Home

P.J. Meertens: een christen op zoek naar gelijkheid in verscheidenheid.

Barbara Henkes

P.J. Meertens heeft postuum landelijke bekendheid verworven als 'meneer Beerta' uit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. Beerta, de baas van Voskuils alter ego Maarten Koning, wordt daarin gekenschetst als een niet onsympathieke, ijdele, en met zijn vale koekjestrommel enigszins klein-burgerlijke man, die gevangen zit in zijn vaste gewoonten en zijn talloze besturen en commissies. Binnen deze netwerken opereert Beerta, in de ogen van Maarten, eerder als een pragmatisch politicus dan als een bevlogen wetenschapper. Een eigen benadering van de volkskunde ontbreekt hem ten enen male en de steun die Beerta geeft aan de vernieuwende voorstellen van zijn naaste medewerker, maakt hij afhankelijk van de geldende machtsverhoudingen. Dat was althans de indruk die bij mij, als enthousiast lezer van het eerste en de daarop volgende delen van Het Bureau, bleef hangen. 
    De beschrijving van de alledaagse gang van zaken op Het Bureau, waar naast volkskunde ook naamkunde en dialectologie worden bestudeerd, biedt een even hilarische als herkenbare (en daarmee ook vertroostende) kijk op de verhoudingen en intriges in een wetenschappelijk instituut of aanverwant witteboorden bedrijf. Binnen dat literair universum was meneer Beerta niet het personage dat mij onmiddellijk aansprak. Ook niet toen ik zelf in 1998 mijn entree maakte op Het-Bureau-nieuwe-stijl om daar de geschiedenis van het volkskundig gedachtengoed te bestuderen. Samen met zijn imposante bureau, dat nu werkloos staat te pronken in een vergaderruimte, had ik Beerta min of meer 'weggezet' als een, wellicht charmante en intelligente, netwerktijger.
    Maar netwerktijger of niet, de geschiedvorsing heeft zo zijn eigen wetten, die onvermijdelijk naar de archieven leiden. Het duurde niet lang of ik leerde A.P. Beerta kennen als P.J. Meertens, wiens particuliere archieven bij de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam berusten. Het beeld van de schrandere netwerker werd spoedig verrijkt door dat van een man, die zijn politiek engagement, zijn christelijke overtuiging, zijn literaire ambities en wetenschappelijke interesse naast en met elkaar vorm gaf. Zijn dagboeken, correspondentie, autobiografische notities, lezingen, recensies en knipsels hielden mij een maandlang gekluisterd aan mijn stoel in De la Fontaine Verweyzaal. 
    In deze bijdrage wil ik mijn beeld presenteren van Piet Meertens (1899-1985), zoals ik dat uit zijn papieren nalatenschap heb gedestilleerd. Ik heb mij daarbij laten leiden door de vraag hoe Meertens vorm gaf aan zijn christelijke levensovertuiging en anderom hoe zijn geloof hem houvast bood bij zijn streven naar een 'nieuwe', gelijkwaardige samenleving ten tijde van het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog.

[K3] Het Koninkrijk Gods is binnen in U


    Op woensdagmorgen 6 September 1899 ben ik te Middelburg geboren in het huis aan de Korendijk no. 59, waar mijn ouders het eerste jaar van hun huwelijk woonden. Mijn moeder heeft mij meermalen verteld, dat er tijdens mijn geboorte een hevig onweer woedde, en de vissen uit het water in de gracht vóór ons huis opsprongen. Ik ben niettegenstaande dit omen geen groot man geworden.

De manier waarop Meertens zelf één van de vele aanzetten tot zijn memoires begint, is niet vrij van ironie; een kenmerk dat overigens ook door Voskuil aan 'meneer Beerta' wordt toegeschreven. Tegelijkertijd verwijst Meertens met deze passage naar de momenten waarop hij zich serieus heeft geïdentificeerd met de 'groten in het rijk van de geest, die hun tijd vooruit zijn' en wier leven 'eenzaam (is) als een bergtop'. 
    Eenzaamheid was Piet Meertens niet vreemd als stotterende oudste zoon van twee ruziënde ouders. In zijn autobiografische notities schetst hij het beeld van een 'krachtige', ambitieuze en feministisch georiënteerde moeder, Adriana Jacoba Mak, die beneden haar stand 'moest' trouwen met de charmante, maar gemakzuchtige en vaak beschonken Karel Meertens.  Geldzorgen moeten herhaaldelijk tot spanningen hebben geleid, want vader Meertens verdiende - als kruidenier en later als directeur van een klein assurantiekantoor  - onvoldoende om het gezin met vier kinderen te onderhouden naar de normen van zijn vrouw. Er werden dan ook kamers verhuurd om de inkomsten te vermeerderen. Men krijgt de indruk dat 'naar buiten veelal "grooter" [moest] worden gedaan dan eigenlijk mogelijk was'. 
    Lezen en denken, zo schrijft Piet Meertens als hij terugblikt, waren een manier om aan de spanningen thuis te ontkomen. Daarnaast bood het huis van zijn grootouders van moeders zijde hem een sfeer van rust en vrede.  Van daaruit maakte hij zijn entree in de Nederlandse Hervormde Gemeente. Hoewel zijn beide ouders onkerkelijk waren, werd Piet op aandringen van zijn grootvader Mak in 1904 gedoopt. Hij bezocht de zondagsschool, las de kinderbijbel en vergezelde zijn grootouders zo nu en dan naar de kerk. Als middelbare scholier kreeg hij de smaak van de kerkgang zo te pakken, dat er geen zondag voorbij ging zonder dat hij de preek in de Oostkerk bijwoonde:

     [D]ikwijls liet ik mijn gedachten de vrije loop, maar ook bij de saaiste preek was de wekelijkse kerkgang een genot voor me, dat zich nauwelijks met een ander liet vergelijken. Ik voelde me in deze kerk één in de geest met de geslachten voor mij, die hier in dezelfde banken hadden geluisterd naar de verkondiging van God's Woord, en tegelijk wist ik dat op ditzelfde uur overal in ons land en ver daarbuiten tallooze scharen samen waren gekomen om God te aanbidden en te verheerlijken. 

Waar Piet Meertens zich thuis niet op z'n plaats voelde, bood de geloofsgemeenschap hem kennelijk een welhaast mystiek gevoel van verbondenheid en continuïteit. Het lot van de mensheid en het geloof in God raakten zo met elkaar verweven.
    Geloof had voor hem niet alleen een mystiek element, maar het kreeg ook een politiek aspect. Op zoek naar een antwoord op de prangende vraag naar het ontstaan van de mens en de aanwezigheid van God ontdekte de jonge Piet in de boekenkast van zijn moeder de vertaling van het boek van Tolstoj, Het Koninkrijk Gods is binnen in u. Na de Russische hongersnood van 1891-1892 schreef Tolstoj dit programma voor een betere wereld, dat in 1893 verscheen en twee jaar later ook in de Nederlandse vertaling beschikbaar was. Volgens Tolstoj konden de misstanden in de samenleving niet bestreden worden door een gewelddadige machtsgreep, maar wel door het raadplegen van het eigen, individuele geweten en een dienovereenkomstig handelen. 
    'Van dat ogenblik af', schrijft Meertens ruim zestig jaar later, 'zie ik de Bergrede als het centrale punt van het Christendom, dat culmineert in het beginsel van de weerloosheid.' Hij besloot dit beginsel na te leven door geen vlees of vis meer te eten. Een omelet of schijngehakt van bonen vormden het alternatief. Binnen het gezin riep zijn vegetarisme geen weerstand op: '[M]en vond het vreemd, maar daar was ook alles mee gezegd.' Hij was dan ook niet erg streng in de leer: 'Ik weet nog dat ik bij mijn grootmoeder reuzelbollen kreeg en dat ik die opat; anders had ik haar moeten teleurstellen.' In Utrecht werd Pet Meertens lid, en weldra bestuurslid van de Vegetariërbond. Dat bleef hij tot aan zijn vertrek naar Amsterdam. De voedselsituatie tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde ertoe dat hij zijn vegetarische principes overboord zou zetten.
    Het beginsel van de weerloosheid keert terug in Meertens herinneringen aan het Dienstweigeringsmanifest van 1915, dat aanleiding gaf tot de kerkelijke veroordeling van predikanten die hun anti-militarisme openlijk beleden. Zijn belangstelling was gewekt en hij verdiepte zich in de brochures van Bart de Ligt, die een geweldloos en lijdelijk verzet predikte.

