Home

Peter Jan Margry, Teedere Quaesties: religieuze rituelen in conflict. Confrontaties tussen katholieken en protestanten rond de processiecultuur in 19e-eeuws Nederland (Hilversum: Verloren, 2000) p. 402-407.

Samenvatting

In deze studie is onderzocht welke betekenis de (her-) introductie van katholiek-religieuze rituelen en de daarmee samenhangende ‘processiekwestie’ - het aanhoudende conflict tussen protestanten en katholieken over de toelaatbaarheid van processies in Nederland - in de 19e eeuw hebben gehad voor de Nederlandse samenleving in het algemeen en het emancipatieproces van de Nederlandse katholieken in het bijzonder. Een belangrijke vraag die naar voren is gekomen, was in hoeverre de publieke manifestatie van die rituelen heeft bijgedragen aan de confessionele segmentering van Nederland. De vele confrontaties en conflicten die met betrekking tot de publieke manifestatie van de religie, blijken na analyse een onderlinge samenhang te vertonen, waaruit een nieuw beeld van de socio-religieuze verhoudingen in de toenmalige Nederlandse samenleving naar voren komt. Hoewel het ontstaan van de processiekwestie ten dele kan worden verklaard uit de confessionele verhoudingen van vóór 1795, is het langdurige en intensieve voortbestaan van deze problematiek paradoxaal te noemen. Sleutelmomenten in het ontstaan van dit discussiestuk waren namelijk de proclamatie van de rechten van de mens (1795), de vrijheid van godsdienst (1796) en de totstandkoming van de nieuwe grondwet in 1814 en 1815. De verworven vrijheid van godsdienst en een expliciete toelating van processies en andere publieke religieuze rituelen hebben Nederlandse katholieken vervolgens een religieus-ideologische inspiratie gegeven. Vanuit hun ‘geaccommodeerde’ of ‘stille’ Nederlandse katholicisme wensten zij ‘vergeten’ rituele en devotionele aspecten uit prereformatorische tijden te (her-)introduceren of te revitaliseren. Publieke rituelen fungeerden daarmee als bron voor de vorming van een katholiek zelfbewustzijn. Bij de protestanten en de protestants georiënteerde overheid bracht deze ontwikkeling tegenkrachten op gang die de dreigende, massale introductie van processies en andere openbare liturgische uitingen van de katholieke kerk wilden keren. Hierbij werd naar ‘beproefde’ strategische concepten uit het Ancien Régime teruggegrepen. Enerzijds werd, vooral via de gedrukte media, een negatief, antipapistisch beeld van de katholieken gecreëerd, anderzijds werd via politiek-bestuurlijke circuits een reguleringsoffensief gestart. Dit laatste werd nog versneld en versterkt door de samenvoeging met België en de daardoor ontstane vrees voor het verlies van de Nederlandse ‘protestantse’ identiteit en voor desintegratie van het land.

De rituele vrijheid die sinds 1814 wettelijk was vastgelegd, zou in de praktijk tamelijk beperkt blijken. Kort na de eenwording in 1815, onder invloed van het verlichtingsdenken en het Jozefistische ideeëngoed, maakten Willem I en zijn regering een begin met de genoemde systematische regulering en controle van met name de publieke manifestaties van de katholieke kerk. Het ‘beleid’ dat daartoe werd gevoerd droeg een sterk ad-hoc karakter, bovendien geschiedde de uitvoering ervan langs een traject van een permanente terminologische discussie en via reglementen, circulaires en brieven, waarvan de rechtskracht niet altijd duidelijk was.

De hieruit voortgekomen conflicten en confrontaties kenden een complexe, zelfs grillige gelaagdheid met onderscheiden actores, zoals overheden, kerkgenootschappen en bevolkingsgroepen, opererend in verschillende tijdsfasen en geografisch verspreid. De diverse actores waren overigens onderling evenmin coherent in hun opvattingen. Bovendien blijken dwars door de geledingen heen afwijkende opinies en allianties te hebben bestaan. De deelnemers aan en organisatoren van processies toonden een sterke eigengereidheid in de invulling van de geloofspraktijk en namen soms ook expliciet afstand van het eigen kerkgezag.

De conflictconjuncturen met betrekking tot de openbare rituelen zijn voor de 19e eeuw onderscheiden in drie fasen. De eerste periode 1795-1830 kenmerkte zich door spontane initiatieven van leken die de verworven en gewenste vrijheden ter harte wilden nemen. De overheid reageerde met een reeks besluiten die de processies in de Zuidelijke provincies moest terugdringen en, via het Koninklijk Besluit van 1822, in de Noordelijke provincies moest onderdrukken. Hoe weinig gestructureerd het beleid ook geschiedde, vanwege de lange termijn en de harde aanpak kan er in een aantal opzichten toch van een overheidsstrategie worden gesproken. In deze periode werd namelijk een consensuspolitiek gevoerd, waarbij de regering de katholieke kerkleiding bij de beheersing van de problemen heeft betrokken. Vanuit tactisch oogpunt richtte de overheid zich aanvankelijk op de meer extreme en kwestieuze processies. De effectiviteit van deze overheidsstrategie werd zodoende aanzienlijk vergroot omdat de bisschoppen en vicarissen, zoals in het verleden was gebleken, mede tegen het licht van het eigen kerkelijke beschavingsoffensief, in dergelijke gevallen gaarne bereid waren hun ondersteuning te verlenen. Vandaar dat een sterkere regulering van staatswege bij de kerkelijke overheid aanvankelijk op weinig tegenstand stuitte. Het overheidsbeleid was in deze periode overigens ook voor een belangrijk deel ingegeven door het noodzakelijke apaisement jegens protestant Nederland, dat zich door de groeiende manifestatie van het katholieke geloof bedreigd voelde.

In de tweede fase, globaal tussen 1830 en 1870, manifesteerde de processiekwestie zich in het bijzonder gedurende de cruciale jaren 1847-1856. Een opgeschroefde katholieken- en rituelenvrees, in samenhang met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, leidden tot een vergaande restrictieve wetgeving aangaande processies. Ditmaal liet de kerkleiding deze overheidsinmenging niet zomaar passeren. Ondanks het verzet van de katholieke kerkleiding, van de provincies Brabant en Limburg en van liberale zijde, culmineerde de oplopende spanning echter in een grondwettelijk processieverbod in 1848 en, daarbij gestimuleerd door de Aprilbeweging, in de rigide wet op de kerkgenootschappen. Deze wet was een ‘noodmaatregel’, totstandgekomen in het roerige jaar 1853, waarmee verder elk publiek optreden van geestelijken in ambtsgewaad werd verboden. Het openbaar ministerie startte vervolgens een systematische rechtsvervolging en wist daarmee binnen een aantal jaren de problematiek grotendeels onder controle te krijgen. De overheid - bestuurders en militairen - zag zich daarom ook genoodzaakt afstand te doen van de door specifieke tradities en Franse regelgeving bepaalde deelname aan processies in sommige katholieke regio’s.

De derde periode, 1870-1900, werd gekarakteriseerd door een korte maar felle herleving van de processiekwestie. Met name door invloeden van buitenaf raakte het religieuze gemoed in Nederland verhit. Enerzijds kende Europa een hausse aan nieuwe devoties en processiebedevaarten, anderzijds kwam Nederland, onder invloed van de Kulturkampf, onder druk te staan van de komst van kloosterlingen en bedevaarten vanuit Pruisen. Aangezien deze strijd ook de Nederlandse katholieken activeerde tot initiatieven en het opeisen van rechten, volgde een kortstondige periode van repressie. In Limburg leidde dit tot een ‘processiejacht’. De situatie voor de katholieken aldaar verslechterde nog door nieuwe jurisprudentie die de processiegebruiken nog verder deed inperken. Het politionele ingrijpen en de langdurige procesgangen vanwege overtredingen van het processieverbod, die in die jaren nationaal zoveel aandacht trokken, leidden echter niet tot een verdere verhitting van de gemoederen maar tot een zekere matheid.

De rijksoverheid is bij deze kwestie in algemene zin tekortgeschoten door een voortdurend halfslachtig en min of meer ignorant optreden. De overheid werd bovendien gehinderd door het gegeven dat (religieuze) rituelen in het algemeen moeilijk zijn te reguleren. Telkens bleek weer hoe krachtig rituelen zich kunnen manifesteren en een bepaalde grondvorm kunnen bieden voor het menselijk bestaan, in dit geval voor het katholieke leven en de katholieke identiteit. Dit verklaart ook het grote belang dat katholieken aan de uitoefening van publieke rituelen hechtten. De structurering van het dagelijks leven, via publieke (kruis-)tekens, knielen en bidden, klokluiden, begrafenissen, inhalingen en parochiële processies, versterkte die ontwikkeling.

De concrete opbouw van een door devoties bepaald netwerk werd reeds sinds de jaren dertig van de 19e eeuw structureel ondersteund door predikaties en volksmissies, religieuze rituelen, broederschappen en processiebedevaarten. Dit zogenoemde devotionaliseringproces heeft verder bijgedragen aan de realisatie van nationaal vertakte netwerken die waren gekoppeld aan processiebedevaarten naar gerevitaliseerde of nieuwe nationale heiligen en devoties.

Daarnaast is ten aanzien van de katholieken en hun geloofsbeleving naar voren gekomen dat er sprake was van een voortzetting en soms van een intensivering van de in het Ancien Régime begonnen spiritualiseringstendens. Deze ontwikkeling liep dus parallel met nog het genoemde devotionaliseringsproces. De introductie van processies en bedevaarten, in samenhang met mariale- of heiligendevoties, bevorderde een instrumentele geloofsbeleving, wellicht een gevolg van de fascinatie die van rituelen en devoties uitgaan. Deze religieuze behoefte werd in de eerste helft van de 19e eeuw vooral door het kerkvolk gearticuleerd; in de tweede helft van de 19e eeuw werd ze gecultiveerd door de kerkelijke overheid, die het naar binnen gekeerde katholicisme verder wilde openbreken en instrumenten zocht voor een versterking van de interne cohesie en de katholieke identiteit.

Het streven van katholieken om devoties, processies en (processie-) bedevaarten al of niet via broederschappen mogelijk te maken, resulteerde in de vroege 19e eeuw in een nadere structurering van het katholieke leven. De beeldvorming hierover en de ‘teedere quaesties’ over de katholieke rituelen beheersten een substantieel deel van het politieke en maatschappelijke leven gedurende de 19e eeuw en hadden daardoor een fnuikende invloed op de onderlinge verhoudingen tussen de kerkelijke gezindten. Ze vormden over en weer een stimulans voor verdere beeldvorming en stereotypering in zowel antipapistische als antiprotestantse zin. Dit en de repercussies die de processiekwestie op socio-religieus, cultureel, legislatief en politiek-bestuurlijk terrein heeft gehad, waren reeds vroeg in de 19e eeuw een belangrijke stimulans voor de sociaal-culturele segmentering - het verzuilingsproces - van Nederland.

Het is niet gemakkelijk de totale uitwerking van de processiekwestie te bepalen. De reikwijdte mag niet onderschat worden: rituelen en, meer nog, conflicten over rituelen raken namelijk aan de essentiële waarden van iedere samenleving. Zo belangrijk als een processie voor de een was, zo gevaarlijk of verwerpelijk was ze voor een ander. De problemen over de rituelen in het openbaar domein geven bovendien, als het spreekwoordelijke topje van de ijsberg, slechts een deel van het toen levende ongenoegen en de potentiële conflicten weer. De moeilijkheden werden voor de overheid nog vergroot door de onevenwichtig verdeelde cultuurtradities binnen Nederland. Er bestonden grote contrasten. Zo waren in sommige regio’s oude rituele praktijken betrekkelijk volledig in stand gebleven en in andere nagenoeg verdwenen.

