Het vertellen houdt nooit op

Over contemporain veldwerk in de multiculturele samenleving

 

Theo Meder

 

"Een goed verhaal is nooit weg." Zo luidt de 10e stelling bij het proefschrift van Jurjen van der Kooi, getiteld Volksverhalen in Friesland. "Een goed verhaal is nooit weg." Zo is het maar net, want goede verhalen hebben de beste overlevingskansen, omdat mensen ze steeds weer door willen vertellen.

En waar waren veel goede verhalen te halen? In Friesland. Tot mijn eigen verbazing. Want Friezen, dat waren toch nuchtere stijfkoppen, en mensen van weinig woorden? Toch bleken het in groten getale goede vertellers te zijn: ze vertelden sprookjes en sagen, over heksen en tovenaars en reuzen en spoken en... nachtmerries.

Friese verzamelaars zoals Dam Jaarsma en Ype Poortinga hebben na de Tweede Wereldoorlog vele duizenden volksverhalen opgetekend in Friesland. Niet zozeer omdat Friezen zulke buitengewone vertellers zijn - ze zijn wat dat betreft niks beter dan de Groningers of de Limburgers - maar omdat Jaarsma en Poortinga zulke getalenteerde verzamelaars waren. Veel van de vertellers van toen zijn nu hoogbejaard of reeds overleden. En er zijn ongetwijfeld overledenen die verhalen met zich mee het graf in hebben genomen. Er raken wel degelijk verhalen in vergetelheid.

Soms valt hun leven schriftelijk te rekken via een teksteditie, zoals De Nachtmerje fan Rawier. Het schrift kan vergeten verhalen zelfs weer in de mondelinge overlevering doen herleven.

De mondelinge overlevering: dat is ons onderzoeksterrein. Het onderzoeksterrein van volkskundige Jurjen van der Kooi, en ook van mijzelf als volksverhaalonderzoeker, verbonden aan het Meertens Instituut te Amsterdam.

Op het Meertens Instituut beheer ik onder meer de Nederlandse Volksverhalenbank; een database met volksverhalen en allerhande context-informatie over die verhalen. Veel optekeningen uit het verleden zijn in de Volksverhalenbank verwerkt, en ook verhalen die toegezonden zijn door correspondenten in het land via de Volkskundevragenlijsten. Maar de database bevat ook verhalen die anno nu tijdens veldwerk op de band zijn opgenomen.

U kunt zich afvragen: heeft veldwerk hedentendage nog zin? Valt er nog wat te verzamelen? Valt er nog wat nieuws te verzamelen? Nou, driewerf ja, dus. Ook al kunnen verhalen uit de oudere genres als het sprookje en de sage deels verdwijnen, er komen weer andere soorten verhalen voor in de plaats. Genres die hedentendage bloeien zijn de urban legends - ook wel Broodje Aap-verhalen genoemd - en de moppen. Dit zijn evengoed volksverhalen - mondeling circulerende vertellingen, die evenzeer een traditie en variatie ontwikkelen, net als de oudere genres.

Er zijn ook veel nieuwe verhalen te vinden, die oorspronkelijk - zeg maar - niet van onze bodem zijn. Maar daarvoor moet je dan wel veldwerk gaan doen in de multiculturele samenleving.

Dat heb ik gedaan. Ik heb verhalen verzameld in Lombok, een multiculturele wijk in Utrecht. We treffen daar een evenwichtige mix aan van ongeveer 50% oorspronkelijke Nederlanders en ongeveer 50% allochtonen. Het merendeel van de allochtonen bestaat uit voormalige gastarbeiders en hun families, vooral Turken en Marokkanen. Er woont ook een niet zo grote groep Surinaamse rijksgenoten. Een andere minderheid bestaat uit politieke vluchtelingen uit bijvoorbeeld Irak of Somalië.

Mijn onderzoek in de wijk Lombok maakt deel uit van een groter project dat TCULT heet: Talen en Culturen in de Utrechtse wijken Lombok en Transvaal. We bestuderen er onder andere de jongerentaal, de praktijk van het combineren of mengen van talen, de traditie van voornaamgeving, de vertel- en liedcultuur, en de feestcultuur. De centrale vraag in al het onderzoek is steeds: treedt er verandering op door contact?

Of in mijn geval: veranderen de verhaal-repertoires van mensen onder invloed van de multiculturele contact-situatie?

Als het antwoord "nee" zou zijn, dan was ik nu klaar...

Maar het antwoord is natuurlijk: ja - langzaam maar zeker veranderen verhaal-repertoires van mensen omdat ze in een multi-etnische buurt wonen. Stelt u zich dat ‘multiculturele’ alstublieft niet al te rooskleurig voor! De mensen in Lombok leven vredig naast elkaar, niet zozeer met elkaar. Men tolereert elkaars aanwezigheid en vindt het multi-etnische karakter van de wijk kleurrijk. Lombok is geen probleemwijk (meer). Maar in de dagelijkse omgang richt menigeen zich toch vooral op zijn eigen etnische groep. Nederlanders klaverjassen met Nederlanders, de Turken gaan naar de Turkse moskee, de Marokkanen gaan naar de Marokkaanse moskee, de Nederlanders vieren kerst, de moslims houden ramadan...

Niettemin is er ook contact met andere culturen. Omdat culturen elkaars buren zijn, omdat ze elkaar tegenkomen op de multiculturele festivals Salaam Lombok en Lombok Anders, of omdat hun kinderen op dezelfde school zitten.

Toen ik aan mijn veldwerk begon, stond ik open voor iedere uitkomst. Dit waren de mogelijkheden:

1. Nederlanders vertellen Nederlandse verhalen en

2. Allochtonen vertellen allochtone verhalen.

Punt. Er had best sprake geweest kunnen zijn van volkomen gescheiden circuits. Maar er bleken meer mogelijkheden:

3. Allochtonen vertellen Nederlandse verhalen

4. Nederlanders vertellen allochtone verhalen

5. Bestaande verhalen worden aangepast

6. Nieuwe verhalen worden gecreëerd.

1. Dat Nederlanders Nederlandse verhalen vertellen, zult u wel van we aan willen nemen (Sam en Moosmoppen, Belgenmoppen).

2. Dat allochtonen ‘allochtone’ verhalen vertellen, zal u ook niet verbazen. Maar om wat voor verhalen gaat het dan? De Surinamers kunnen verhalen vertellen over Anansi de spin. Maar dat doen voornamelijk de creolen. De hindoestanen vertellen liever Indiase verhalen. Een bekende traditionele Turkse verhaalfiguur is Nasreddin Hodja, een soort imam die vol grappen en wijsheden zit. Zijn streken zijn soms te vergelijken met onze Tijl Uilenspiegel. De vaste moderne moppenfiguur in het Turks heet Temel, en hij woont in het Zwarte Zeegebied, bij voorkeur in Trabzon. Temel is een beetje achtergebleven en hij spreekt Turks met een grappig accent. De moppen zijn een beetje te vergelijken met onze Belgenmoppen.

Temel woont in een huis met één kamer. Als zijn broer met zijn gezin op bezoek is, mogen de gasten in de kamer slapen. Temel en zijn gezin gaan in de gang slapen. ‘s Nachts moet de broer naar de wc, maar hij krijgt de deur niet open, want Temel ligt ervoor. De broer pakt een vaas, haalt de bloemen eruit, poept in de vaas en zet de bloemen weer terug. De volgende dag vertrekt de broer met zijn gezin weer. Geruime tijd later krijgt de broer van Temel een brief: ‘Beste broer, vertel me waar je gepoept hebt. We zijn al drie keer verhuisd, maar het blijft stinken.’

Terwijl traditionele sagen door Nederlanders steeds minder verteld worden, omdat al dat bovennatuurlijke steeds meer als bijgeloof wordt aangemerkt, hebben zowel Turken als Marokkanen nog heel veel sagen op hun repertoire. Ze kunnen allemaal wel verhalen vertellen over boze geesten (de Marokkanen noemen ze djinns en djinnis), over bezetenheid, en over het boze oog.

Zoals gezegd kunnen groepen ook elkaars verhalen toeëigenen.

3. Allochtonen vertellen Nederlandse verhalen. De mopjes die Turkse en Marokkaanse kinderen vertellen over Jantje in de klas of over Jantje en zijn oma verschillen veelal niets van de mopjes van de Nederlandse kinderen. Belgenmoppen worden ook door allochtonen verteld, en ze stellen zich daarmee op het standpunt van de Nederlander. Zulke moppen worden in het land van herkomst niet verteld, althans niet over Belgen.

Dat immigranten aspecten van de dominante cultuur overnemen, is niet zo verwonderlijk, maar gebeurt het ook omgekeerd?

4. Nederlanders vertellen allochtone verhalen. Ik heb er niet zoveel gevonden. Toch trof ik een Nederlands meisje dat Marokkaanse verhalen kon vertellen over geesten. In een verhaal hoort een arme man ergens in huis om hulp roepen. Hij gaat op zoek en treft een geest aan, die in elke hand een emmer met goudstukken moet vasthouden. De arme man verlost de geest van zijn last, en sindsdien is hij rijk. Want al wat hij uit de emmers ook uitgeeft, het komt er gelijk weer bij.

Het is toch vrij bijzonder dat een Nederlander Marokkaanse sagen kent. Ik trof verder Nederlanders die verhalen kenden over de traditionele Turkse verhaalfiguur Nasreddin Hodja. Ze werden mij verteld door een schooljuffrouw, een verplegings-wetenschapper en een tweetal professionele verhalenvertellers. In meerdere verhalen woont de hodja niet meer in Turkije maar in Holland.

