De oudste Nederlandse mop gaat over een schele heilige

 

Ter gelegenheid van de Wereldverteldag maakt het Meertens Instituut bekend dat de oudste Nederlandse mop over de Limburgse heilige Sint Servaas gaat. De mop is ruim 800 jaar geleden opgetekend door de schrijver Hendrik van Veldeke. De mop zal vandaag op de Wereldverteldag worden verteld door alle vertellers in het land. De mop is vanaf vandaag ook te vinden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Documentatie- en OnderzoeksCentrum Volksverhaal van het Meertens Instituut: www.verhalenbank.nl

De oudste mop ter wereld was al langer bekend. Die mop is een kleine 4000 jaar oud en is gevonden bij de Sumeri‘rs. Het werd wereldnieuws toen bleek dat de mop over een scheet ging. De mop luidde vrij vertaald: ÒWat is er sinds mensenheugenis nog nooit gebeurd: dat een jonge vrouw een scheet liet op de schoot van haar manÓ.

Theo Meder van het Meertens Instituut: ÒZeggen dat deze mop over een scheet gaat, is een beetje oppervlakkig. De mop heeft een seksuele boodschap: de jonge vrouw denkt op de schoot van haar man wel aan andere dingen en vice versa. Zoals heel veel moppen gaat ook deze uiteindelijk over de seksuele aantrekkingskracht tussen man en vrouw. De mop gaat in essentie nog eerder over een ÔlapdanceÕ dan over een wind.Ó

De oudste Egyptische en de oudste Britse mop vallen ook in de categorie erotiek. De Egyptische mop is zoÕn 3600 jaar oud en is een raadsel: ÒHoe vermaak je een verveelde farao? Laat een boot vol jonge naakte meiden in visnetten voorbij varen en vraag hem om te gaan vissen.Ó De oudste Britse mop is ongeveer 1000 jaar oud en is ook al een raadsel: ÒWat hangt er langs het dijbeen van een man dat voortdurend in een gat gestoken wil worden? Een sleutel.Ó

Bij het DOC Volksverhaal van het Meertens Instituut is vastgesteld dat de oudste Nederlandse mop te vinden is in de Servaaslegende van Hendrik van Veldeke, geschreven rond 1180. Het verschil met de andere oudste moppen is dat dit verhaal een uitgewerkte plot heeft. Bovendien gaat deze mop niet over seks, maar over een lichamelijk gebrek en over macht. Kort samengevat verloopt de mop aldus: de keizer geeft aan enkele goudsmeden de opdracht om een gouden borstbeeld van de inmiddels overleden Sint Servaas te maken. Als het beeld nagenoeg voltooid is, merkt men dat het scheel kijkt. Men probeert er van alles aan te doen, maar het beeld blijft scheel kijken. De keizer vindt dat zoÕn belediging voor de heilige, dat hij de goudsmeden in de gevangenis laat smijten. Dan grijpt de heilige in: in een droom verschijnt hij aan de keizer en laat hem eens goed in de poppetjes van zijn ogen kijken. De keizer laat de goudsmeden hierop snel weer vrij, want Servaas bleek tijdens zijn leven net zo scheel te zijn geweest als het beeld.

Het originele loensende beeld van Servaas is verloren gegaan, maar een vergelijkbaar borstbeeld wordt bewaard in de Sint-Servaasbasiliek te Maastricht. Het schele beeld heeft dus echt bestaan, maar de rest van de anecdote is er later bij verzonnen.

Op de Wereldverteldag vertellen vandaag in het hele land vertellers hun verhalen; het jaarlijks terugkerende evenement is een initiatief van de Stichting Vertelcultuur. Dit jaar is de sponsor het Prins Bernhard Cultuurfonds.

 

 

Links

www.wereldverteldag.nl

www.vertelcultuur.nl

www.docvolksverhaal.nl

www.verhalenbank.nl

www.meertens.knaw.nl

 

 

De oudste Nederlandse mop

 

De volledige tekst in vertaling:

 

Nu kunt u nog een mooi verhaal horen! De keizer liet zeer kundige goudsmeden ontbieden. Hij groette hen vriendelijk en nam ze aan zijn hof op; hij vertelde hun dat hij een gouden borstbeeld wilde laten maken.

ÒMoge God me dit toestaan, want ik begeer niets anders!Ó

De goudsmeden antwoordden dat ze de opdracht met liefde aannamen, mits Gods Zoon en de goede Sint Servaas hun dit vergunden. Omdat de keizer het graag wilde, kwamen ze aan zijn wensen tegemoet. Het goud werd afgewogen en de mannen togen aan het werk. Van Õs ochtends vroeg tot Õs avonds laat waren ze bezig, waarbij Sint Servaas hun behulpzaam was. Tenslotte was het borstbeeld af. Het was - zo vertelt ons de vita - prachtig: neus, mond, kin en keel waren perfect; alleen de ogen, die van edelstenen gemaakt waren, stonden scheef. De goudsmeden meenden dat de ene steen kleiner was dan de andere, en daarover waren ze hogelijk verbaasd, want ze waren precies even groot. Met goede moed haalden ze de stenen eruit om ze er beter in te zetten, want ze vreesden de keizer. Maar toen ze dat gedaan hadden, stonden de ogen weer net als daarvoor: het ene keek omlaag, het andere omhoog. De goudsmeden voelden zich ongelukkig en het werd hun zwaar te moede. Ze konden er echter niets aan doen; het was zonneklaar dat Sint Servaas tijdens zijn aardse leven scheel was geweest; daarom was dit gebeurdÉ Toen wilde de keizer het borstbeeld zien. Zodra hij de ogen zo scheef zag staan, liet hij de goudsmeden in de boeien slaan en dreigde hen met zware straffen. Ten onrechte wierp men hen in een kerker.

Terwijl de goudsmeden Õs nachts in de gevangenis zaten, verscheen Sint Servaas aan de slapende keizer, zodat deze hem goed kon zien. Vriendelijk sprak hij hem toe:

ÒMajesteit, je moet die arme goudsmeden niet langer kwellen. Laat hen met rust! Je moet het hun niet aanrekenen: zij hoeven toch geen boete te doen voor mij? Jij bent zeer verstandig: kijk me aan en zie hoe scheel ik ben. Daarom moet het borstbeeld dat naar mijn gelijkenis is gemaakt scheel zijn. Wees tevreden: de goudsmeden treft geen blaam. Laten ze profijt hebben van mijn scheelheid, en wees er niet bedroefd over.Ó

Toen de koning dit gehoord had, liet hij, nadat hij was opgestaan, de goudsmeden uit de kerker halen. Als vergelding voor het aangedane onrecht stelde hij hen op royale wijze schadeloos en overlaadde hen met prachtige geschenken, zodat ze blij en opgelucht van het hof vertrokken.

 

Bron: Hendrik van Veldeke: Servaaslegende. Vertaald door L. Jongen en C. Schotel. Maastricht 1993, p. 112-113. Het verhaal is in licht bewerkte vorm ook te vinden bij Frits van Oostrom: Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Amsterdam 2006, p. 167-168.

 

De onverkorte en originele Middelnederlandse tekst luidt aldus:

 

 

Nu moechdi hoeren scone reden.

Der coninck dede hoem goltsmede

2125               Herde goet ghewynnen.

                       Hij gruetese mit mynnen

                       Ende boet hon sijne hulde

                       Ende seide hon dat hij wolde

                       Doen wercken eyn gulden hoeft;

2130               Ende sprack ouch, des gheloeft:

                       ÔWilles mich god ghehynghen!

                       Want ich tot gheynen dynghen

                       Nye meeren wille en ghewan.Õ

                       Doen spraken die werck man:

2135               Sij woldet gherne wale doen

                       Gondes hon der goids soen

                       Ende der goede sinte Seruaes;

                       Sent dat den coninck lieff was

                       Sij wouden doen dat hij geboet.

2140               Hij dede hon gheuen gout root.

Sij ontfinghent mitter woeghen.

                       Die des wercks plaghen,

                       Sij waren vlytich daer toe

                       Beide spade ende vroe.

