elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oord

oord , oort , oord , vierde gedeelte van een kroes, nagenoeg = 1/3 liter; ook Gron. Oostfr. ôrt = vierendeel. Zie ook: halfoort: Dr. Landr. (1608) IV, 2: vier oortiens = een St. b.; 20: oortien enz. Ommel. Landr. VI, 5: oortgens = 1/4 Brab. Stuiver.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
oord , oord , (mannelijk) , punt, begin (van een mes, van een stuk land, enz.)
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
oord , oord , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Vroeger ook vooruitstekende punt, hoek lands die in het water uitsteekt. Thans alleen nog in de naam van verschillende stukken land. || Ieff Cornelis oortje (te Wormer), Hs. invent. Ploegh (a° 1704), Zaanl. Oudhk. Meestal in samenst.: Abbenoord, Kaagoord, Kneppelsoord, Ruigoord, Schilperoord, Sluisoord, Stikkeloord; zie aldaar. Ook elders vindt men het woord in deze zin; b.v. Kruisoord, een gedeelte van de Beetskoog, dat als een punt uitsteekt in de Beemster. Vgl. verder Ned. Wdb. XI, 69.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
oord , oort* , 2, ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
oord , [1/4 munt, 1/4 kan (= pint, 1/2 liter)] , oort , ½ Liter.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
oord , oord , Oord, plaats. Wî bint daor op ʼn gujen oord, dʼr is van alles volop.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
oord , oort , punt van een zeis, vochtmaat; ’n oort fůůzel (jenever).
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
oord , oord , Een kan deelt zig in 2 mengelens, een mengelen in 2 oorden. Dan het gebruik van dit laatste woord bepaalt zig niet tot natte waaren. Men zegt ook een oord guldens, voor vijf stuiver, en een oord rijksdaler voor een dertiendehalf, zie ook Kiliaan.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
oord , oort , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 0,4 liter
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
oord , t oord , kwartje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
oord , oord , zelfstandig naamwoord , kortgesteeld, zeisvormig snijwerktuig (KRS: Lang) Ook in de Vechtstreek, met daarnaast een vorm noord (Van Veen 1989, p. 98, p. 172 punt 13). Zie ook *hakoord , *kantoord en *wieoord . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
oord , eurtie , 1. inhoudsmaat; 2. muntje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
oord , oort , punt van een mes. Als je bij een ander een mes leent om b.v. een appel door te snijden, moet je een mèssenoort: het mes met een stukje appel aan de punt, teruggeven. verkl. eùrtje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
oord , oort , (zelfstandig naamwoord) , halve liter.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut