Het vertellen van verhalen aan kinderen
Enkele resultaten uit de Volkskundevragenlijst van 1995
Theo Meder
Inleiding
Wetenschap begint met het stellen van de juiste vragen. Ton Dekker heeft de gave om ons bij tijd en wijle met zulke vragen te bestoken. Zoals: "Halen Turken in Nederland met kerst al een kerstboom in huis?" Dat is een goede vraag, maar het antwoord moeten we nog even schuldig blijven. Eén van zijn andere vragen - als onderzoeker van volksverhalen - luidt: "Wat weten we eigenlijk van de manier waarop kinderen aan hun verhalen komen? Hoe komen ze bijvoorbeeld aan hun sprookjes? En wat weten we van de hele literaire sprookjes-traditie voor kinderen?" Op deze vragen kan ik hier bij lange na geen volledig antwoord geven - maar ik kan wel een eerste poging wagen. Ik wil dat doen aan de hand van een ook door Ton Dekker gewaardeerde bron: de Volkskundevragenlijst.
Verzamelaars van (volks)verhalen wordt niet altijd ten onrechte verweten dat ze vooral 'postzegels' aan het verzamelen zijn. Ze zijn vooral geïnteresseerd in het scoren van een goed verhaal, en nauwelijks in de context waarin dit verhaal oorspronkelijk is ingebed. Dit heeft ertoe geleid dat we in Nederland inmiddels een redelijk beeld hebben gekregen van de verhaaltypen die hier te vinden zijn, maar eigenlijk mager geïnformeerd zijn over de dagelijkse vertelpraktijk. De beste manier om hierover wat meer te weten te komen, is het verrichten van veldwerk: via participerende observatie kan men het vertellen van verhalen als het ware in het wild betrappen. De onderzoeker kan waarnemen wie er vertelt en wie er luistert, hoe het verhaal verteld wordt en hoe erop wordt gereageerd. Het nadeel van veldwerk is, dat het een tamelijk tijdrovende bezigheid is, en dat men slechts op één plaats tegelijk kan zijn. Intensief veldwerk moet zich vaak beperken tot een relatief kleine vertelgemeenschap; de onderzoeker kan zich zelden zomaar een breed panorama voor heel Nederland veroorloven.
Een methode met een breder bereik is de enquête. Een nadeel van deze methode is wel weer dat men dan geen geobserveerd gedrag bestudeert, maar gerapporteerd gedrag - en tussen deze twee vormen van gedrag kunnen nog wel eens verschillen bestaan. Het Meertens Instituut beschikt momenteel over een bestand van circa 900 correspondenten, verspreid over Nederland en Vlaanderen. Jaarlijks stuurt het Instituut hen een Volkskundevragenlijst toe. In 1995 werd door Eric Venbrux en mijzelf Volkskundevragenlijst nr.66 over vertelcultuur en verhalen samengesteld. We hebben daarin vragen gesteld naar bepaalde genres verhalen, naar vertellers en vertelsituaties. Vraag 14 over de bekendheid van bepaalde moderne sagen heeft inmiddels geresulteerd in een publicatie. In deze bewuste publicatie gaan we overigens ook in op de problematiek van de representativiteit van het correspondentenbestand van het Meertens Instituut: teveel correspondenten zijn momenteel bijvoorbeeld mannen van hoge leeftijd (de categorie 70- tot 80-jarigen is oververtegenwoordigd), vaak woonachtig op het platteland, met een lage of juist hogere opleiding. Dit zou soms een bepaalde eenzijdigheid in de antwoorden tot gevolg kunnen hebben, maar de hoge leeftijd van de correspondenten is vaak juist weer een voordeel als er naar zaken uit het dagelijkse leven in vroeger tijden wordt gevraagd; het geheugen van veel correspondenten gaat terug tot vóór de Tweede Wereldoorlog.
Op deze plaats wil ik een aantal vragen bespreken die samenhangen met het vertellen van verhalen aan kinderen. Het betreft de volgende vragen uit lijst nr.66:
|
28. Is het in uw omgeving gebruikelijk om kinderen verhalen te vertellen bij het naar bed gaan? |
|
29. Om wat voor verhalen gaat het hier? |
|
30. Worden de verhalen ter plekke verzonnen, komen ze uit het geheugen, of uit een boek? |
|
31. Wordt vaak hetzelfde verhaal verteld? |
|
32. Zijn er nog andere gelegenheden waarbij verhalen worden verteld aan kinderen (zoals bij het s morgens opstaan)? |
|
33. Werden er aan u als kind vroeger verhalen verteld? |
|
34. Om wat voor verhalen ging het toen? |
|
35. Werden die verhalen ter plekke verzonnen, kwamen ze uit het geheugen, of uit een boek? |
|
36. Door wie werden die verhalen verteld? |
De vragen beperken zich hier tot een specifiek publiek: het kinderpubliek, en wel thans en vroeger. Met deze vragen wilden we enig inzicht krijgen in de vertelstof, de voordrachtssituatie of vertelgelegenheid en de vertellers. In het navolgende zal ik de resultaten van de enquête bespreken, om daaruit vervolgens enkele voorzichtige conclusies te trekken.
Vertellen nu
Van de circa 900 verzonden vragenformulieren kreeg het Meertens Instituut er tot nu toe 390 retour. In het navolgende zullen de antwoorden op de vragen 28 tot en met 36 in percentages worden uitgesplitst, en waar nodig nader toegelicht.
|
Vraag 28: "Is het in uw omgeving gebruikelijk om kinderen verhalen te vertellen bij het naar bed gaan?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Ja, er worden verhalen verteld |
74,5 |
|
Ja, althans vroeger werden er verhalen verteld |
4,5 |
|
Er worden verhalen voorgelezen |
7 |
|
Nee, er worden geen verhalen verteld |
9,5 |
|
Weet niet |
4,5 |
We vragen expliciet "in uw omgeving" omdat veel correspondenten de leeftijd hebben waarbij de eigen kinderen al lang en breed zelfstandig wonen; er behoefde dus niet per se naar de eigen thuissituatie gekeken te worden.
Uit de beantwoording van de vraag blijken in bijna driekwart van de gerapporteerde gevallen tegenwoordig verhalen verteld te worden aan kinderen bij het naar bed gaan. Een kleine hoeveelheid respondenten durfde geen uitspraak te doen over de hedendaagse praktijk, maar meldt dat het vroeger in elk geval wel gebeurde. In 7% van de gevallen wilden de respondenten het antwoord preciseren: zij melden dat er wel verhaaltjes verteld worden, maar dat dit gebeurt door uit boeken voor te lezen. Dit antwoord is niet representatief voor de daadwerkelijke hoeveelheid voorgelezen boeken (zie vraag 29 en 30), dat vele malen hoger ligt - het antwoord is slechts een precisering van een kleine groep (oplettende) respondenten. Opvallend is dat 9,5% van de correspondenten meldt dat er thans geen verhalen worden verteld aan kinderen voor het naar bed gaan. De groep respondenten die dit antwoord heeft gegeven, verdwijnt helaas in de navolgende statistieken, omdat zij de volgende vragen meestal niet hebben ingevuld (non-respons).
Opvallend in de toelichtingen bij de antwoorden is, dat beweerd wordt dat ouders het tegenwoordig veel te druk hebben om verhalen te vertellen. Een tiental correspondenten wijst expliciet op de invloed van de televisie: deze treedt tegenwoordig vaker op als verhalenverteller. Volgens bovengenoemde correspondenten werd er vroeger veel meer verteld. Maar door anderen wordt juist precies het omgekeerde beweerd. Vroeger was er veel minder tijd om verhaaltjes te vertellen, en tegenwoordig wordt er juist veel meer aan kinderen verteld. Op deze kwestie wordt hierna nog teruggekomen.
|
Vraag 29: "Om wat voor verhalen gaat het hier?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Mondelinge (zelfverzonnen) verhaaltjes |
40,5 |
|
Verhaaltjes uit (kinder)boeken / Bijbel |
34,5 |
|
Zowel mondeling als uit boeken |
15,5 |
|
Waargebeurde geschiedenissen |
3 |
|
Geen verhalen |
0,5 |
|
Weet niet |
6 |
Mondelinge verhaaltjes en verhalen uit kinderboeken of (kinder)bijbel nemen duidelijk de topposities in. Het vertellen van waargebeurde geschiedenissen vervult een ondergeschikte rol.
Regelmatig worden door correspondenten sprookjes expliciet als vertelstof genoemd, hetzij verteld, hetzij voorgelezen; ze nemen in totaal 40% van het gemelde repertoire in (niet in tabel).
Bij de mondelinge verhaaltjes scoren de zelfverzonnen verhaaltjes en de sprookjes hoog. Correspondenten melden zelfverzonnen verhaaltjes te hebben verteld over het stoute jongetje Ukkie, over de spin Simon, over Piet Konijn, over een Bruintje Beer, over de kindertjes Lineke en Mineke of over een verdwaald jongetje. Daarnaast hebben correspondenten in het algemeen te kennen gegeven dat er sprookjes, dierenverhalen en ook Sinterklaasverhaaltjes verteld worden. Voorts blijken ook sagen-achtige verhalen redelijk populair, zoals verhalen over kabouters, elfjes, heksen en spoken, maar er wordt ook melding gemaakt van zelfverzonnen verhalen over de avonturen van schipbreukelingen. De sprookjes die met zekere regelmaat genoemd worden zijn Roodkapje, Klein Duimpje, Hans en Grietje en Assepoester. Daarnaast worden nog de volgende sprookjes genoemd: Sneeuwwitje, Ali Baba en de Veertig Rovers, de Gelaarsde Kat, de Wolf en de Zeven Geitjes, Doornroosje, Klaas Vaak en de Rode Dansschoentjes. Opvallend was verder de vermelding van Willem Tell als mondelinge vertelstof. Heel wat sprookjes en dierenverhalen zijn bekend uit schriftelijke sprookjesverzamelingen, en als auteurs worden dan ook wel genoemd: Perrault, Andersen, Grimm en La Fontaine. Bij de voordracht uit boeken nemen sprookjes dus ook een belangrijke plaats in.
Uit de kinderbijbel wordt ook regelmatig voorgelezen. Maar de 'literaire kinderboeken' doen het in deze categorie ook uitstekend. De meest genoemde schrijfster is - en dat zal niet veel verbazing wekken - Annie M.G. Schmidt. Andere auteurs die met name genoemd worden zijn Thea Beckman, Guus Kuijer, W.G. van de Hulst en - misschien enigszins opmerkelijk - Walt Disney. De boeken die volgens de correspondenten vaak worden voorgelezen zijn bovenal Jip en Janneke, en ook wel Pinkeltje. Verder worden genoemd Pluk van de Petteflet, Otje, Nijntje, Heidi, Madelief, Puk en Muk, Bambi, en minder bekende titels als Fikse, Tante Els en Oom Rudolf, en Wicky Wiek. Maar ook de wereld van de strip (en de animatie) laten zich niet onbetuigd. Er wordt namelijk evengoed voorgelezen over Yogi Beer, Donald Duck, de Flintstones en Suske en Wiske.
Waargebeurde geschiedenissen kunnen gaan over bijvoorbeeld de eigen jeugd van de verteller of over de oorlog. Eén correspondent meldde dat er wel verhalen werden verteld over "voorvallen uit de oudheid", maar daarmee bleek hij de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 te bedoelen. De correspondent is zelf in 1916 geboren.
|
Vraag 30: "Worden de verhalen ter plekke verzonnen, komen ze uit het geheugen, of uit een boek?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Verzonnen verhalen |
11,5 |
|
Verhalen uit het geheugen |
4 |
|
Uit een boek voorgelezen |
38,5 |
|
Verzonnen & voorlezen |
6,5 |
|
Verzonnen & geheugen |
4,5 |
|
Geheugen & voorgelezen |
8 |
|
Verzonnen, geheugen & voorgelezen |
20,5 |
|
Geen verhalen |
3,5 |
|
Weet niet |
3 |
Het meest opvallende hier is dat de hoeveelheid uit boeken voorgelezen verhalen - bij nader inzien - nog eens stijgt. Het mondelinge verhaal is nu versnipperd geraakt over een aantal categorieën. Na voorlezen uit boeken blijkt in de voordrachtspraktijk vooral de combinatie van verzinnen, vertellen uit het geheugen en voorlezen geregeld voor te komen. Op de derde plaats eindigt het puur verzinnen van verhalen.
Een correspondente merkte hierover op: "Mijn vader verzon één figuur, namelijk Madammeken Pielefoeldeken die kon vliegen et cetera." En een andere correspondent vertelt: "Ik verzon ze [de verhaaltjes] ter plekke naar aanleiding van wat ik had beleefd en maakte van de mensen dieren (vogeltjes, konijntjes)." Een derde correspondent merkt op dat er vooral uit boeken wordt voorgelezen, "alhoewel ik zo'n 25 jaar geleden op een camping in het Zwarte Woud mijn eigen fantasie de vrije loop liet. Tot mijn eigen verbazing groeide het aantal luisteraartjes naarmate de vakantie vorderde."
|
Vraag 31: "Wordt vaak hetzelfde verhaal verteld?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Ja |
49 |
|
Vaak |
5 |
|
Soms |
16 |
|
Nee |
16 |
|
Vervolgverhaal |
5 |
|
n.v.t. |
2 |
|
weet niet |
7 |
Al met al geeft een ruime meerderheid van de respondenten aan dat bepaalde verhaaltjes meermaals herhaald worden - in bepaalde gevallen sporadisch, maar in veel gevallen ook vaak. Soms tekenen de respondenten hier bij aan dat vooral kleinere kinderen graag bepaalde favoriete verhalen steeds opnieuw willen horen, en dat het verzoek hierom vaak van de kinderen zelf uitgaat. Niet bij alle kinderen blijkt overigens de herhaling in goede aarde te vallen. Een moeder merkt op dat zij met hervertellen is gestopt toen haar zoontje Patrick zei: "Mam, nou eens iets anders hoor." En ook een andere respondent memoreert dat hij met het herhalen van verhalen niet wegkomt: "Regelmatig probeer ik dat, maar daar gaan ze niet mee akkoord." Slechts 16% van de respondenten zegt dat verhaaltjes niet herhaald worden verteld.
Vijf procent van de respondenten gaf aan dat er niet zozeer herhaald wordt, maar dat er een (al dan niet) verzonnen vervolgverhaal verteld wordt. Dat zijn veelal reeksen verhalen met eenzelfde held of heldin als hoofdpersoon, die zich afspelen in eenzelfde décor. Een respondent tekent aan: "De zelfverzonnen verhalen krijgen dikwijls een vervolg zodat er cycli ontstaan, bijvoorbeeld over een krokodillenkind of over een kabouter." Als helden noemt een andere respondent Klein Duimpje en Uilenspiegel, die steeds andere avonturen beleven.
|
Vraag 32: "Zijn er nog andere gelegenheden waarbij verhalen worden verteld aan kinderen (zoals bij het s morgens opstaan)?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
nee |
58 |
|
ja, op school |
2,5 |
|
ja, na schooltijd / s middags |
3,5 |
|
ja, na/tijdens het eten |
4 |
|
ja, zomaar overdag |
10 |
|
ja, op andere/bijzondere momenten |
11 |
|
n.v.t. |
0,5 |
|
weet niet |
10,5 |
Het vertellen van verhaaltjes voor het naar bed gaan is toch het meest geëigende moment voor ouders en kinderen. Een meerderheid van de respondenten geeft aan dat andere momenten minder geschikt zijn. Onze suggestie of er wellicht s ochtends bij het opstaan verhaaltjes worden verteld, wordt door respondenten resoluut van de hand gewezen: daar is helemaal geen tijd voor! Niet alleen tegenwoordig, maar ook in het verleden, want ook op bijvoorbeeld de boerderij was het vroeger s ochtends druk. Toch geven een paar correspondenten te kennen dat er bij hen wel degelijk s ochtends verhaaltjes werden verteld, maar dan wel op zondagochtend, bijvoorbeeld als de kinderen bij de ouders in bed mogen komen liggen, of als de kinderen bij oma logeren.
Op school worden er ook verhalen verteld, en een enkele respondent verwijst terug naar zijn eigen jeugd en de zondagsschool. De voormalig onderwijzer Brandts memoreert hoe hij vroeger verhalen vertelde voor de klas, en hoe hij in staat was om telkens weer nieuwe avonturen te bedenken rond een tweetal hoofdfiguren:
"Toen ik nog bij het lager onderwijs werkzaam was - van 1940 tot 1957 - heb ik heel vaak, ik kan wel zeggen bijna altijd, zelf verzonnen verhalen verteld. Zelfs heb ik in de vijftiger jaren in de 6e klas (dus nu groep 8 van de basisschool) een vervolgverhaal verteld dat ik gewoon verzonnen had.
Elke zaterdagmorgen - toen was er ook 's zaterdags les - vertelde ik elk laatste half uur over twee schavuiten: Bertram en Dolf. Ik beloofde elke zaterdag te vertellen als ze de hele week goed hun best hadden gedaan. En dat was altijd wel het geval, want ze wilden de gekke fratsen van de twee mannen niet missen. Ik denk dat ze wel 15 keer uit de gevangenis wisten te ontsnappen.
Jaren na hun schooltijd vroegen sommigen er een boek over te schrijven. En nu nog ontmoet ik oud-leerlingen die me dan spontaan vragen: 'Hoe is het met Bertram en Dolf?'"
s Middags of na schooltijd kan het vertellen van verhalen wel als rustpunt in de dag worden ingelast. Een respondent schrijft: "Mijn vrouw las de kinderen altijd voor uit Pinkeltje toen ze nog klein waren en uit school kwamen." Ook worden er wel verhalen verteld aan tafel, tijdens of na het eten, en dat is dan soms het ontbijt of het middageten, maar meestal het avondeten. Zomaar overdag vertellen wordt ook wel gedaan, soms om de kinderen weer rustig te krijgen, of omdat de kinderen ziek zijn. Grootouders vertellen verhalen aan de kleinkinderen als deze op bezoek zijn, of als ze op de kinderen passen.
In 11 procent van de gevallen worden er nog andere of bijzondere momenten opgegeven. Dat kunnen heel triviale momenten zijn, zoals tijdens het aardappelschillen of op regenachtige dagen. Maar er worden ook verhalen verteld op feestjes en verjaardagen, met sinterklaas en kerst. Een correspondent meldt verhalen te vertellen "in de auto onderweg; bijvoorbeeld Ellert en Brummert." Het betreft hier de sage van de Drentse rovers (soms ook reuzen) Ellert en Brammert, naar wie volgens de overlevering Ellertsveld en Brammershoop zijn vernoemd. Twee correspondenten zeggen dat ze verhalen vertellen tijdens wandelingen; ze vertellen dan over de geschiedenis van een dorp of een bosgebied, of verhalen in de trant van "hier stond een kasteel, hier woonde een rover".
Vertellen vroeger
|
Vraag 33: "Werden er aan u als kind vroeger verhalen verteld?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Ja |
56 |
|
Soms |
12 |
|
Nee |
30 |
|
Weet niet meer |
2 |
Hiervóór zagen we dat mensen antwoordden dat er tegenwoordig niet meer wordt verteld omdat ouders het te druk hebben. Maar hetzelfde argument wordt in stelling gebracht voor het niet-vertellen vroeger: de ouders hadden het veel te druk met andere zaken. Enkele verklaringen van respondenten zijn letterlijk: "mijn ouders moesten heel hard werken", "[ik was een] turfschipperskind en er was voor vertellen geen tijd", "daarvoor was schijnbaar op onze boerderij geen tijd of [het] had geen prioriteit. Wel zingen met moeder ('s winters bij de haard in het donker, electrisch licht vond men te duur)", "onze ouders dachten niet aan verhaaltjes (geef ons heden ons dagelijks brood)", en "we hadden een groot gezin en er was weinig tijd voor het vertellen van verhalen".
Als we de statistieken laten spreken en de antwoorden op vraag 33 (vroeger) vergelijken met die op vraag 28 (nu) dan blijkt het niet-vertellen van verhalen geslonken van 30% naar 9,5%. Wel kan hier de vraagstelling een enigszins vertekend beeld geven. In vraag 33 moet de respondent informeren over zichzelf, en in vraag 28 mag hij het op zijn omgeving betrekken. Niettemin lijkt er heden een tendens te bestaan om aan kinderen meer verhalen te vertellen of voor te lezen. Ouders hadden blijkens de antwoorden vroeger vaker geen tijd daarvoor of aardigheid daarin dan tegenwoordig.
Veel respondenten die vroeger soms of vaak verhalen hebben gehoord (en dat is een ruime meerderheid van 68%), hebben die vernomen van hun vader of hun moeder. Maar sommige correspondenten merken op dat ze de verhalen vooral op school te horen hebben gekregen. Als de ouders al geen tijd hadden, dan hadden de grootouders dat soms wel. Een correspondent meldt veel volksverhalen van zijn opa te hebben gehoord over de natuur en over geneeswijzen. Een ander meldt dat zijn opa goed was is in het vertellen van verhalen, vooral over die met een historische achtergrond: "Ook nam hij je mee naar [de] plek waar het om ging onder andere rond Stoevelaar en Huttenkloas." Weer een andere correspondente zegt: "Mijn opoe vertelde altijd over 'boes Jeude'." Dat is een regionale boeman (kinderschrik, tevens watergeest) die de bedenkelijke bijnaam van 'Boze Jood' had gekregen.
In andere gevallen blijken kinderen vroeger aan hun verhalen te zijn gekomen dankzij broers of zussen. Een correspondent meldt dat de broers en zussen elkaar verhalen vertelden voor het slapen gaan. Een ander schrijft: "Toen ik ± zes [jaar] was vertelde zus Rieki in vereenvoudigde vorm wat zij op school had geleerd." En soms was het een correspondente zelf die de verhaaltjes vertelde: "Ik zelf vertelde aan mijn zusjes (we sliepen met zijn drieën op één kamer)."
De situatieschets van het vertellen is regelmatig zoals we het traditioneel zouden verwachten: op de winteravonden, met de kinderen en de volwassenen geschaard rond de haard. De verhalen waren lang niet altijd specifiek bedoeld voor de kinderen, maar ook wel bedoeld voor de volwassenen, en de kinderen luisterden dan gewoon mee. Een andere situatie schetst een correspondent die als kind soms verhalen hoorde als hij "koffie en pannekoeken aan [zijn] vader op het land bracht."
En natuurlijk werd er vroeger ook wel voorgelezen, zoals uit de boeken van W.G. van de Hulst. Een andere correspondent kreeg de verhalen over Bruintje Beer, Flippie Flink, en Bulletje en Bonestaak te horen, wat de inzender zelf samenvat als "de bekende sprookjes", maar waarmee hoogstwaarschijnlijk gedoeld wordt op de bekende kinderleesboeken. De stof behoort strikt genomen niet tot de sprookjes, maar de gewone verteller en luisteraar bekommert zich niet om wetenschappelijke genre-indelingen.
Als we nader bezien hoe de correlatie in elkaar steekt tussen het vertellen in het heden en het vroeger zelf als kind verteld hebben gekregen, dan springen de correlaties in het negatieve en het positieve eruit.
|
Relatie tussen nu verhalen vertellen en vroeger verhalen verteld hebben gekregen. (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Groep 'nu niet' -> 'vroeger ook niet' |
51,5 |
|
Groep 'nu niet' -> 'vroeger wel' |
35,5 |
|
Groep 'nu wel' -> 'vroeger niet' |
25 |
|
Groep 'nu wel' -> 'vroeger ook wel' |
70 |
Van de groep correspondenten die zegt dat er aan kinderen tegenwoordig geen verhalen verteld worden voor het naar bed gaan, heeft ruim de helft (51,5%) zelf als kind ook nooit verhaaltjes te horen gekregen. Opmerkelijker is nog de groep correspondenten die zegt dat er thans wel verhalen worden verteld aan kinderen. Het overgrote deel van deze correspondenten (70%) heeft vroeger als kind zelf ook al verhalen te horen gekregen.
|
Vraag 34: "Om wat voor verhalen ging het toen?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Mondelinge (zelfverzonnen) verhaaltjes |
58,5 |
|
Verhaaltjes uit (kinder)boeken / Bijbel |
13,5 |
|
Zowel mondeling als uit boeken |
5,5 |
|
Waargebeurde geschiedenissen |
15 |
|
Geen verhalen |
4,5 |
|
Weet niet meer |
3 |
In vergelijking met de antwoorden op vraag 29 tekenen zich een drietal duidelijke tendenzen af ten aanzien van het vertellen of voorlezen aan kinderen vroeger en nu. Ten eerste werd er vroeger beduidend minder voorgelezen uit boeken of kinderboeken. Ten tweede werden er vroeger juist weer opmerkelijk meer mondelinge vertellingen (al dan niet zelfverzonnen) verteld. Het lijkt hier om communicerende vaten te gaan: wat het mondelinge verhaal aan terrein heeft verloren, heeft het (voorlees)boek aan terrein gewonnen. De derde tendens lijkt te zijn dat er vroeger veelvuldiger waargebeurde geschiedenissen werden verteld dan tegenwoordig. Ook dit (doorgaans) mondelinge genre heeft terrein moeten prijsgeven.
Er zijn hierbij een aantal verklaringen te bedenken. De meest voor de hand liggende verklaring is van economische aard: het mondelinge verhaal was vroeger het boek van de arme man en vrouw. Een mondelinge vertelling kost niets, en (speciale kinder-) boeken waren vroeger niet voor iedereen betaalbaar. Met de toegenomen welvaart wordt het voor steeds meer mensen mogelijk om (kinder)boeken te kopen. Dan is er een meer maatschappelijk en educatief argument denkbaar: gaandeweg neemt het belang van scholing toe en zien we onze samenleving allengs intenser alfabetiseren en verschriftelijken: boeken worden voor steeds meer mensen steeds belangrijker als dragers van informatie en amusement. Een volgende verklaring zou artistiek genoemd kunnen worden: lang niet iedereen is een geboren verteller. Zodra betaalbaar, kan een boek een gebrek aan creativiteit en vertelkunst compenseren. Immers, zoals (bijvoorbeeld) Annie M.G. Schmidt het op papier kan vertellen, zo verzin je het doorgaans als gewone verteller zelf niet. Tot slot zou er nog een moreel argument gegeven kunnen worden: kinderboeken zijn veelal qua mentaliteit meer op het huidige tijdsgewricht toegesneden - ze gaan (om zo te zeggen) meer met hun tijd mee dan traditionele vertellingen als sprookjes en sagen.
We zagen verder dat er vroeger meer waargebeurde verhalen werden verteld aan kinderen dan thans. Als we de onderwerpen van deze verhalen bezien - hard werken, armoede, oorlog - dan zou hier ook een moreel argument in stelling kunnen worden gebracht: het zijn verhalen waarvan velen zich afvragen of men er kinderen nu wel mee moet lastigvallen. Zulke verhalen vervallen gemakkelijk tot moralistisch gezeur over (althans voor kinderen van nu) lang vervlogen tijden.
Sprookjes worden in vraag 34 door 36% van de correspondenten expliciet als vertelstof in vroeger tijden opgevoerd (niet in tabel). Voor het heden geldt 40% (zie vraag 29) en men zou dus van een lichte stijging kunnen spreken, al ontlopen de percentages elkaar niet veel. In de opsommingen van mondelinge vertelstof van vroeger neemt verder de sagenstof een beduidend prominenter plaats in - waarover weldra meer.
Als gevraagd wordt om een precisering van de sprookjes, dan typeert een correspondent het repertoire als "van de boze wolf tot de goede fee." Specifieke sprookjes die genoemd worden zijn Roodkapje, Hans en Grietje, Wolf en de Zeven Geitjes, Sneeuwwitje, de Gelaarsde Kat, Tijl Uilenspiegel, de Rattenvanger van Hamelen, Assepoester, Luilekkerland, "de straatmuzikanten" (= de Bremer stadsmuzikanten?), Doornroosje, Klein Duimpje, Ali Baba en de Veertig Rovers en "de dansende schoentjes" (= de Rode Dansschoentjes van H.C. Andersen). Verder maakt een correspondent melding van "sprookjes en verhalen van 'Grijp'", maar hiervan is vooralsnog onduidelijk om welke sprookjes het precies gaat. Globaal genomen wijkt de opsomming van sprookjes niet wezenlijk af van de titels die voor het hedendaagse vertellen zijn gegeven (zie vraag 29).
Zoals gezegd wordt er bij het vertellen in vroeger tijden veel vaker aan sagenstof gerefereerd. Correspondenten noemen verhalen over kabouters en aardmannetjes, weerwolven, helmdragers, heksen, putmannetjes, "korenmenke", "dondermanneke", "boemanneke", spoken, tovenaars, het boze oog, "Krulstaart" en "Geelleey" (= de huilende wind in de schoorsteen). Iemand noemt verhalen "over evertaskes en over adders die niet eerder doodgingen voor het ondergaan van de zon, enzovoort, maar ook over weerwikkers." Weer anderen noemen sagen over sterke mannen, over gevechten van volkshelden, over de paardenhemel, over de zondagsjager, over de snoek van het Schildmeer, over zigeuners, en over de rondtrekkende scharenslijpers uit Kaatsheuvel. Historische sagen of pseudo-historische sagen worden genoemd zoals de verhalen over de Bokkerijders en over Genoveva van Brabant. Eén respondent meldt dat zulke sagen afkomstig konden zijn uit de Almanak. De correspondente die van haar oma verhalen over de 'Boes Jeude' (de kinderschrik) hoorde, tekent aan: "Als ik als klein kind (meestal in [het] donker) ergens heen wilde en het beviel haar niet, zei ze: "Denk erom: boes jeude lopt er ook en dei ken die wel pakkum." Dat er allengs minder sagen worden verteld, zal ten dele samenhangen met het verminderde geloof in de traditionele bovennatuurlijke wezens en verschijnselen.
Vervolgens zijn er nog andere genres en verhaaltypen, zoals de dierenverhalen, avontuurlijke en spannende verhalen, zoals over ridders, over zeereizen, of over stropers en smokkelaars. Dan zijn er allerhande komische vertellingen denkbaar, met slimme helden en domme slachtoffers; bepaalde bravourestukken zouden de vertellers zogenaamd zelf hebben meegemaakt. Tenslotte zijn er nog de griezelverhalen, waarover een correspondent opmerkt: "De ouders beseften niet altijd, dat ze ons de stuipen op het lijf joegen", terwijl een andere opmerkt dat het doorgaans ging om verhalen waar "je niet van kon slapen."
Onder de zelfverzonnen verhalen worden de avonturen genoemd van Jan Klaassen en vertellingen over een IJzeren Olifant. De correspondent die zelfverzonnen verhalen over het stoute jongetje Ukkie aan zijn kinderen vertelde, heeft soortgelijke Ukkie-verhalen vroeger van zijn eigen vader te horen gekregen.
Daarmee zijn we aanbeland bij de boeken, te beginnen met de kinderboeken. De absoluut meest genoemde auteur is W.G. van de Hulst. Verder wijst een correspondent op de boeken van L. Pennings over de oorlog in Zuid Afrika als voorleesstof. Andere auteurs die genoemd worden zijn: Jules Verne, de gebroeders Grimm, H.C. Andersen en J.O. Curwood. Sommige respondenten noemen titels van boeken. Favoriet waren: In de Soete Suikerbol, Bulletje en Bonestaak, Piggelmee en het Tovervisje, Robinson Crusoë, Eric de Noorman en Kazan de wolfshond. Eén correspondente noteert: "Het vervolgverhaal Sim en Sam. Dit verhaal werd op school voorgelezen door zuster Gysebertha. Elke week een deel. Nu nog zegt mijn oudste zus: Wat vonden wij dat geweldig."
Anderssoortige boeken zijn de Bijbel en aanverwante stichtelijke lectuur. Bij de genoemde gehoorde verhalen is niet steeds goed uit te maken of ze uit boeken komen, of uit de mondelinge overlevering. Correspondenten maken in elk geval melding van heiligenlegenden (o.a. over Sint Maarten), parabels, verhalen over Sinterklaas en Kerst, verhalen over geloofsvervolging, Mariaverschijningen, engeltjes, het geloofsleven, hemel, hel en vagevuur.
Er werden ook waargebeurde verhalen verteld aan de kinderen, vooral over de belevenissen uit de jeugd van "ouders of grootouders vroeger". Die verhalen gingen dan over de leef- en werkomstandigheden van vroeger, over beroepen als timmerman en boer, over barre winters, over de kermis in het dorp, of over de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Een correspondente herinnert zich: "Mijn vader vertelde verhalen over kwajongensstreken. IJssie piepen, ijssie brouwen (het ijs kapot maken). Jongens die bijna verdronken of een boerderij in brand staken, over het meerijden achter op een sleperswagen."
En tenslotte kregen de kinderen vroeger ook nog direkt leerzame en moraliserende verhalen te horen. Dat konden verhalen zijn over arme, zieke oude mensen, of moraliserende verhalen die terugblikten op de afgelopen dag. Eén correspondent herinnert zich een educatief verhaal over hoe een mens ziek wordt, en wat het lichaam in het geweer brengt om de ziekte te lijf te gaan.
|
Vraag 35: "Werden die verhalen ter plekke verzonnen, kwamen ze uit het geheugen, of uit een boek?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
Verzonnen verhalen |
11,5 |
|
Verhalen uit het geheugen |
34 |
|
Uit een boek voorgelezen |
20,5 |
|
Verzonnen & voorlezen |
1 |
|
Verzonnen & geheugen |
4 |
|
Geheugen & voorgelezen |
11,5 |
|
Verzonnen, geheugen & voorgelezen |
11 |
|
Geen verhalen |
5,5 |
|
Weet niet |
1 |
Uit het overzicht is meteen duidelijk dat verhalen vroeger bovenal uit het geheugen werden verteld. Een vergelijking met vraag 30 over de situatie nu, geeft nog duidelijker tendenzen weer. De hoeveelheid ter plekke verzonnen verhalen is opmerkelijk stabiel gebleven (nu en vroeger 11,5%). Tussen het vertellen uit het geheugen vroeger en nu bestaat evenwel een groot verschil: er werd - volgens de rapportage - vroeger veel meer uit het geheugen verteld (34%) dan nu (4%). Het vertellen uit het geheugen lijkt vooral ten koste te zijn gegaan van de hedendaagse tendens tot voorlezen van verhalen. Vroeger kregen kinderen in 20,5% van de gevallen uit boeken voorgelezen, thans is dat 38,5%. Een verschil valt ook te constateren als respondenten hebben opgegeven dat er zowel verzonnen verhalen worden verteld, als uit het geheugen worden opgediept, als uit boeken worden voorgelezen. Deze mengvorm zou vroeger minder vaak zijn voorgekomen (11%) dan tegenwoordig (20,5%). Het verschil valt niet met zekerheid te verklaren, maar wellicht is hier het voorlezen uit een boek de doorslaggevende factor - dit voorlezen geschiedde vroeger minder vaak dan tegenwoordig.
Het mag opmerkelijk heten dat sommige correspondenten nog eens de nadruk legden op de mondelinge traditie van vroeger. Ze noteren dan dat er uit het geheugen verteld werd, en voegen daar dan voor de zekerheid nog aan toe: "In elk geval niet uit een boek." Wat betreft de ter plekke verzonnen verhalen hebben sommige respondenten ook nog aantekeningen gemaakt. De respondent die vroeger de verhalen over Jan Klaassen hoorde, kreeg die evenmin uit een boek te horen: "Volgens mij werd Jan Klaassen als kapstok gebruikt en werd de rest er bij verzonnen." Een andere correspondent merkt op dat er veel verhalen werden verzonnen, maar dat het wel voorkwam dat ze "voor waar verteld werden". Verhalen werden ook verzonnen om op een passende moraal uit te komen, al werd die niet altijd letterlijk uitgesproken. Niet in ieder gezin stond men even positief tegenover verzonnen verhaaltjes: "wij noemden dat dan liegen." Enkele correspondenten hebben bij de opgave van het voorlezen uit boeken nog eens geëxpliciteerd om wat voor boekjes het kon gaan. Genoemd worden de Kinderbijbel, de almanak en de leesboekjes van school.
|
Vraag 36: "Door wie werden die verhalen verteld?" (Antwoorden in percentages uitgedrukt) |
|
|
moeder |
22 |
|
vader |
22 |
|
beide ouders |
31,5 |
|
oma |
1 |
|
opa |
4 |
|
beide grootouders |
1,5 |
|
zus |
3 |
|
broer |
1 |
|
tante |
1,5 |
|
oom |
0,5 |
|
onderwijzer(es) |
3,5 |
|
overig |
3,5 |
|
niemand |
3,5 |
|
weet niet |
1,5 |
De belangrijkste vertellers voor de correspondenten als kind waren overduidelijk de eigen ouders. Als respondenten slechts één van de ouders opnoemen, dan is de belangrijkste verteller even vaak de vader als de moeder (22%). De andere groepen voornaamste vertellers zijn aanmerkelijk kleiner. Als we in opsommingen van vertellers iedereen zouden laten meetellen, dan zouden vooral de percentages van de grootouders nog toenemen. Zo noemde een correspondent als vertellers: "Mijn moeder en grootmoeder, die woonde 22 jaar bij ons in." Wanneer we de voornaamste vertellers - voor zover dat mogelijk is - naar geslacht verdelen, dan blijft de percentuele distributie opvallend evenwichtig: zowel voor mannen als vrouwen 27,5%.
Sommige correspondenten sommen de vertellers wel heel ruim op, zoals: "Ouders, buren, kennissen, grootouders, familie, enzovoort". Een ander vulde iets dergelijks in: "Ouders, grootouders, buren, familie, vrienden", en weer een ander gewaagt van "familie of bekenden". Welbeschouwd was in bepaalde gevallen iedereen dus een verteller. Een andere respondent lijkt dit toch enigszins te willen afzwakken met de volgende formulering: "Door iedereen is niet waar, maar toch door verschillende personen, al was de één meer aan het woord dan de ander."
Andere respondenten specificeren de vertellers als "volwassenen", "oude mensen" of "oudere mensen", en iemand merkt bij dit laatste nog op: "In de ogen van een kind ben je snel oud." Als voornaamste vertelster noemt een correspondent "een vrijgezelle oudere zuster van mijn vader" die erg veel verhalen kende, "vooral stichtende W.G. van de Hulst-verhaaltjes." En nog een ander meldt als vertellers: "Mijn vader en zijn makkers en het oudere mansvolk. Zelden vromen." Die laatste toevoeging zal er wel op duiden dat de verhaaltjes in dit geval allerminst stichtelijk waren.
Als overige bijzondere vertellers worden onder meer genoemd: een "oppasbuurmeisje", een "oude goede baker", een "oude veldwachter", een "inwonende dienstbode", een "kindermeisje" en "inwonende knechten op de boerderij".
Er valt een zekere correlatie te constateren tussen sagen en mannelijke vertellers. Als correspondenten hebben opgegeven dat ze vroeger sagen te horen hebben gekregen, dan is dat in 47% van de gevallen van mannen geweest, vooral vaders en grootvaders. In 21% van de gevallen waren de vertellers vrouwen (moeders, oma's), en in 32% van de gevallen kan het geslacht niet uitgemaakt worden. Bij de sprookjesvertellers zijn de vrouwen echter in de meerderheid. Voorzover valt na te gaan werden sprookjes in 39% van de gevallen door vrouwen verteld, terwijl voor 23,5% de vertellers uit mannen bestonden (voor 37,5% is het geslacht niet uit te maken). Dit gender-verschil in genres zou kunnen liggen aan de relatieve voorkeur van vrouwen voor de 'fictie' van wonderbaarlijke vertellingen, en de relatieve voorkeur van mannen voor spannende verhalen die op 'feiten' lijken te berusten.