2145               Daer toe halp hon sinte Seruaes.

                       Doen dat houft all ghereyt was

                       Doen waest herde zierlijch,

Schone ende heerlijch,

                       Beide nase ende mont -

2150               Dat doet ons die vite cont -

Beyde kynne ende keel;

Maer die oughen waren scheell.

Het waren twee edel steyne.

                       Doen dochte hon die eyne

2155               Mender dan die andere.

                       Des hadden sij groot wondere:

                       Sij waren beide doch euen groot.

                       Den meysteren des nyet en verdroet

                       Dat sijse vut namen.

2160               Sij meyndens nu bat gheramen

                       Want sij den Coninck vruchten.

                       Doen sijt doen weder herwrochten

                       Doen stonden sij echt als ee -

                       Des was hon te moede wee -

2165               Dat eyn neder, dander hoe.

                       Des woerden sij seer onvroe.

                       Des en mochte ander raet sijn:

                       Het waert daer aen wel schijn

                       Dat der goede sinte seruaes

2170               In desen lyue scheel was;

                       Daer om moest dat gheschien.

                       Doen wolde der coninck thouft sien.

                       Doen hij die oughen soe sach staen

                       Doen dede hij die goltsmede vaen

2175               Ende dreychdese voele seer

                       Aen hon lijff ende aen honne eer.

                       In gheuenckenisse mense besloet.

                       Dat was onrecht herde groot.

 

                       Doen dit aldus was erganghen

2180               Dat sij dus laghen gheuanghen,

                       Des nachts quam sinte Seruaes

                       Voer den coninck daer hij was

                       In eynre stat, daer hij lach,

                       Alsoe dat hijne wale besach.

2185               Mynlike hij hoem toe sprak:

                       ÔConinck, en doen gheyn onghemack 

Den gheuangenen goltsmeden;

                       Laetse mit rasten ende mit vreden.

                       Du en dorfste hon nyet schelden.

2190               Sy en soelen mijns nyet ontghelden.

                       Du heues voele goeden sen:

                       Beseech wie scheel dat ich ben.

                       Des moet dat houft scheel sijn

                       Dat ghemaect is nae thouft mijn.

2195               Daer omme hebbe goede ghedolt:

Die wercklude sijn sonder scholt.

                       Laetse mijns ghenyeten;

                       Des en laet dich nyet verdrieten,Õ

                       Sprack der goede sinte Seruaes.

2200               Der coninck des blide ende vroe was.

 

Doen der coninck dit vernam

Ende hij des morghens op quam,

                       Die goltsmede hij verloeste.

                       Seer wale dat hijse troeste

2205               Mit heerliken lone.

Hij gaff hon gauen scone

                       Ende versoende sich mit hon alsoe,

                        Dat sij van hoem schieden daer toe

                       Mit blijtscapen ende mit mynnen.

 

Bron: Hendric van Veldeke: Sint Servaeslegende. Editie G.A. van Es. Tweede druk. Culemborg 1976, p. 163-165.

 

 

LEAD Technologies Inc. V1.01

Het gouden borstbeeld van Servaas in de Sint-Servaasbasiliek te Maastricht. Bron: Frits van Oostrom: Stemmen op schrift. Amsterdam 2006, p. 169.

 

 

LEAD Technologies Inc. V1.01

Het borstbeeld van Servatius en Paus Johannes Paulus II tijdens de H. Mis op het vliegveld Maastricht, mei 1985. Bron: Hendrik van Veldeke: Servaaslegende. Vertaald door L. Jongen en C. Schotel. Maastricht 1993, p. 110.

 

LEAD Technologies Inc. V1.01

Tijdens het Pausbezoek moest het borstbeeld van Servatius naar en van het vliegveld worden gebracht, 1985. Bron: Hendrik van Veldeke: Servaaslegende. Vertaald door L. Jongen en C. Schotel. Maastricht 1993, p. 111.

 

LEAD Technologies Inc. V1.01

Ge•dealiseerde voorstelling van Hendrik van Veldeke, de schrijver van de legende in de volkstaal, in de Codex Manesse, fol. 30r.