elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rosdoek

rosdoek , rosdoek , m , baalzak onder de kar voor paardenvoer.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rosdoek , rosdoek , zelfstandig naamwoord , rosdoek. Een baalzak die onder de kar werd gespannen. Daarin werd het hooi en ander voer voor het paard neegenomen. Ook: doek om ’n bezweet paard mee droog te vrijven.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rosdoek , rosdook , perdsdaeke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rosdoek , rosdoek , juten zak die onder de kar hangt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rosdoek , ròsdoek , zelfstandig naamwoord , Pierre van Beek - zak onder de wagen voor paardevoer; Cees Robben - Prent van de Week - bevestigt dit; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil wè in zene ròsdoek hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - heel wat in zijn mars hebben (Rosdoek= zak die boeren en voerlui vroeger onder hun kar of wagen hadden hangen, waarin hooi, haver, brood voor het paard zat.); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROSDOEK znw.m. -bij voerl.: een zak waarin het voeder voor het peerd is, en die onder aan de kar hangt. WNT ROSDOEK, in de Kempen (ook in N.-Brabant en Limburg): een doek, zak of net, onder aan de kar hangende, waarin het voeder wordt gedaan dat het paard onderweg eet.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut