elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bats

bats , basse , een zeker deel van het ligchaam, volgens zeker iemand het best te vertalen: het menschelijke nagelhout.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
bats , [billen] , bassen , billen of bouten, zoowel van menschen als dieren; ook Overijs. – Gron. bast, bastje = bil van een geslacht dier, boutje, Stad-Gron. bassien; ZLimb. bats = runderbil.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bats , bats , als interj. = klets! plof! ook Gron. – Neders. bats = slag, stoot; Oostfr. battse = oorveeg.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bats , bats , slag, stoot. AS. Eng. bat, batte, Iersch batta, Fransch baton, van het Celt. baedda = slaan. Zie: bats 1.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bats , bats , trotsch. Gron. bats, batsk = zwierig, in ’t oog vallend rijk gekleed met trotsche houding; ’n batse maid, vrou = een meisje, enz. dat het er op schijnt gezet te hebben om uit te blinken, en zoo hecht men daaraan licht de beteekenis van: trotsch, stout, zooals bij Camphuysen voorkomt. Het Drentsch heeft bv.: wat komp hij er bats angaon. Overijs. batsch = trotsch, hoogmoedig, bij Hooft. = trotsch, spijtig; norsch, hevig; weerbarstig, hardnekkig; Oostfr. battsk = ijdel, pronkzuchtig, eig. = trotsch, hoogmoedig. (v. Dale: batsch = trotsch, trotschelijk, overmoedig.) De algemeene beteekenis van het woord zal zijn: zucht om zich boven anderen te verheffen, uit te blinken, en tot den stam: bat (daarvan: beter) gebracht worden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bats , [regenbui, onweersbui] , batse , regenbui, onweersbui.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bats , [dij, bil] , basse , (vrouwelijk) , de dij.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bats , bats , (bijvoeglijk naamwoord) , brutaal, overmoedig, moeielijk; ’t is een batsen sinjör, ’t is een brutale vent.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bats , batze , (vrouwelijk) , groote schop.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bats , bastje , bassien , (Stad-Groningsch) = bil van een geslacht dier, boutje Zuid-Limburg bats = runderbil.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bats , bats , batsk , zwierig, in ’t oog vallend rijk gekleed; ’n batse maid (of vrou) = een meisje dat het er op schijnt gezet te hebben om uit te blinken, en zoo hecht zich aan het woord licht de beteekenis van: trotsch, stout, zooals bij Camphuysen voorkomt; v. Dale batsch = trotsch, trotschelijk, overmoedig; Drentsch bats, Overijselsch batsch = trotsch, hoogmoedig, bij Hooft = trotsch, spijtig; norsch, hevig; weerbarstig, hardnekkig; Kil. batsch = loos; Weil. (1826) zegt dat het begint te verouderen; Zuid-Nederlandsch batsch = stuursch (’t Fransche brusque); West-Vlaamsch betsch = batsch = trotsch, enz. Oostfriesch battsk = ijdel, pronkzuchtig, eigenlijk = trotsch, hoogmoedig; Hoogduitsch batzig = hoegmoedig, onbeschaamd. De algemeene beteekenis van het woord zal zijn: zucht om zich boven anderen te verheffen, waaruit allicht ontstond: het laag op anderen neerzien. – Moet tot den stam: bat (goed) gebracht worden. (Bij Swaagm.: bats, aanmatigend, enz., van het oude batten = stooten; een batsch mensch, eigenlijk een mensch bereid tot stooten, om anderen te beleedigen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bats , bats , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , trotsch. Kîk ’m daor is bats hen stappen! Zoj n(i)eet zeggen datter hél wat achter zit? Ook: wat ons te machtig is; waar men tegen opziet: Kérel wat hei mîn daor ’n boddel ineschonken! ’n Ezel kan d’r de snute in wassen; ’t Is ’n batsen, dat mok zeggen. De Bo geeft: batsch = barsch evenals Wvl. notsch = norsch. Oost-Fr. batsk, dicktuig.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bats , bats , trotsch.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bats , bats , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , trotsch. Kîk ’m daor is bats hen stappen! Zoj n(i)eet zeggen datter hél wat achter zit? Ook: wat ons te machtig is; waar men tegen opziet: K(i)eerel wat hei mîn daor ’n boddel ineschonken! ’n Ezel kan d’r de snute in wassen! ’t Is ’n batsen, dat mok zeggen. De Bo geeft: batsch = barsch, evenals Wvl. notsch = norsch. Oost-Fr.: batsk, dicktuig. * Een brutaal, lastig, arrogant persoon heet: ’n batsen hond.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bats , bats , bil.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bats , basse , vrouwelijk , dij
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bats , batse , vrouwelijk , batsen , vierkante schop; zie: ballast