Niet alleen het conflictcurriculum maar ook de 19e-eeuwse processiepraktijk zelf is in deze studie voor het eerst beschreven. Duidelijk komt naar voren hoe binnen de geloofspraktijk het rituele repertoire zich sinds 1795 vanuit een beperkte omvang naar het einde van de 19e eeuw toe heeft ontwikkeld tot een natie-brede structuur van (processie-) bedevaarten en tot de invoering van parochiële processiecycli in geheel Nederland. Het processieverbod heeft ook de Nederlandse processiecultuur tot rituele innovaties beïnvloed. Kenmerkend zijn ‘alternatieve’ processies als stille omgangen en semi-religieuze optochten en stoeten die de verbodsbepalingen deels neutraliseerden. Het verbod en de afkeer onder protestanten van openlijk vertoon leidden daarnaast ook tot de ontwikkeling van speciale ‘besloten’ ruimten en devotionele complexen voor de uitoefening van grootschaliger liturgische rituelen in de openlucht. Verder verdwenen toen ook de ‘problemen’ rond de ostentatieve processiebedevaarten omdat sinds de jaren zeventig een groot deel van de pelgrims overging tot ‘besloten’ reizen per trein in plaats van openlijk en te voet. Deze logistieke innovatie beperkte het aantal potentiële conflicten aanmerkelijk.

De processiekwestie kwam in de jaren tachtig van de 19e eeuw, mede dankzij deze innovaties, tot rust. Ondanks het gegeven dat sinds die jaren bestuurders en juristen de kwestie in toenemende mate als een achterhaald uitgangspunt van intolerante wetgeving beschouwden, bleef zij aan (conservatief) protestantse zijde een gevoelig punt.

Opmerkelijk is dat er in de 19e eeuw van katholieke zijde verhoudingsgewijs weinig politiek-bestuurlijke oppositie tegen de repressie is geweest. De inertie rond 1848 is misschien verklaarbaar uit een nog beperkt ontwikkelde politieke emancipatie en, in verband daarmee, uit een politieke terughoudendheid om het door de beeldvorming politiek-incorrecte thema van de processies te zwaar naar voren te brengen. Niettemin hebben de katholieken na 1880, toen er ruimere politieke mogelijkheden waren om de gewraakte wetgeving te doen herzien, nagelaten dit aan te kaarten en evenmin hebben katholieke geestelijken toentertijd massaal proefprocessen uitgelokt teneinde de beperkende arresten van de Hoge Raad teniet te doen. Waarschijnlijk was het episcopaat na het rigide ingrijpen in de jaren zeventig terughoudender geworden en zocht het wederom naar een zekere consensus. Pas in 1917-1918, daartoe opgewekt door nieuwe grondwetswijzingen, gingen katholieke geestelijken opnieuw in het offensief. Het resultaat van de hieruit voortvloeiende arresten leidde tot een - voor de katholieken gunstige - omkering van de bewijslast inzake overtreding van het processieverbod en een ‘herroeping’ van het knellende arrest van 1875.

Ondanks deze resultaten wist een effectieve conservatief-protestantse lobby binnen de Haagse politiek-bestuurlijke circuits te bewerkstelligen dat het processieverbod zelf voorlopig niet uit de grondwet zou verdwijnen en dat de zo ‘tedere’ processiekwestie, met alle conflicten van dien, tot ver in de 20e eeuw bleef voortbestaan. Pas de moderniseringen binnen de katholieke kerk in de jaren zestig van de 20e eeuw en de oecumenische tendensen in de Nederlandse samenleving maakten gewijzigde attitudes mogelijk. Dit leidde ertoe dat de Nederlandse katholieken processies en enige andere publieke rituelen niet meer als wezenlijk voor hun positie en identiteit ervoeren; daarmee lieten deze nieuwe attitudes een deconstructie van het processieverbod - en dus ook van de processiekwestie - toe.

 

Peter Jan Margry