Hij liep naar zijn bureau. Het was overdekt met mappen, boeken, paperassen, catalogi. Hij legde zijn tas in de boekenkast, hing zijn jasje op, keek naar de chaos en haalde twee stoelen naar zijn bureau, die hij met de voorkanten tegen elkaar schoof, naast de plek waar hij zat.
(deel 5, 355)
'Juist,' zei de man. Hij keek om zich heen, merkte Bart en Ad op, die achter hun bureaus klaar zaten, knikte even, liet zijn blik langs de boekenkasten gaan en vestigde hem op de schoolplaat van Jetses met de afbeelding van twee dorsende boeren, die boven de deur naar de bezoekerskamer hing.
'Dat is bijzonder aardig,' hij merkte nu ook de platen van de koren- en de hooioogst boven het bureau van Beerta en boven de deur naar de kaartsysteemkamer op, 'dat herinnert me aan mijn lagere school. Daar hadden we zulke platen.
(deel 2, 482)

Fotografie: Leendert Brouwer