Hij daalde de trappen af naar de hal, groette in het voorbijgaan De Vries, en daalde verder af, de kelder in. Onder de grond was het stil. Door de kleine, betraliede raampjes aan de voorkant viel wat vaag licht in de gang. Hij knipte het licht aan en opende het ijzeren hek van de kluis, stopte de stekker van het licht in het stopcontact en keek om zich heen. De vraag naar de wieg bevond zich op een van de oudere vragenlijsten, die in een stalen ladenkast waren opgeborgen. Hij tilde ze uit de la, bracht ze over naar de tafel achter in de kluis, onder de lamp, ging achter de tafel zitten en nam een stapel voor zich. Terwijl hij langzaam, een voor een, de vragenlijsten omsloeg, viel het hem opnieuw op hoe stil het was om hem heen, alsof het huis boven hem was uitgestorven en hij alleen was overgebleven. Dat was een troostende gedachte.(deel 3, 481)

Fotografie: Cor Mooij