Nasreddin Hodja loopt in Lombok door de Kanaalstraat en ziet aan de overkant van de straat zijn dochter staan giechelen met een stel meiden. Als hij haar zo eens beziet - fleurig hoofddoekje, strakke spijkerbroek, plateauzolen - begrijpt de hodja dat het tijd wordt voor een belerend gesprek. ‘s Avonds zegt hij tegen zijn dochter: ‘Binnenkort zal er een jongen komen, en hij zal je diep in de ogen kijken. Denk aan de eer van de familie! Hij zal met je wandelen door het park. Denk aan de eer van de familie! Hij zal je haar strelen en hij zal je willen kussen. Denk aan de eer van de familie! Daarna zal hij jou bespringen. En dan maakt hij jouw familie te schande.’ De dochter heeft het begrepen. Maar als ze enkele weken later met een verliefde blik door het huis loopt, vindt pa het weer tijd voor een gesprek. De dochter zegt: ‘Vader, het is precies zo gegaan als u gezegd had. Een jongen heeft mij diep in de ogen gekeken. We zijn gaan wandelen door het park. Maar ik dacht aan de eer van de familie. Hij heeft mijn haar gestreeld en hij wilde me kussen. Maar ik dacht aan de eer van de familie. Toen heb ik hem besprongen en zijn familie te schande gemaakt!’

Dit is geen traditioneel Nasreddin Hodja verhaal meer, maar een moderne Nasreddin Hodja mop. Verteld door een Nederlander in een Nederlandse context, gehoord van een Duitse, die het weer gehoord had van een Brit, die het gehoord had van een Turk.

Verder zien we dat in Lombok

5. Bestaande verhalen worden aangepast. Het meest in het oog lopend zijn de moppen die wij kennen van het type: ‘Er waren een Nederlander, een Duitser en en Belg’. In Lombok beginnen zulke moppen aldus: ‘Er waren een Turk, een Marokkaan en een Nederlander.’ Het is afhankelijk van de etniciteit van de verteller wie er aan het slot van de mop de slimme winnaar of de dappere held is.

Maar ook een eeuwenoud en internationaal verspreid verhaaltje over gastarbeiders die de taal niet spreken, is in Lombok, aangepast aan de nieuwe situatie, terug te vinden:

Er was eens een Turk die net uit Turkije was gekomen. Hij sprak geen woord Nederlands. De eerste dag ging hij naar de stad. Hij hoorde ‘Ja ja ja’ en onthield dat. De tweede dag hoorde hij ‘Mes mes mes’. De derde dag hoorde hij ‘Hoera hoera hoera’. Toen moest de Turk op het politiebureau komen. De agent vroeg of hij een Turkse vrouw had vermoord. De man wist niets anders te zeggen dan: ‘Ja ja ja’. De agent vroeg: ‘Waarmee heb je haar vermoord?’ De man zei: ‘Mes mes mes.’ Toen zei de agent: ‘Naar de gevangenis.’ En de man zei: ‘Hoera hoera hoera.’

Al eeuwenlang beschuldigen buitenlanders zich zo van misdaden die zij niet begaan hebben, omdat zij woorden uit een vreemde taal onthouden zonder te weten wat ze betekenen. Dit is een verhaaltype dat gecatalogiseerd staat als AT 1697, "We three; for money". In Friesland kwam het verhaaltje vroeger voor als ‘poepeteltsje’, over de vermeend domme Duitse hannekemaaiers (de hantsjemieren).

Tenslotte kan het gebeuren dat door de contact-situatie

6. Nieuwe verhalen worden gecreëerd. Dat kunnen verhalen zijn over de dagelijkse gang van zaken, maar ook politiek niet geheel correcte grappen, waarin stereotiepen van etnische minderheden naar boven komen. Het volgende verhaaltje werd mij verteld door een Turkse man:

Een Marokkaanse vrouw moest bevallen van een tweeling, maar de ambulance kwam maar niet. Uiteindelijk wordt ze in een politie-auto naar het ziekenhuis gereden. Onderweg begint de vrouw te bevallen. De agenten stoppen en één gaat er assisteren. De agent trekt aan het hoofd van het eerste kind. De baby kijkt op, kijkt naar achteren en roept: "Terug, Mohamed! Politie!"

Mijn verteller legde uit, dat deze mop in Nederland wel verteld wordt, en dat de grap het criminele imago van de Marokkanen benadrukt. Het heeft geen enkele zin om deze mop in Turkije te vertellen, omdat daar het stereotype van de criminale Marokkaan niet leeft. "Als ik deze mop in Turkije vertel," zei mijn verteller, "dan zeggen ze: goh, die baby is slim, die kan al praten!"

Door de multiculturele contact-situatie in Lombok zien we de verhaal-repertoires veranderen. Bij de jongeren meer dan bij de ouderen, want de jongeren communiceren meer met elkaar en wisselen meer uit. Als de allochtonen zich ergens op fixeren buiten hun eigen cultuur, dan is dat wel de dominante Nederlandse cultuur. Ik ben nooit een Turk tegengekomen, die Marokkaanse verhalen vertelde, en nooit een Marokkaan, die Turkse verhalen vertelde.

Ik sluit af met de stelling uit het begin: "Een goed verhaal is nooit weg." Zeker. En in een multi-culturele wijk als Lombok komen weer allerhande nieuwe verhalen aan de oppervlakte. Aan verhalen geen gebrek, want het vertellen houdt nooit op.