    De moedige woorden maakten op mij diepe indruk, maar de synode van de Hervormde Kerk veroordeelde ze en een Middelburgse predikant, ds. Jonker, schreef een open brief aan de zoon van zijn collega waarin hij hem trachtte te bekeren van de dwalingen zijnes weegs. Niettegenstaande werd ik een paar jaar later lidmaat van dezelfde kerk.

Een nadere verklaring voor deze paradoxale stap blijft achterwege. Wel zal Meertens meerdere malen en op verschillende plaatsen en tijdstippen benadrukken dat hij over weinig moed beschikt, geen held is en zich het liefst zou willen voegen naar 'de' gemeenschap, of wel naar wat als 'normaal' en vanzelfsprekend wordt ervaren.  Ondanks of juist dankzij dat verlangen om zelf opgenomen te worden in een gemeenschap, lijkt Piet Meertens zich te identificeren met standpunten en groeperingen die juist worden buitengesloten. Herhaaldelijk zou hij zichzelf terugvinden in de gelederen van een minderheid en haar strijd voor erkenning en gelijkgerechtigdheid.
    Meertens' eigen invulling van het christendom bracht hem als vanzelfsprekend bij socialistische uitgangspunten. In zijn terugblik op het uitbreken van de Russische Revolutie in oktober 1917 valt er overigens weinig van zijn beginsel van weerloosheid te bespeuren. Hij herinnert zich een 'intens geluksgevoel' dat hem daarbij beving, omdat 'de broederschap der mensheid, waar alle geslachten van gedroomd hadden' nabij leek te zijn.  Hij was aangeraakt door de 'uitbarsting van radicale vernieuwingsbewegingen, revolutionaire stemmingen en soms messiaanse toekomstverwachtingen' die zich in het kielzog van de Eerste Wereldoorlog in Europa manifesteerden.  Al werd zijn vreugde over deze revolutionaire tijden tegelijk ook weer getemperd door 'iets van spijt dat er nu voor mij niets meer te doen viel, nu in heel Europa het socialisme zou overwinnen'. 
    Hij mocht dan wel geen held zijn, aan heldhaftige ambities ontbrak het hem niet. Met dergelijke verlangens stond hij overigens niet alleen. Er waren meer jongeren die ernaar hunkerden om 'groots en meeslepend' te leven.  Maar in het rechtzinnige Middelburg vernam Piet Meertens slechts 'verontwaardiging over een volk dat in opstand kwam tegen zijn wettige regering', hetgeen nog versterkt werd door het verlies van de investeringen in "Russen", zoals de Russische staatspapieren werden genoemd.  Zijn geestdrift voor de 'nieuwe tijd' kon Piet met niemand delen. 'Ik zou moeten wachten op Utrecht', schrijft Meertens daar zelf over.
    Vanuit deze achtergrond kwam Piet Meertens als negentien-jarige naar Utrecht om te gaan studeren.  Na lang aarzelen tussen theologie en Nederlandse letteren, had hij voor het laatste gekozen. Niet alleen omdat hij stotterde, maar vooral omdat hij ervan uit ging 'dat je als aanstaand predikant een hoogstaand mens moest zijn, en dat was ik niet en ik was bang dat ook nooit te zullen worden'. Later zag hij in dat ook 'een toonbeeld van zonden' predikant kon worden, 'maar' - zo verzekert Meertens zichzelf en de eventuele lezer in zijn terugblik - 'ik heb nooit spijt gehad dat ik het ambt niet gekozen heb.' 
    Toch zou deze ambitie hem niet geheel verlaten. In zijn latere functie zou Meertens zich menigmaal inzetten als 'hoeder' van de volgende generatie (de jeugd) en van de nationale gemeenschap. Gelijk menig predikant in die dagen zag hij het als zijn taak om te proberen 'het volk' in al zijn verscheidenheid en afvalligheid bijeen te brengen en te houden.

[K3] Een ernstig zoeker naar 'Broederschap in Christus'

Hoezeer Piet Meertens later zijn liefde voor Zeeland ook zou belijden, hij voelde zich opgelucht toen hij 'het bekrompen, stijve' Middelburg kon verruilen voor een stad 'van wijder allure', waar hij in contact kwam met gelijkgestemden.  Dat gebeurde in gesprekken met medestudenten, 'maar vooral op politieke bijeenkomsten, die ik om zo te zeggen avond aan avond bezocht'. Daar raakte hij begeesterd door de het optreden van mensen als David Wijnkoop, W. van Ravesteijn, Bart de Ligt, Henriëtte Roland Holst en Clara Wichmann. 

    Zij deden het zaad ontkiemen, dat de lezing van Tolstoj en Gorter reeds in Middelburg in mijn hart had gelegd. Daar leerde ik verstaan wat het begrip gemeenschap inhoudt, daar leerde ik broederschap en solidariteit kennen, daar werden mijn ogen geopend voor het wezen van de kapitalistische staat, daar hoorde ik voorspellen wat destijds geen mens wilde geloven, en wat nu werkelijkheid is geworden.(...) In Utrecht is het bloed sneller door mijn aderen gaan stromen, daar ben ik een ander, een nieuw mens geworden, daar ben ik herboren,' schrijft hij op 17 oktober 1940 in zijn dagboek.

Als Meertens aan zijn studietijd in Utrecht terugdenkt, noemt hij die 'een openbaring'. 'Er ging een wereld voor mij open', benadrukt hij meerdere malen.  Een wereld, die werd onderbouwd door hechte vriendschappen met onder meer de dienstweigeraar Anton Baljet die hem in de lectuur van Karl Marx inwijdde, de student geneeskunde Joesef Bijl met wie hij lange fietstochten maakte en Ulfert Schults, redacteur van De Jongste Dag - het in 1918 nieuw opgerichte 'Maandblad voor de jongeren van Nederland' met veel aandacht voor volksontwikkeling en een 'streven-naar-eenheid' - waarin Meertens enkele van zijn gedichten publiceerde. Met Schults voerde hij 'lange gesprekken over de letterkunde'. 
    Piet Meertens was geen fuifnummer. Hij omschrijft zichzelf als 'stug' tegenover mensen die hij voor het eerst ontmoet en hij lijkt het beste tot zijn recht te komen in gesprekken van man tot man. Die gesprekken droegen ertoe bij dat hij zich in deze jaren zijn homo-erotische gevoelens bewust werd, hoewel hij tijdens zijn leven ook nog wel eens onder de bekoring van vrouwelijke charmes zou raken.
    Zijn christen-socialistische orientatie bracht Meertens in contact met Kees Boeke en diens 'Broederschap in Christus'. 'Nauwelijks was ik in Utrecht, of ik hoorde al studenten over hem spreken, ouderejaars, meest theologen die onder de indruk van zijn woorden waren gekomen.' Piet Meertens raakte in de ban van de 'jongensachtige' man, 'die Christus wilde navolgen' en zich daarbij in sterke mate op de Bergrede baseerde.   Meertens verzuimde geen bijeenkomst waar hij Boeke kon horen, hetzij in het gebouw van de Protestantenbond in Utrecht of in het Gemeenschapshuis in Bilthoven. Daar fietste hij iedere zondagavond naartoe en beleefde er 'uren van religieuse verrukking'.  De Pinksterconferentie van juni 1924 vormde in dat opzicht een hoogtepunt, zoals uit zijn dagboekaantekeningen blijkt:

    De heilige geest is op ons neergedaald en zonder besef van plaats en tijd zijn wij opgegaan in de oneindige ruimte der eeuwigheid. Nooit heb ik zo groot een eenheid beleefd als in deze onze kringen. Hoezeer verscheiden in aanleg en ontwikkeling, in rang en stand, in leeftijd, toch zijn wij allen één in Jezus Christus, de Heiland der Wereld.

Niet lang daarna verzwakte Meertens band met Kees Boekes Broederschap in Christus. Toen Boeke zich na 1925 op de pedagogische praktijk in zijn 'Werkplaats' ging richten, zocht Meertens een christelijk alternatief. Maar de bijeenkomsten van het bijbelse Zendingsgemeenschap waren hem 'te extatisch'. 

Na zijn verhuizing naar Amsterdam in 1931 lijkt zijn zoektocht naar een levensbeschouwelijk dak boven zijn hoofd zich meer op politieke organisaties te richten. Meertens kwam in contact met kritische orthodoxe protestanten als de Friese dichter Fedde Schurer - die als werkloos onderwijzer enige tijd bij hem op zijn bureau te werk werd gesteld  -, dominee Jan Buskes en de schrijver/onderwijzer Henk van Randwijk, 'die socialistisch dachten, maar bezwaar hadden zich aan te sluiten bij de S.D.A.P'.  Rond 1934, toen de economische malaise in Nederland met een stijgende werkloosheid gepaard ging, volgde Meertens hen in de Christelijk-Democratische Unie, waarbinnen zijn christelijke en socialistische ideeën een plaats konden krijgen. 

    Voor mij als lid van de C.D.U. is de crisis die we op 't ogenblik beleven het gevolg van het kapitalistische stelsel, dat sinds de 16de eeuw onze Westerse samenleving beheerst. Ik zie ín dit stelsel geen oplossing voor de crisis en werkloosheid, en geloof dat beide inherent aan het stelsel vast zitten. Dit stelsel nu ligt voor mijn gevoel in het Boze. God wil het niet, maar  duldt het alleen, zoals God alle zonde, in welke vorm zich deze ook openbaart, duldt. De enig mogelijke oplossing van het probleem van crisis en werkloosheid is: het opvolgen van Gods wil, en ik zie deze in het prijs geven van het stelsel onzer samenleving en de vorming van een nieuwe maatschappij, zoals, om het met weinig woorden te zeggen, de CDU zich die voorstelt,' verklaarde Meertens in februari 1936 zijn politieke stellingname.

'Ik geloof', zo schreef hij drie jaar later aan de religieus bevlogen socialist ds. W. Banning over de Christen-Democratische Unie, 'dat deze partij vat kan krijgen op een groot aantal boeren en arbeiders, die nu nog bij de Anti Revolutionairen, of de Christen Historischen zijn en ik geloof dat dit kleine partijtje (dat helaas geen politiek leiders bezit) deze grotere partijen ten goede kan benvloeden.'  Datzelfde lijkt Meertens na te streven met zijn weloverwogen voordrachten voor de NCRV-radio,  en als redactielid van het maandblad voor christendom en cultuur Stemmen des Tijds en van de protestants-christelijke Lectuurgids.

[K3] De eenheid van de Nederlandse stam

Naast zijn sociaal-politiek en religieus engagement toonde Piet Meertens zich in Utrecht een 'zeer begaafd' en 'toegewijd' student, die het studentenleven 'steeds van de ernstigste zijde op(vatte)', volgens zijn leermeester en latere promotor C.G.N. de Vooys.  Meertens beschouwde het als 'een onschatbaar voorrecht' dat hij mocht studeren aan de universiteit.  Kroegjool en dergelijke manifestaties van het studentenleven waren niet aan hem besteed. Hij werd slechts 'studie'lid van het studentencorps, waarmee hij toegang kreeg tot de wetenschappelijke lezingen die door de literaire faculteitsvereniging en andere genootschappen werden georganiseerd. Zo hoorde hij de taalkundige Jac. van Ginniken, de theoloog G. van der Leeuw en de dialectoloog T. Frings al lang voordat hij later in zijn werk met hen te maken kreeg. 
    Meertens volgde onder meer colleges bij de historicus J.H. Kernkamp, de neerlandicus De Vooys en de classicus Jos. Schrijnen. Na zijn candidaats bezocht hij - 'als enige niet-katholiek' - de niet-verplichte avondcolleges van Schrijnen over de cultuurgeschiedenis van het oudste christendom. Meertens brede en onorthodoxe belangstelling voor de cultuurgeschiedenis sneed dwars door alle confessionele grenzen heen. Dat komt ook tot uitdrukking in zijn wens om de Middeleeuwse mystiek bij de Nijmeegse hoogleraar Titus Brandsma te bestuderen. Hij kreeg echter geen toestemming van zijn Utrechtse faculteit, omdat hij voor dat vak bij de Utrechts hoogleraar Oppenheimer terecht zou kunnen. 
    Gedurende zijn studietijd van september 1919 tot mei 1924 was Meertens dagelijks in de bibliotheek te vinden, waar hij zijn 'leeshonger', zoals hij het zelf noemt, stilde. Zorgvuldig werkte hij zijn collegedictaten uit en met een haast dwangmatige precisie noteerde hij welke boeken hij van wie of uit welke bibliotheek had geleend.

Na zijn doctoraal-examen (cum laude) kreeg Meertens eerst een tijdelijke aanstelling als leraar aan de hogere burgerschool (hbs) in Woerden en daarna van januari tot de zomer van 1926 aan het gymnasium in Doetinchem. Getuige zijn dagboekaantekeningen viel het afscheid van een aantal van zijn leerlingen en collega's hem zwaar, maar het classicale onderwijs als zodanig was hem niet aan het hart gebakken.  Zijn eruditie en gave om anderen te stimuleren kwamen beter tot hun recht in de functies die Meertens vanaf 1930 zou vervullen. Voor die tijd had hij nog een betrekking als 'schrijver tweede klasse' bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Na een arbeidsconflict nam hij ontslag, maar nog geen twee weken later kreeg hij - op voorspraak van de hoogleraren Schrijnen en De Vooys - een baan aangeboden als secretaris van de Dialectencommissie bij de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW).
    De keuze voor Meertens was niet zonder redenen. Hij stond bekend als een nauwgezet en hard werker. Bovendien had hij - als bestuurslid van de Zeeuwse Vereeniging voor Dialectonderzoek en als auteur van het Tijdschrift van Taal en Letteren - zijn wetenschappelijke interesse voor de dialectologie getoond.  Voor de honorering was niet veel geld beschikbaar, waardoor academici met gezinsverantwoordelijkheid, zoals de potentiële gegadigde en latere hoogleraar Kloeke, snel afvielen.  Meertens twijfelde geen moment. 'Natuurlijk heb ik het ogenblikkelik aangenomen', schreef hij op 2 juni 1930 in zijn dagboek. 'Een zuiver wetenschappelijke betrekking voor m'n leven lang, geregelde omgang met geleerden uit binnen  en buitenland, een zelfstandige positie, hoe zou ik ooit dit alles kunnen verwerpen?' 
    De functie was nieuw en van Meertens werd verwacht dat hij er - met een minimaal budget - inhoud en vorm aan zou geven. Hij kreeg een kamer in het Amsterdamse Trippenhuis, het onderkomen van de KNAW, en kon van daaruit aan de slag. Ter oriëntatie begon hij met een aantal studiereizen naar België (Gent en Leuven), Duitsland (Bonn, Marburg en Hamburg) en Zwitserland (Bern) om na te gaan hoe het dialectologisch onderzoek in het buitenland werd verricht. De reizen en contacten die Meertens met vakgenoten in het buitenland legde, zouden zijn activiteiten blijvend beïnvloeden.
     Tijdens zijn verblijf in België bemerkte hij hoe dialectologie en volkskunde naadloos op elkaar konden aansluiten, en in Bonn kwam Meertens onder de indruk van de hechte samenwerking tussen het dialect-, het volkskunde- en het naamkundeonderzoek, die weliswaar onder verschillende hoogleraren, maar binnen één gebouw plaats vonden en elkaar over en weer stimuleerden.  Want ook zijn eigen belangstelling bewoog zich op al deze drie terreinen, waarbij de volkskunde in wezen voorop stond.  Zijn voorstel om naast het dialectonderzoek de volkskunde en naamkunde bij zijn werk te betrekken, vond echter niet onmiddellijk bijval.
    In november 1934 werd zijn plan gedeeltelijk gerealiseerd met de installering van de Volkskundecommissie, waar hij ook secretaris van werd. Even zag het er naar uit dat het er onder de voortvarende leiding van voorzitter Jan de Vries tijdens de bezettingsjaren van zou komen, maar uiteindelijk kwam een dergelijk instituut pas na de oorlog tot stand. Met de oprichting van de Centrale Commissie voor Onderzoek naar het Nederlandse Volkseigen in 1948 werd de naamkunde toen ook officieel aan Meertens werkzaamheden toegevoegd.  Wat hem er overigens niet van weerhield om voor die tijd al de nodige gegevens op de beide aanverwante terreinen te verzamelen.

Niet alleen vakinhoudelijk werd Meertens door deze studiereizen beïnvloed, ook de politieke verhoudingen maakten diepe indruk op hem. Zo was hij op 21 oktober 1930 aanwezig bij de opening van de vernederlandste universiteit in Gent. De volgende avond schreef hij in zijn dagboek:

    Het was een ontroerend ogenblik, toen het door duizenden aangeheven gezang van de Vlaamse Leeuw de muziek van de Brabançonne verstikte, en allen in de zaal rechtstonden. Ik herinner me niet, ooit zo te hebben horen zingen, met een zo vlammend enthousiasme, met een zo geweldige vreugde. Er gebeuren grote dingen in Vlaanderen; er leeft hier een volk, dat van slaven tot vrije mensen wordt.

Ruim een maand later ging Meertens een stap verder. Tijdens een wandeling door de stad Leuven deden de 'onbeschrijfelijke' geuren hem aan zijn jeugd in Middelburg denken en raakte hij overtuigd van 'de eenheid van de Nederlandse stam':

    Sterker dan ik het ooit gevoeld heb, voel ik, dat dit volk mijn volk, dat dit land mijn land is. Ik ben hier geen vreemdeling, ik voel me hier thuis; hoe zou ik anders ook zo sterk aan Middelburg kunnen denken? Tot nog toe heb ik me steeds verzet tegen het denkbeeld, hier door velen, vooral onder de studenten, aangehangen, dat Vlaanderen en Holland weer één staat zouden worden, maar nu denk ik : het moet, hoe dan ook. Wat in wezen één is, kan en mag niet gescheiden blijven voortleven, en de eenheid dezer te onzaliger ure gescheiden landen alleen kan de redding van onze kultuur zijn.

Meertens was gewonnen voor de Vlaamse strijd. Zijn Grootnederlandse oriëntatie liet ook zijn werk niet onberoerd, blijkens de hoofdstukken over de zuidelijke Nederlanden die hij en zijn mede-redacteur Anne de Vries in hun bundel De Nederlandse Volkskarakters uit 1938 zouden opnemen.

Na Vlaanderen reisde Meertens door naar Duitsland. Uit zijn dagboekaantekeningen komt naar voren dat de politieke discussies die hij daar voerde zich vooral op het beginsel van de weerloosheid toespitsten.  Het opkomend nationaal-socialisme wordt niet met zoveel woorden genoemd. Dat is anders wanneer Meertens in 1973, tijdens een interview met de taalkundige P.C. Paardekooper, vertelt over de crisissituatie die hij tijdens zijn reis in 1930 aantrof. Toen raakte hij ervan overtuigd, zo stelt Meertens achteraf, dat 'een revolutie' onvermijdelijk was, hetzij onder aanvoering van de communisten, dan wel van de nationaal-socialisten. Vooral in gesprekken met studenten in Marburg leerde hij 'het geweldige gevaar van het nationaal-socialisme' kennen. 'En dat', zo voegt Meertens er in een curieus, maar veelzeggend zinnetje aan toe, 'is voor mij persoonlijk wel een voordeel geweest.'
    De interviewer gaat hier helaas niet nader op in, maar Meertens lijkt te refereren aan zijn tijd- en vakgenoten die, volgens hem veelal met de beste bedoelingen, een keuze voor het nationaal-socialisme hadden gemaakt. Hij zelf keerde zich in een vroeg stadium tegen het nazisme,  wat hem er niet van weerhield om met aanhangers ervan in discussie te treden. Zo vroeg hij zijn vriend Anton Baljet in een brief van 26 juni 1933 of deze aanwezig wilde zijn op een debating-avond over het nationaal-socialisme bij de Amsterdamse hoogleraar wijsbegeerte H.J. Pos. Omdat de meeste aanwezigen, onder wie de latere SS-ers Hans Steinmetz en Bertus Elfering, uitgesproken positief stonden tegenover deze politieke stroming en alleen Piet Meertens en zijn vriend Joesef Bijl enige kritiek zouden ventileren, had Pos aan hem gevraagd om 'een uitgesproken tegenstander op te scharrelen'  Ook tijdens en na afloop van de Duitse bezetting bleef Meertens in gesprek met vrienden, bekenden en onbekenden die voor het nationaal-socialisme hadden gekozen.

Meertens ontwikkelde zich in en buiten zijn werk steeds nadrukkelijker als een 'insluiter': voor hem stond het gezamenlijke, datgene wat mensen als gelijkwaardige schepselen Gods verbond, voorop. Hij was iemand die in persoonlijke gesprekken wilde nagaan wat hem met de ander verenigde en hoe de eventuele scheidslijnen overbrugd konden worden. Zijn verlangen naar saamhorigheid en broederschap en zijn loyaliteit met 'de zwakkeren' werden gevoed en kwamen tot uitdrukking in zijn christelijke en socialistische oriëntatie. Ook zijn sympathie voor de Vlaamse strijd en de Grootnederlandse gedachte kan hierop teruggevoerd worden.
    In zijn benadering van de dialectologie en de volkskunde valt dit streven naar 'eenheid in verscheidenheid' eveneens te herkennen. Zo benadrukte Meertens in een radiolezing van 9 januari 1939 over de werkwijze van de dialectencommissie, dat het Algemeen Beschaafd Nederlands een ándere functie heeft dan het dialect, maar zeker niet méér zou zijn. De studie van dialecten zou 'het grote verband tonen, dat er bestaat tussen de talen en dus de volken der aarde'.  Ook de zowel unificerende als meervoudige titel van de eerder genoemde bundel De Nederlandse Volkskarakters uit 1938 spreekt boekdelen. De bijdragen van de auteurs over de inwoners van verschillende streken en gewesten van de Lage Landen worden aangevuld door aparte hoofdstukken over de inwoners van een zevental grote steden. Daarnaast is er een hoofdstuk over 'De Nederlandse Joden' in opgenomen. Op deze manier wordt het joodse volkskarakter als apart maar geïntegreerd deel van de Nederlandse volkskarakters gepresenteerd, zoals ook de scheidslijn tussen stad en land in deze bundel wordt overbrugd. Voor Meertens stond vast dat de stad het landelijk element - 'dat werkt als een zuurdesem'- hard nodig heeft, terwijl het land niet zonder de stad kan 'omdat de sociale bewegingen die de mensheid verder brengen nu eenmaal uitgaan van de steden'.
    Ondanks zijn kritische houding ten aanzien van het nationaal-socialisme stond Meertens - met deze principieel insluitende visie op de mensheid om hem heen - onvoorbereid tegenover het moment waarop het nazisme als een scheermes door de Nederlandse samenleving zou snijden.

[K3] Hebt Uw vijanden lief

Op 10 mei 1940 noteert Meertens in zijn dagboek:

    Oorlog met Duitschland, dus toch. Ik heb deze mogelijkheid eigenlijk nooit willen geloven, deze afschuwelijkheid. En nu is het werkelijkheid geworden.
    Mijn arm land, mijn arm volk. Maar ook: ongelukkig Duitsland, dat tot deze dingen zijn toevlucht moet nemen.

Hoezeer de beleving van Meertens geënt is op het christendom. blijkt wel wanneer hij in deze crisissituatie direct teruggrijpt op het leidend principe van de Bergrede: 'Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen' (Math. 5:44). Naast barmhartigheid - of anders gezegd, een radicale vergevingsgezindheid - spreekt er ook een zekere tweeslachtigheid uit deze woorden.  Die ambiguïteit zou de reactie van Meertens op de Duitse bezetters blijven kenmerken. Hij hoefde zich niet te forceren om zijn vijanden lief te hebben. Door de Duitse literatuur en tijdens zijn reizen door Duitsland had hij een gevoel van innige verwantschap met en diepe bewondering voor 'het volk van dichters en denkers' ontwikkeld.  Dat maakte hem echter niet blind voor wat er gaande was. Naar aanleiding van de rede van Seyss-Inquart ter gelegenheid van zijn installatie in mei 1940 noteert Meertens in zijn dagboek:

    Seyss Inquart heeft vanmiddag zijn ambt als rijkscommissaris aanvaard met een oppervlakkig beschouwd welwillende rede, die voor een goed verstaander echter de voorbode zal blijken te zijn van veel ellende en narigheid, van armoede en ontbering voor ons volk.

Gedurende de jaren tussen mei 1940-1945 worden Meertens
dagboekaantekeningen gekenmerkt door een verwoede poging steeds opnieuw zijn positie te bepalen in het politieke en emotionele krachtenveld dat Nederland uiteen scheurt. Dat werd nog gecompliceerd door de interesse die de Duitse autoriteiten voor de werkzaamheden van de Dialect- en Volkskundecommissie aan de dag legden; een interesse die door hen ook in klinkende munt werd omgezet.  Daarmee leken Meertens inspanningen voor het behoud en de verdieping van de Nederlandse volkscultuur uit onverwachte hoek erkend en beloond te worden; niet de Nederlandse overheid maar de Duitse bezettingsmacht bood de middelen om nu eindelijk een stevig aan de slag te gaan. Voor Meertens was dit eens te meer een blijk van geest- en bloedverwantschap tussen de beide volken. Daar stonden echter andere maatregelen tegenover die een toenadering onmogelijk maakten:

    Het is een afschuwelijke gedachte, dat het volk waarmee wij Nederlanders meer dan met enige andere natie naar de geest en naar het bloed verwant zijn, bezig is om zich dermate gehaat onder ons te maken, dat de politieke en kulturele samenwerking, waarnaar ik en velen met mij jarenlang gestreefd hebben, verder dan ooit schijnt te zijn en kans loopt, gedurende lange jaren onverwezenlijkt te blijven.

Aldus Meertens op 24 juli 1940 in zijn dagboek. Toch bleef hij op zoek naar een verzoenende weg tussen de strijdende partijen, zoals ook blijkt uit zijn bespiegelingen naar aanleiding van een ontmoeting met zijn Duitse vriend en collega Fritz Erfuhrt, die in Vlaanderen 'zijn kulturele arbeid' verrichtte. Meertens was blij hem gezond en ongedeerd te zien, 'maar toch deed deze ontmoeting me ook pijn'. Erfuhrt was de eerste van zijn Duitse vrienden, die hij sinds de Duitse inval zag:

    [E]n nooit daarvoor was het me zo duidelijk geworden, dat we nu tegenover elkaar zijn komen te staan, wij die naast elkaar moesten staan. Een historische noodzaak, zegt hij; de tijd zal het leren. Op een afstand in de tijd kan men het zo zien, maar op die afstand kan ik me nog niet stellen. Ik voel dat ik lang met hem zou moeten spreken om tot klaarheid te komen, en dat een lang gesprek de klaarheid en daardoor de bevrijding zou brengen. Maar daartoe was geen gelegenheid en hij is weggegaan met stellig hetzelfde misverstand, dat nu bij mij is aangaande zijn gezindheid. Misverstand   is dat tenslotte niet al wat ons van elkaar gescheiden houdt, volk van volk en mens van mens? 

Meertens bleef tijdens de bezettingsjaren en in de gepolariseerde verhoudingen daarna, consequent op zoek naar contact met 'de ander' - zeker waar het Duitse 'vijanden' of Nederlandse 'collaborateurs' uit zijn vooroorlogse vriendenkring betrof.
    Uit zijn woorden spreekt echter nog een ander element dat een belangrijke plaats inneemt in Meertens belevingswereld. Met zijn referentie aan een 'historische noodzaak' verwees hij eens te meer naar zijn hoop op een nieuwe wereld - 'het nieuwe Jerusalem' - die op de ruïnes van het oorlogsgeweld tot bloei zou komen.

    We spraken over de oorlog en de mogelijkheden, die deze in zich bergt, en over de nieuwe wereld die uit deze chaos   misschien   zal oprijzen. Het was een avond van geluk zoals wij kennen die weten te bouwen aan een toekomst, in de onwrikbare zekerheid dat tenslotte alle dingen zich ten goede zullen keren.

Deze overweging vertrouwde Meertens op 3 oktober 1939 aan zijn dagboek toe.  Ook na mei 1940 keerde 'het nieuwe Jerusalem' terug in zijn beschouwingen. Zo schreef Meertens in december 1941 aan Banning naar aanleiding van diens in oktober 1940 voor het eerst verschenen en nadien meerdere malen herdrukte Geloofsstrijd. Godsdienstige houding in deze tijd: 'Deze tijd van bezinning en inkeer tot ons zelf (ook als volk) is moeilijk, maar ik ben er met U van overtuigd, dat wij een tijd van loutering doormaken die uiteindelijk alleen maar winst kan betekenen.'

[K3] Lijden als leerschool

Meertens voelde zich kennelijk gesterkt door de idee van loutering en katharsis. Ook het devies van Nietzsche dat zijn ex-libris sierde, duidt in die richting: 'Alles was mich nicht umbringt macht mich stärker'.  Dat gold niet alleen voor de crisissituatie waarin het Nederlandse volk zich bevond, maar ook voor de klap die hem kort na de Duitse inval persoonlijk trof.
    Op 13 september 1940 werd Meertens gearresteerd. Niet vanwege zijn anti-nationaalsocialistische standpunten, die wel bekend waren maar niet gepaard gingen met uitgesproken vormen van verzet. Hij werd daarentegen opgepakt en veroordeeld op grond van vermeende homoseksuele contacten met twee jonge(re) mannen in de periode 1933-1939.  Voor Meertens, overtuigd van zijn eigen onschuld, zette deze gebeurtenis de wereld op zijn kop:

    Ik was bij de huiszoeking (op het bureau en vervolgens in mijn huis) wild van woede en verontwaardiging, maar vooral van schaamte, over het droevige feit dat in ons land zulke dingen mogelijk zijn en juist nu, nu het de plicht van iedere Nederlander moet zijn om de eer van ons volk hoog te houden. Terwijl ons land bezet is door een vreemde mogendheid en onze nationale zelfstandigheid op het spel staat, komt de Nederlandse justitie huiszoeking doen naar pornografische foto's op een bureau, waar sinds jaar en dag gewerkt wordt aan de verheffing van het nationale bewustzijn van ons volk.

De heftige woordenstroom waarmee hij vanuit zijn cel verslag doet van zijn arrestatie gaat nog enkele bladzijden door. Meertens presenteert zich daarin als degeen die 'onafgebroken in de weer [is] geweest om te werken voor de vrijmaking van ons volk'. Uitgerekend dit volk van wie hij zo 'hartstochtelijk houdt' - en niet de Duitse Gestapo - keert zich nu tegen hem.
    Na de eerste wanhoop en verbijstering hernam Meertens zichzelf. Zijn christelijke levensovertuiging bood hem een referentiekader, waarmee hij het onheil dat over hem persoonlijk was afgeroepen, een plaats kon geven. 'Ik heb nu, eindelijk, wel heel duidelijk verstaan dat God met mij een bijzondere weg wil begaan, een weg van leed en beproeving,' noteert hij op 29 september 1940.  Enkele dagen later komt hij daarop terug:

    Het lijden is de leerschool van het leven. Ik heb die kalenderspreuk misschien al heel dikwijls gelezen, maar nog nooit is ze zo tot mij doorgedrongen als in deze dagen. God beproeft onze zielen door het lijden, want leed verbittert de zwakken en maakt de slechten nog slechter, maar het sterkt de sterken en maakt de goeden nog volkomener. Het is een vuur dat verteert of loutert, al naar de aard van het metaal dat er in wordt gelegd. Ik zal [me er] in de jaren, die mij nog resten, moeten tonen tot welk van beide categorieën ik behoor, de zwakken of de sterken.

In dezelfde tijd merkt hij op dat 'het lijden [nooit] zinloos [is], hoeveel moeite het ons ook mag kosten, den zin ervan te verstaan. Deze goddelijke wetenschap verzoent mij met het schijnbaar zinlooze, dat ik op het oogenblik onderga.'  Meertens ziet zichzelf in de loop van zijn gevangenschap beurtelings als uitverkorene en slachtoffer, die moet boeten voor de mensheid. Hoewel hij bij tijd en wijle nog in woede ontsteekt over de Nederlandse justitie die hem 'uit de gemeenschap heeft verwijderd en tot werkloosheid gedoemd',  verzoent hij zich met zijn lot en gebruikt hij zijn tijd voor bezinning.
    Talloos zijn zijn beschouwingen over de relatie tussen individu en gemeenschap, met name over 'de vraag naar de schuld van het individu ten opzichte van de gemeenschap en van de gemeenschap ten opzichte van het individu', en in het verlengde daarvan de vraag 'naar de boete waarmee individuen en gemeenschap beide hun schuld lossen'.

    Niets heeft mij zoozeer verbijsterd als dit, en niets is zoozeer tot mij doorgedrongen in deze dagen, in al zijn realiteit, als dat de maatschappij degenen die tegen de gemeenschap hebben gezondigd, tot straf van die gemeenschap uitsluit, in plaats van hen   wat men had mogen verwachten   te leren weer gemeenschapsmensch te worden.

Zijn gevangenschap sterkte Meertens - die sinds 1934 als celbezoeker en toezichthouder actief was voor het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen  - in zijn opvatting dat er geen 'slechte' mensen of volkeren zijn, maar dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin individuen, groepen of gezagdragers tot verkeerde stellingnames of foute daden komen. Dat gold wat hem betreft ook voor de Duitsers:

    Ik zie de bezetter niet in de eerste plaats als vijanden, zoals ons volk vrijwel in zijn geheel doet; daarvoor ben ik mij te zeer bewust van de lotsverbondenheid die het Duitse en het Nederlandse volk verbindt. Het is allerongelukkigst dat de Duitsers de 10de mei 1940 ons land moesten binnenvallen, en het was oneindig beter geweest als wij in 1920 de helpende hand aan Duitsland hadden uitgestoken, toen het lag te zieltogen. In plaats daarvan hebben we meegeholpen om het leeg te plunderen. Die verzuimde hand kunnen we niet meer herstellen; de geschiedenis heeft zich anders ontwikkeld dan wij verwacht hadden. De vraag van het ogenblik is: hoe moeten we redden van onze kultuur, wat nog het redden waard is? 

Deze overweging vertrouwde Meertens op 12 februari 1942 aan zijn dagboek toe, daags na de installatie van de Nederlandse Kultuurraad door rijkscommissaris Seyss-Inquart. Over diens 'uitvoerige rede' - waarin de rijkscommissaris ruim drie kwartier lang de tijd nam om over het belang van de kultuur voor de gemeenschap te spreken  - schrijft Meertens 'dat men daar weinig anders tegenin kan brengen dan dat déze man het zegt op dít ogenblik. Had een Nederlander het voor de 10de Mei uitgesproken, dan had dit woord in brede kringen bijval gevonden'.
    De woorden van Seyss-Inquart getuigden inderdaad in ruime mate van het doel om 'de kultuurscheppende en kultuurdragende mensch, uit zijn vereenzaaming bevrijd, weer aan de gemeenschap van zijn volk te binden'.  Een doel dat naadloos aansloot bij Meertens streven en recente ervaringen. Maar daarnaast verzuimde de nazi-autoriteit niet de 'uitschakeling van het jodendom uit het Nederlandse kultuurleven' te bepleiten.  Had Meertens selectief geluisterd of verkoos hij de houding van het gros van de Nederlandse bevolking dat toen nog dacht dat het zo'n vaart niet zou lopen? Zijn commentaar tekent in ieder geval de meegaande houding waarmee Meertens het nationaal-socialistische regime in het jaar na zijn vrijlating uit de gevangenis tegemoet lijkt te treden.
    Op verzoek van de voorzitter van de Volkskundecommissie, de nationaal-socialistische Jan de Vries, toonde Meertens zich in het voorjaar van 1941 bereid manuscripten van dialect- en streekromans op hun kwaliteit te beoordelen en 'vooral ook te wijzen op bepaalde passages (b.v. over Duitsland, de Joden, communisten enz.) die de Duitsers zouden aangrijpen om geen papier te geven'.  Vanaf dat moment behoorde hij, samen met De Vries, tot de lezers van het Lectoraat, een censurerende instantie van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Zelf stelt Meertens achteraf dat het nimmer tot hem was doorgedrongen dat hij op deze manier 'was ingelijfd in het Lectoraat'.  Hoe het ook zij: het was een opmerkelijke stap die hem in 1941 op een hellend vlak bracht richting collaboratie met de Duitse bezettingsmacht.

[K3] Jodenvervolgingen

Meertens houding zal mede gevoed zijn door zijn sterke loyaliteitsgevoelens ten aanzien van Jan de Vries. Deze had zich tijdens Meertens gevangenschap en na diens vrijlating vierkant achter zijn secretaris gesteld. Terwijl er vanuit de Academie werd getwijfeld of Meertens na zijn veroordeling wel gehandhaafd kon blijven, deed De Vries er alles aan om zijn secretaris terug te krijgen op zijn post. Met succes. De Vries, bewust van Meertens kennis en kwaliteiten op het terrein van de volkskunde dat onder het nazi-regime zo sterk de wind in de zeilen kreeg, kon en wilde zijn secretaris niet missen. Het feit dat zij beiden verschillende posities innamen ten aanzien van het nationaal-socialisme deed daar voor hem kennelijk niets aan af. 
    Op zijn beurt koesterde Meertens grote bewondering voor De Vries' kennis, visie en daadkracht.  De oude wens van Meertens om, naar Duits voorbeeld, het onderzoek naar de volkskunde, dialectologie en naamkunde binnen één instelling te combineren, paste perfect binnen de plannen voor een overkoepelend instituut die zijn voorzitter De Vries daarover ontwikkelde. Vanaf 1929, en het meest uitgewerkt in zijn afsluitend hoofdstuk van Volk van Nederland uit 1937,  had De Vries zijn voorstellen voor de oprichting van een centraal instituut voor antropologie, archeologie, plaatsnaamkunde, dialectologie en folklore geformuleerd. De nationaal-socialische autoriteiten, met hun sterke cultuur-politieke behoefte aan bewijsmateriaal voor de gezamenlijke afstamming van het Nederlandse en Duitse volk, steunden het voorstel van de pro-Duitse De Vries.  Aanvankelijk ging Meertens daarin mee.
    Daarbij kwam dat Meertens en De Vries beiden overtuigd waren van de verwantschap tussen het Nederlandse, Vlaamse en Duitse volk. Cultuurgrenzen overstegen de staatsgrenzen en 'voorzoover het verschillende staatsverband een volkomen eenheid van het onderzoek in de weg staat, moet er naar worden gestreefd, dat toch in Vlaanderen, zoowel als in Nederland, het onderzoek op gelijksoortige wijze ingericht wordt,' schreef Jan de Vries in 1937 toen hij zich - evenals Meertens - sterk maakte voor de groot-Nederlandse gedachte.  Na de Duitse inval bleken geen van beiden ongevoelig voor de culturele aspecten van het groot-Germaans gedachtegoed.
    Toch was het niet zonder aarzeling dat Meertens in februari 1942 besloot aanwezig te zijn bij de installatie van de Kultuurraad, waar zijn voorzitter zitting in zou nemen. 'Ik heb er lang over nagedacht, of ik dit mocht doen en ik heb tenslotte besloten erheen te gaan.'  Nog toonde Meertens zich welwillend. Maar binnen enkele maanden zou zijn opstelling ten aanzien van de Duitse bezettingsmacht verschuiven, toen de jodenvervolging zich onmiskenbaar voor de deur van het Trippenhuis en onder zijn ogen begon af te spelen.

    De Joden lopen nu met een gele ster, waarin met Hebreeuwse lettertypen het woord Jood staat geschreven. Opnieuw vervolgd, opniew gesmaad, opnieuw getekend. Er zijn sinds de bezetting van Nederland weinig dingen voorgevallen die mij zo pijnlijk hebben getroffen als deze vernedering van de ene mens door de andere. Pijnlijk voor de Joden, maar oneindig veel pijnlijker voor de Duitsers. Ik houd ondanks alles van het Duitse volk, het is immers meer dan enig ander ons broedervolk, en ik wens niets vuriger dan dat het Nederlandse volk in lotsgemeenschap samen optrekt met het Duitse, het volk van dichters en denkers, waarvoor ik een grote toekomst zie weggelegd. Te meer betreur ik het daarom, dat van dit volk maatregelen uitgaan, die met zijn waardigheid in strijd zijn, die een belediging inhouden van de Germaanse eer. Ik weet dat in Duitsland talloos velen er over denken als ik, en dat geeft me hoop dat men spoedig van deze terreur zal terugkeren. Vernedering van een medeschepsel is onder geen enkele omstandigheid te rechtvaardigen; onder alle omstandigheden beledigt zij meer degene die haar oplegt, dan die haar ondergaat.

Meertens laat zich hier opnieuw kennen als een christelijk humanist, die iedere vorm van uitsluiting veroordeelt, maar tegelijkertijd vasthoudt aan de overtuiging dat 'het kwaad' zichzelf zal straffen.
    Toch brachten de anti-joodse maatregelen - waarbij ook zijn tweeenzeventig-jarige vriendin Branco van Danzig 'als een misdadiger uit haar huis wordt gehaald en gevangen wordt gezet'  - hem uiteindelijk tot een scherpe veroordeling van het nazi-regime. Dat ging onder meer gepaard met een toenemende distantie ten aanzien van De Vries en diens plannen voor een Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkscultuur. Wat overigens niet wegnam dat hij zijn voorzitter nog altijd voor 'een eerlijk man' hield, die 'het welzijn beoogt van onze nationale kultuur'. Maar waar De Vries de Duitsers als 'vrienden en bondgenoten' beschouwde, zag Meertens ze   'althans voor zover ze nationaal socialist zijn'   als vijanden.  
    Deze, voor Meertens forse stellingname weerhield hem er niet van contact te houden met vrienden en kennissen die tot het nationaal-socialisme waren overgaan. 'Velen hebben me dat voor en na verweten, maar ze hebben me niet kunnen overtuigen dat ik, zodoende, verkeerd handelde,' schrijft hij op 18 augustus 1943 in zijn dagboek.  Onder die 'velen' zullen wellicht ook mensen zijn geweest van de socialistische verzetsgroep rond het blad De Vonk, waarbinnen Meertens actief werd.  Ook hield Meertens vast aan zijn liefde voor de Duitse kultuur en het Duitse volk. Dat bracht hem ertoe om tijdens de bezetting en na de bevrijding - tegen de communis opinio in - een scherp onderscheid te maken tussen nazis en Duitsers.
    Ondanks, of juist gesterkt door zijn persoonlijke gevangeniservaring en zijn ervaringen tijdens de bezetting bleef Meertens ook na de oorlogsjaren een 'insluiter'. Hij bleef zoeken naar de overeenkomsten, die verschillende individuen en groepen in de Nederlandse samenleving en verschillende volken binnen een Europese gemeenschap konden samenbinden.  Vanuit die visie continueerde hij zijn werk op het terrein van de volkskunde, het dialectonderzoek en de naamkunde - vanaf 1948 als directeur van de Centrale Commissie voor onderzoek naar het Nederlandse Volkseigen - en ontplooide hij nieuwe activiteiten daarbuiten. Als 'doorbraak' socialist, als oecumenisch christen, of als Derde Weg-er tijdens de Koude Oorlog wist hij steeds opnieuw zijn religieus, politiek en sociaal-cultureel engagement op een grensoverschrijdende manier te verenigen.

[K3] Tot besluit
   
Het beeld van Meertens, zoals ik dat uit zijn persoonlijke geschriften (re)construeerde, toont een man, die zich nooit op één positie wilde vastleggen. Hij was steeds weer bereid de uiteenlopende posities in het politieke, sociaal-culturele en wetenschappelijke debat serieus te nemen. Mede geïnspireerd door zijn interpretatie van een alles-en-iedereen omvattend christendom bleef hij de dialoog voeren en zocht hij steeds opnieuw naar wegen om in gesprek te blijven met anders-denkenden. Dat gold al helemaal voor situaties waarin bepaalde individuen of groepen in zijn ogen onderdrukt, geïsoleerd of gestigmatiseerd dreigden te raken. In die zin overbrugde Meertens een aantal van de in zijn tijd gangbare tegenstellingen, zoals tussen christenen en socialisten, tussen joden en niet-joden, tussen homo's en hetero's, tussen stad en land, en niet in de laatste plaats tussen Duits en Nederlands.
    'Eenheid in verscheidenheid' was zijn devies. Daarmee sloot hij aan bij de 'eenheidsbeweging' die in deze jaren mensen van zeer uiteenlopende politieke richtingen omvatte.  Meertens gaf daar echter zijn eigen invulling aan op het snijvlak van christendom en socialisme. Voor hem betekende eenheid in verscheidenheid de onderkenning van het belang van verschillen: verschil zou niet zozeer moeten verdwijnen, maar het moest deel uitmaken van noties van gelijkheid. Een dergelijke benadering van verschil is niet hiërarchisch. Het gaat uit van een a priori respect voor de positie van de ander, en dat betreft ook de onderkenning van verschil in sociale, economische en cultuur-politieke macht.
    Gevoed door zijn onstilbare leeshonger, zijn protestantse achtergrond en wellicht ook zijn taalkundige belangstelling geloofde Meertens heilig in de macht van het woord: een goed en diepgaand gesprek zou de 'ander', de tegenstander, tot menselijke proporties kunnen terugbrengen. Praten of schrijven met elkaar was een voorwaarde voor wederzijds begrip en humane omgangsvormen, waar het Meertens uiteindelijk om te doen was. Vanuit die overtuiging was Meertens ook eerder een volger dan een voorganger; eerder een man op de achtergrond die bereid was te luisteren dan een man op de voorgrond die zijn stem graag liet horen. Of om het in zijn eigen woorden te zeggen:
   
    Ik geloof dat we nergens zo bang voor moeten zijn als  voor "zekerheden". De grootste opfrissers die ik in m'n leven heb gekregen, waren juist het wegvallen van "zekerheden", hoe pijnlijk dat dikwijls ook was. Ik weet wel dat dit kan leiden tot een onvruchtbaar relativisme, en vrienden verwijten me dan ook wel eens, dat ik alles relatief stel, maar ik geloof dat ik door deze stelregel met mate (...) toe te passen toch verder kom dan door een star vasthouden aan al of niet gewaande zekerheden.

In zijn leven en werk toonde Meertens zich een post-modernist avant-la-lettre, wanneer hij erkent dat de wereld vanuit iedere positie anders gezien wordt en dat kennis die zich baseert op slechts één positie dus 'onaf' is. Zijn relativistische standpunt weerhield hem er overigens niet van om op bepaalde momenten duidelijk stelling te nemen.

Eenmaal tot deze conclusie gekomen, besloot ik het beeld dat Voskuil van meneer Beerta schetst er weer bij te halen. Pas na herlezing van 'Meneer Beerta' kreeg ik oog voor een passage, waarin Maarten Koning zijn eigen beeldvorming over zijn baas Beerta herziet ter gelegenheid van diens pensionering:

    Toen ik zeven jaar geleden hier kwam werken, had ik van dat karakter een heel andere, veel minder genuanceerde indruk dan ik nu heb, en als u nog zeven jaar zou zijn gebleven, was die indruk ongetwijfeld nog weer anders geweest, want van alle mensen die ik ken, lijkt u nog het meest op een toverdoos. (...) Hoewel het alweer enige tijd geleden is, geloof ik dat ik u vooral zag als een cynicus, een speler, iemand die de hele wereld en ook de wetenschap aan zijn laars lapt en lak heeft aan wat anderen daarvan denken. Nu ik u beter heb leren kennen, weet ik dat niets minder waar is, dat u het leven integendeel heel ernstig neemt, zo ernstig dat u terugschrikt voor de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt en het liefst blijft twijfelen nadat anderen hun conclusies al getrokken hebben. Ik geef daarvan drie voorbeelden, één op het terrein van het geloof, één op dat van de politiek, één op dat van de wetenschap. Wat het geloof betreft: u maakt er geen geheim van dat u lidmaat bent van de Nederlands Hervormde kerk, maar wie u enigszins kent weet dat uw hart uitgaat naar de Zwijndrechtse Nieuwlichters. Het is een publiek geheim dat u lid bent van de Partij van de Arbeid, maar u stemt PSP, zoals u mij wel eens hebt toevertrouwd, en in de wetenschap tenslotte hebt u zich sterk gemaakt voor een onderwerp, de volkscultuur, dat voordien verdacht was of op zijn minst niet serieus werd genomen. Kort samengevat: u bent een trouw kerkganger, maar als u eenmaal binnen bent kiest u een plaats, niet in het schip, maar links van het midden. U hoort erbij, maar u bent er ook tegen. Kortom: u bent ongrijpbaar.'

'Ongrijpbaar' noemt Voskuil 'zijn' meneer Beerta. Dat zegt wellicht meer over de behoefte van Maarten Koning om iemand in een vaste positie te plaatsen, dan over Piet Meertens die je met evenveel reden 'speels' en verrassend zou kunnen noemen. In die zin geef ik de voorkeur aan zijn eerdergenoemde typering: een toverdoos. In dat beeld zit ook iets van de mystiek en de religieuze verwondering die Meertens visie op de wereld doortrok.