Conclusie
Het gevaar dat het gerapporteerde gedrag in deze enquête sterk afwijkt van het eventueel nog te observeren gedrag, lijkt me niet zo groot. De gestelde vragen beslaan betrekkelijk ongevoelige onderwerpen, en hoeven niet uit te nodigen tot het geven van sociaal wenselijke antwoorden.
De rol van de moderne media, zoals de televisie en strips, is slechts sporadisch in de enquête naar voren gekomen. De rol van de audiocassette, CD, video, film en CD-ROM zijn in deze enquête volledig onderbelicht gebleven. Hiernaar zal in een later stadium voortgezet onderzoek moeten worden verricht.
De enquête bevestigt eigenlijk een aantal intuïties die we al hadden. Er worden nu meer verhalen aan kinderen verteld dan vroeger. In bed voor het slapen gaan is thans het meest geëigende moment van de dag daarvoor. Nu wordt vaker uit boeken voorgelezen, terwijl er vroeger meer uit het hoofd werd verteld; het verhaal kwam toen veel vaker uit het geheugen van de verteller. Het ter plekke verzinnen van verhaaltjes werd vroeger even vaak gedaan als tegenwoordig. Er werden vroeger ook meer waargebeurde geschiedenissen verteld en beduidend meer sagen. Het vertellen van sprookjes vroeger en nu is redelijk stabiel gebleven, al zal vroeger vaker uit het geheugen en tegenwoordig vaker uit een boek worden verteld. De canon van favoriete sprookjes lijkt ook nagenoeg ongewijzigd gebleven. Sprookjes werden althans vroeger wat vaker door vrouwen verteld, terwijl mannen vaker sagen vertelden.
Literatuur
Aarne, A. & S. Thompson: The Types of the Folktale. A Classification and Bibliography. Helsinki 1964.
Bennis, H., G. Extra, P. Muysken & J. Nortier (red.): TCULT. Blauwdruk van een NWO-onderzoeksprogramma inzake de multiculturele en pluriforme samenleving. Amsterdam 1998.
Blécourt, W. de: Volksverhalen uit Noord-Brabant. Utrecht [enz.] 1980.
Buter, A.: Volksverhalen uit Overijssel. Utrecht [enz.] 1981.
Debaene, L.: De Nederlandse volksboeken. Antwerpen 1951.
Dekker, A.J.: '150 Jaar Nederlands volksverhaalonderzoek', in: Volkskundig Bulletin 4 (1978), p.1-28.
Dekker, T.: Heksen en tovenaars in twintigste-eeuwse sagen, in: Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw. Redactie M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff. Amsterdam 1987, p.242-255.
Dekker, A.J.: De Volkskundevragenlijsten 1-58 (1934-1988) van het P.J. Meertens-Instituut. M.m.v. J.J. Schell. Amsterdam 1989.
Dekker, A.J.: 'Op zoek naar de verteller van volksverhalen', in: Amsterdams sociologisch tijdschrift 19 (1992), p.60-84.
Dekker, T.: 'Zonder verzamelaars geen sprookjes', in: T. Dekker & T. Meder (red.): Van mondeling verhaal tot themapark: de waardering en receptie van sprookjes. Themanummer Volkskundig Bulletin 24 (1998) 2, p.214-237.
Dekker, T., J. van der Kooi & T. Meder: Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties. Nijmegen 1997.
Dibbits, H. & T. Meder: 'Kasbah in de Kanaalstraat. Beeldvorming in en rond een multi-etnische stadswijk: een verkenning', in: Volkskundig Bulletin 25 (1999) 1, p.39-70.
Dijk, M. van: Zeg, Roodkapje... Parallellen tussen volksverhalen en volksliederen, in: T. Dekker & T. Meder (red.): Van mondeling verhaal tot themapark: de waardering en receptie van sprookjes. Amsterdam 1998, p.296-331 (Themanummer Volkskundige Bulletin 24 (1998) 2.)
Dinnissen, M.H.: Volksverhalen uit Gendt. Amsterdam 1993. (Nederlandse volksverhalen, deel 3)
Heupers, E.: Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe. 3 Delen. Amsterdam 1979, 1981 en 1983. (Nederlandse volksverhalen, deel 1, 1-3)
Kooiman, H.: Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Amsterdam 1988. (Nederlandse volksverhalen, deel 2)
Laan, K. ter: Folkloristisch woordenboek. 's-Gravenhage [etc.] 1949.
Meder, T. & E. Venbrux: 'Van bescherm-engel tot beton-meubel. Over bekendheid en geografische spreiding van enkele 'hedendaagse sagen' in Nederland en Vlaanderen', in: Volkskunde 100 (1999) 1, p.73-95.
Meertens, P.J. & M. de Meyer: Volkskunde-Atlas. Commentaar. Aflevering II. M.m.v. H. de Visser en J.J. Voskuil. Antwerpen 1965.
Prakke, H.J. [e.a.]: Volksverhalen uit Drenthe. Utrecht [enz.] 1980.
Richter, D.: Wie populär sind Märchen heute? Eine empirische Untersuchung unter Studenten aus Deutschland West und Deutschland Ost, in: Märchenspiegel 6 (1995) 4, p. 5-9.
Sinninghe, J.R.W.: Noord-Brabantsch sagenboek. Scheveningen 1933.
Sinninghe, J.R.W.: Overijselsch sagenboek. Zutphen 1936.
Top, S.: Volksverhalen uit Vlaams Brabant. Utrecht [enz.] 1982.