inmiddels was gaan heten.  De `nieuwe situatie', zo schreef Meertens in december 1941 aan Anne de Vries, gaf hem `handen vol' werk doordat de belangstelling voor de folklore `enorm' was toegenomen.  Daarnaast werd hij in beslag genomen door de voltooiing van een aantal projecten die hij al voor de Duitse inval was aangevangen, zoals de publicatie over het dialectologisch en volkskundig onderzoek naar Het eiland Urk (1942) , de bloemlezing De lof van den boer (1942), en zijn proefschrift Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, waarop hij in juli 1943 cum laude promoveerde bij de Utrechts hoogleraar C.G.N. de Vooys.
    De Vries continueerde zijn inspanningen voor de `handhaving en versterking der Nederlandsche volkskracht', zoals hij het zelf noemde,  door naast het ijveren voor het Rijksinstituut voor Taal en Volkscultuur zitting te nemen in de voornoemde Kultuurkamer en voorzitter te worden van het zogenaamde Letterengilde. Dit leidde onder meer tot zijn medewerking aan het orgaan van de Kultuurkamer De Schouw en het houden van radiolezingen en voordrachten om het doel en de werkwijze van de Kultuurkamer toe te lichten. Bovendien schreef hij op verzoek van Van Dam in 1942 Onze Voorouders, een kort overzicht van de `Germaanse kultuur' voor schoolgebruik. Vanaf 1942 verleende De Vries ook zijn medewerking aan het populair wetenschappelijke maandblad Hamer van de Volksche Werkgemeenschap.
    De Werkgemeenschap (vanaf 1943 de Germaansche Werkgemeenschap genoemd) was een mantelorganisatie van het Ahnenerbe, de culturele en wetenschappelijke afdeling van de Germaanse SS. De Werkgemeenschap had ten doel via een toegepaste volkskunde propaganda te maken voor de Groot Germaanse gedachte, hetgeen vanaf oktober 1940 onder meer gebeurde met het fraai vormgegeven en financieel ruim ondersteunde blad Hamer.  Dat er vanuit de Volksche Werkgemeenschap anderhalf jaar lang op aangedrongen moest worden voordat De Vries zijn medewerking aan het blad gaf, is veelzeggend.  Dat geldt ook voor de argumentatie, die hij daar achteraf voor bood. Naast het belang dat hij aan de popularisering van zijn vakgebied hechtte, zou onthouding van zijn medewerking `slechts onverantwoord dilettantisme' in de hand gewerkt hebben.  Toen De Vries eenmaal deze stap in de richting van de Germaanse SS had gezet, volgde in 1943 zijn begunstigend lidmaatschap. 
    Zijn bijdragen aan Hamer over `Germaanse Goden' en `Het raadsel der runen' kenmerken zich door een rustige en weloverwogen stijl, die gedegen afsteekt bij de sibbelarij en het ronkend, soms onverbloemd racistisch proza van veel andere scribenten in het blad. Dat neemt niet weg dat De Vries zich binnen deze context aansloot bij de `volkse' speurtochten naar de `oerbron' van de Germaanse beschaving. Daarmee koos hij niet alleen in organisatorisch opzicht, maar ook inhoudelijk voor een nationaal-socialistische optiek. Binnen deze cultuurpolitieke mal slaagde hij erin om - net als voor de bezettingstijd - een rationele, moderne benadering van de volkskunde te verenigen met een romantisch en ondemocratisch wereldbeeld.

Terwijl De Vries zich langs deze weg steeds meer inliet met instanties waarbinnen virulent antisemitisme en racisme gemeengoed waren - zonder dat hij zelf ooit blijk gaf van antisemitische overtuigingen - leek Meertens een tegenovergestelde beweging te maken. Vanaf mei 1942 noemde hij in zijn dagboeken geregeld met afschuw de isolering en vervolging van de joden. Vooral de directe confrontatie met de anti-semitische vervolgingspolitiek bracht een omslag te weeg in zijn houding ten aanzien van de Duitse bezettingsmacht.  Hoewel ook Meertens geregeld contacten onderhield met mensen van de Volksche Werkgemeenschap en bewondering uitte voor het door hen verzamelde materiaal,  verleende hij geen medewerking aan Hamer of enig ander orgaan van nationaal-socialistische snit. Sterker nog: uit zijn dagboekaantekeningen van 18 augustus 1943 valt op te maken dat hij de plannen van De Vries voor het Rijksinstituut sinds enige tijd probeerde te traineren met steun van het hoofd van de Afdeling Cultuurbescherming en Wetenschappen van het Departement Mr. J.K. van der Haagen en het bestuur van de Akademie.
    Dat viel Meertens niet gemakkelijk, omdat hij nog altijd enthousiast was voor de instelling van een overkoepelend instituut en bang was dat het daar na afloop van de oorlog niet meer van zou komen. Zijn bezwaar betrof inmiddels wel de steun van de bezetters, `die van deze zuiver nationale zaak liever hun handen moeten afhouden.' Volgens Meertens, die zijn voorzitter nog altijd voor `een eerlijk man' hield, zag De Vries niet `dat men onder geen enkele voorwaarde de hulp van de vijand mag aanvaarden.' Op dit punt zijn Meertens en De Vries van mening gaan verschillen: `voor hem zijn de Duitsers vrienden en bondgenoten, voor mij zijn ze   althans voor zover ze nationaal socialist zijn   vijanden, en zullen dat blijven zolang ze op Nederlandse grond staan en zo lang dit regime aan het bewind is.'
    Nog altijd bleef Meertens loyaal aan de persoon van De Vries, maar zijn loyaliteit is niet langer verbonden aan de steun voor diens plannen. Het onderscheid dat Meertens hier - voor het eerst expliciet - maakt tussen Duitsers en nationaal-socialisten, kan erop duiden dat hij zich inmiddels had aangesloten bij de groep socialisten rond het verzetsblad De Vonk.  Daarbinnen was een dergelijk onderscheid gangbaar, wat het voor Meertens mogelijk maakte om zijn gevoel van verwantschap met het Duitse volk en de Duitse cultuur te combineren met zijn afschuw over de antisemitische vervolgingspolitiek.
    Toen de Duitse eindoverwinning geen reeële optie meer was en daarmee de kansen voor het nationaal-socialisme waren gekeerd, vroeg Meertens zich op 10 juni 1944 af: welk einde begeer ik van deze oorlog?' In een overwinning van de geallieerden zag hij al even weinig als in een overwinning van Duitsland, omdat in beide gevallen `anti socialistische, grootkapitalistische machten' de overwinning behalen. `Het gaat voor mij al lang niet meer om democratie of dictatuur, het gaat voor mij uitsluitend om socialisme of kapitalisme.' Meertens presenteert zichzelf als `een overtuigd socialist', in de geest van de Internationale Socialistische Beweging. Als beste mogelijkheid voor de verwezenlijking van een socialistische maatschappij in de naoorlogse situatie zag hij op dat moment `een socialistische revolutie in Duitsland', die overgenomen zou moeten worden door soortgelijke socialistische bewegingen in de geallieerde landen.

`Daardoor zou Duitsland niet het machteloze, geknechte rijk worden, zoals alle brave burgers het in een nabije toekomst zien, maar een rijk dat op gelijke voet staat als de andere grote mogendheden en dat zelfs, ondanks zijn nationaal socialistische verleden, in staat zou zijn om de hegemonie uit te oefenen in West Europa. Voor velen klinkt dit belachelijk, en toch weet ik niet of het wel zo belachelijk is. Een volk dat tot krachtprestaties in staat is als het Duitse volk voor en na getoond heeft te zijn, laat zich niet op de achtergrond dringen, laat staan dat men het uit de rij der volken zou kunnen schrappen.'

Meertens refereert hier aan de situatie van na de Eerste Wereldoorlog, die hij - zoals veel anderen binnen en buiten De Vonk - als oorzaak zag voor het nationaal-socialisme. Een `tweede Versailles' diende voorkomen te worden en samen met De Vonk keerde hij zich nadrukkelijk tegen het idee dat het gehele Duitse volk moest boeten voor de nazi-misdaden.
    Ook De Vries zal zich in deze tijd op de afloop van de oorlog bezonnen hebben. In september 1944, toen het er naar uitzag dat de geallieerden vanuit het zuiden Nederland zouden bevrijden, vertrok hij met zijn vrouw naar Duitsland. Toen hij zijn bibliotheek (zo'n 8000 boeken) liet nasturen, realiseerde Meertens zich dat zijn vertrek definitief was. Meerdere malen betuigde hij - ook na de bevrijding - zijn spijt over het verlies van zijn voorzitter, die als folklorist `onvervangbaar' zou zijn.

Een terugblik

Nadat Jan de Vries in 1947 in Duitsland was gearresteerd en in 1948 voor het Tribunaal van de Bijzondere Rechtspleging moest verschijnen, werd Meertens gehoord als getuige a décharge.  In zijn verklaring benadrukte hij meerdere malen dat de motieven waarmee De Vries zich aan de zijde van de Duitsers had geschaard `eerlijk en onbaatzuchtig' waren. Zijn getuigenis laat zien dat Meertens politiek en wetenschap als twee gescheiden terreinen beschouwde, waarbij hij van mening was dat de wetenschappelijke geschriften en activiteiten van De Vries onberoerd bleven door zijn politieke standpunten:

`Had hij (De Vries,bh) zich, zoals de meesten onder zijn vakgenoten, tot zijn wetenschappelijke werk bepaald, dan zou hij thans nog de eervolle wetenschappelijke positie innemen, die hij vóór de oorlog innam. In de overtuiging dat de toekomst van Westeuropa, en dus ook van Nederland, in Duitsland lag, heeft hij echter op een tijdstip, toen kleur bekennen voor een man van eer geboden was, aan deze overtuiging uiting gegeven.'
    
De Vries, zo vervolgt Meertens, had zijn standpunten altijd op een `waardige, wetenschappelijke, d.w.z. zakelijke wijze' verdedigd, zonder de door hem gewenste reorganisatie van het dialecten  en volkskundeonderzoek in Nederland tijdens de oorlog door te drijven, of in enig ander opzicht `een ongewenste invloed' uit te oefenen op de werkzaamheden van de Dialecten  en Volkskundecommisie. Bovendien zou hem na de oorlog ter ore zijn gekomen, `dat op cursussen van de S.S. tegen Prof. de Vries en het Amsterdamse Volkskundebureau gewaarschuwd werd, omdat dit niet op nationaal socialistische leest was geschoeid.'
    Daar voegde Meertens nog aan toe dat hij het wellicht aan de voorspraak van De Vries te danken heeft, dat hij zelf, `alhoewel lid van het Comité van Waakzaamheid en ondertekenaar van het in het voorjaar van 1940 verschenen en slechts door weinigen ondertekende felle manifest "Hitler ante portas",' in zijn betrekking gehandhaafd bleef. Met deze uitspraak suggereerde Meertens een continue, klare lijn in zijn eigen anti-nazi opstelling van voor tot na de Duitse bezetting. Alsof hij geen momenten van waardering voor het nazi-regime had gekend, zeker waar het om de steun voor `zijn' Volkskunde- en Dialectenbureau ging in een tijd nadat de Nederlandse autoriteiten hem het werken onmogelijk hadden gemaakt. Toch had Meertens zijn kritiek op het nationaal-socialisme hernomen, tegenover de steeds verdergaande collaboratie van De Vries. Vanuit die positie besloot hij zijn getuigenis met de wens

`dat het bovenstaande in aanmerking zal worden genomen bij de berechting van een man die, nogmaals, in politiek opzicht ernstig gefaald heeft, maar die zich zijn gehele leven lang op onbaatzuchtige wijze in de hoogste mate verdienstelijk heeft gemaakt voor de wetenschap en van wie ik overtuigd ben dat hij zich in al zijn gedragingen, ook al waren deze verkeerd, steeds heeft laten leiden door hetgeen hij als het algemeen belang beschouwde.'

Het is een interessante verklaring, niet alleen omdat die inzicht geeft in de relatie tussen de `foute' De Vries en de `goede' Meertens. De uitspraken van Meertens zijn ook representatief voor veel getuigenissen a décharge in de dossiers van de Bijzondere Rechtspleging, waar het om de berechting van Nederlandse intellectuelen uit nazi kringen gaat. Vaak werd de nadruk erop gelegd dat het om `integere' mannen - het betreft vrijwel uitsluitend mannen - ging, die vanuit een `oprechte overtuiging' en met `de beste bedoelingen' voor `het algemeen belang' (in tegenstelling tot hun `eigen belang') kozen voor het nationaal-socialisme.  
    Intrigerend in Meertens getuigenis is dan ook zijn verwijzing naar `een man van eer', die op een gegeven moment aan zijn overtuiging uiting dient te geven. De bewondering die hieruit spreekt verwijst naar de moeite die Meertens zelf had om tot een eenduidige en principiële stellingname te komen. Meertens' behoefte zich te verplaatsen in de positie van `de ander' zou, behalve door zijn eigen outsider-positie als homoseksueel ook gevoed kunnen zijn door het christelijk gebod '[h]ebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen, en die u vervolgen'.  Met zoveel woorden spreekt deze ambivalente opstelling uit de overwegingen die hij in de gevangenis over zijn eigen lot aan het papier toevertrouwde, als ook over de vervolging van de joden. Hier over schreef hij onder meer op 3 mei 1942 in zijn dagboek: 'Er zijn sinds de bezetting van Nederland weinig dingen voorgevallen die mij zo pijnlijk hebben getroffen als deze vernedering van de ene mens door de andere. Pijnlijk voor de Joden, maar oneindig veel pijnlijker voor de Duitsers.'  Uiteindelijk leidde deze directe confrontatie met de anti-semitische vervolgingspolitiek ertoe dat Meertens stelling nam en zich daadwerkelijk tegen Nazi-Duitsland zou keren.
    Meertens' uitspraken over De Vries laten ook zien hoezeer bij de beoordeling van zijn voormalige superieur, diens politieke keuzes, wetenschappelijke capaciteiten en persoonlijke inzet niet los van elkaar werden gezien. Tegelijkertijd echter wordt duidelijk dat Meertens geen moment stil stond bij de vraag in hoeverre de wetenschappelijke inzichten en ambities van De Vries met betrekking tot de volkskunde hem in het vaarwater van het nationaal-socialisme hadden gebracht. Of andersom: in hoeverre De Vries' politieke overtuigingen zijn interesse voor de volkskunde hebben vergroot. Zou Meertens zich die vraag wel gesteld hebben, dan had hij ook zijn eigen wetenschappelijke uitgangspunten moeten heroverwegen. Hij had zich moeten afvragen hoe dicht hij zelf met zijn inspanningen op het terrein van de volkskunde tegen het nationaal-socialisme had aangeschuurd, en of zijn Volkskundebureau nog wel bestaansrecht had.
    Meertens suggereerde daarentegen een scherp onderscheid tussen een `wetenschappelijke' volkskunde, zoals die op zijn bureau en door De Vries werd gepraktiseerd en die gevrijwaard bleef van politiek-ideologische stellingnames enerzijds, en een volkskunde - zoals die door de Volksche Werkgemeenschap werd beoefend - die op nationaal-socialistische leest was geschoeid anderzijds. De vraag is in hoeverre een dergelijk onderscheid, dat ook binnen de geschiedschrijving van de volkskunde ingang vond, gemaakt kan worden. 
    Er was wel degelijk een wezenlijk verschil tussen de virulent anti-semitische en racistische toon van enkele volkskundigen die zich in de Volksche of Germaanse Werkgemeenschap en rond het blad Hamer hadden verzameld, en de weloverwogen toon van iemand als De Vries. Maar kennelijk leende zijn werk - en daarmee de `top' van de academische volkskunde - zich in deze context bijzonder goed voor de verbreiding van een Groot-Germaans ideaal en het propageren van de radicale vormen van in- en uitsluiting die daarmee gepaard gingen.
    Volkskunde was een nog nauwelijks gevestigde wetenschap, die zich in de speciale aandacht van de nationaal-socialistische bezettingsmacht mocht verheugen.  Zij richtte zich op datgene wat een volk - Nederlands, Groot-Nederlands, Groot-Germaans of Duits - tot één Volk zou maken. Dat De Vries met zijn nationaal-socialistische sympathieën zich op een dergelijk terrein even goed thuis voelde als de christen-socialistisch georiënteerde Meertens, hoeft geen verwondering te wekken. Beiden werden bij hun volkskundige activiteiten genspireerd door een sociaal-politiek streven naar een `nieuwe' orde. Maar waar Meertens, gesteund door zijn christen-socialistische habitus en milieu afstand hield van de Duitse bezettingsmacht, raakte De Vries vanuit zijn antidemocratische en autocratische opstelling steeds meer verbonden met de nationaal-socialistische instituties en cultuurpolitiek.

Wat dit dubbelportret van de volkskundigen Meertens en De Vries dui