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bats , basse , De dije. Vergelijk Kiliaan op base.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
bats , basse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , basn , bassken , dij, dijbeen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bats , batse , zelfstandig naamwoord , batsn , batsken , schop met opgebogen randen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bats , bats , v , achterwerk ’n Breej, dikke bats Flink damesachterwerk
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bats , bats , nonchalant of sexy mi blote beën lope stùt bats Blote benen staat sexy. [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bats , bats , v , grote schepschop met rand (vroeger van hout).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bats , batse , soort schop
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bats , bats , haelft vánne koont; platte schup.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
bats , bats , achterwerk, bil; meervoud batse, achterwerk van de koe.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bats , bats , zelfstandig naamwoord , korenschop. Grote, platte schop met opstaande randen. Was oorspronkelijk van hout.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bats , bats , zich d’n bats schore: zich d’r naeve schore, niks doon; bats zîen óp iets, zin i hebbe, vriëd óp zîen; iëstal wuurt dát in óntkennende zin gebroekt.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bats , bats , zelfstandig naamwoord , zandschop, zoals gebruikt in de bouw (KRS: Bunn; LPW: Lop) Hetzelfde als een *panschup . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bats , batse , platte schop.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bats , bäts , parmantig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bats , bats , grote afgeronde schop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bats , bats , (Gunninks woordenlijst van 1908) stuurs
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bats , batse , platte schop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bats , bats , nors, verwaand. ’t Is altied ’n batse keerl ewes. ’n Stârke borrl nuump ze wel ’n batsn hond.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bats , batse , brede, ronde schop. De batse wordt veule gebruuk op ’t tichelwârk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bats , bats , graanschop , Meej 'n bats schèpte ze't graon in zakke vur dés'se nôr de mölder gónge. Met een graanschop schepte ze 't graan in zakken voor ze naar de molenaar gingen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bats , batse , bats , zelfstandig naamwoord , de; grote hoeveelheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bats , bats , batse , zelfstandig naamwoord , de 1. panschop, bats 2. klap 3. flinke snee 4. hard geluid van een klap of val 5. in een eigenwieze batse een eigenwijze persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bats , basse , zelfstandig naamwoord , de; zitvlak, achterste
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bats , bats , ijzeren schop
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bats , batse , (zelfstandig naamwoord) , 1. grote brede schop met opstaande randen. Zie ook: skep, skuppe; 2. grote schoen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bats , batske , schop, met enigszins ronde vorm en niet helemaal recht, maar iets gebogen onder de steel
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bats , bats , (zelfstandig naamwoord) , schep, spade.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bats , bats , (bijwoord) , 1. recht op de man af; 2. trots; batskop, nijdas (Nunspeet).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bats , bats , zelfstandig naamwoord , grote (koren)schop (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); bats; achterste (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bats , [bil] , bats , (vrouwelijk) , batse , betske , bil, zie ook kis , Die haet ei paar dikke batse. Sjuuf ins ein bats: schuif eens een beetje op.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bats , bats , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.1. lemma  achterwerk - bats, ook in Tilburg; Van Rijen (1998): grote schop; achterwerk, kont; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): BATS zelfstandig naamwoord korenschop
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bats , batsies , zwarte gymschoenen
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
bats , bats , batse , betske , bil
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut