elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwemmen 

zwemmen , zwemmen , (sterk werkwoord) , zwemmen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zwemmen , zwemmen , zwummen , (sterk werkwoord, intransitief) , || Daarnaast zwummen. Zie de wdbb. || Ik gaan zwummen. – Evenzo in samenst. zwumbroek, zwumskool enz. – Vroeger zal, blijkens zwambalg, ook de vorm zwammen in zwang zijn geweest. Men hoort deze nog in W.-Friesl. (b.v. te Bovenkarspel), doch het woord betekent dan met de voeten door het water waden, Zaans bazelen, bozzelen. || De jonges benne an ’t zwammen. In deze zin is zwemmen ook op Marken gebr. (Taalgids 4, 203).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zwemmen , zwömmĕn , zwemmen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zwemmen  , zwumme , zwemmen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zwemmen , zwemm , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zweamp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zwum< , zwemmen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zwemmen , swumme , werkwoord , 1. Zwemmen. 2. Bevuilen. Vgl. volswumme.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zwemmen , zwemmen , zwum, ezwömmen , zwemmen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zwemmen , zwömmen , zwummen, zwemmen , sterk, zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook zwummen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), zwemmen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = zwemmen Ik zwömde gauw naor de kaante (Die), De kiender zwumden over het meer (Hgv), Der zwemt wat eenden in het knaol (Bov), Hie kan zwemmen as een otter (Eke), Een schakel is een net, woorin de vis zichzölf vaste zwumt (Pes), (zelfst.) Mit scheuvellopen kan ik het niet tegen hum holden, mar mit zwömmen wel (Bro), Kramp kriegen aj an het zwemmen bint, kan gevaorlijk ween (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwemmen , zwemmen , zwemmen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zwemmen , zwemm , ik zwemme / zwömme; iej zwemp / zwömm; hie zwemp / zwömp; wie zwemp / zwömm; ik heb ezwömm , zwemmen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zwemmen , zwemmen , werkwoord , 1. zich met zwemslagen voortbewegen 2. geheel omgeven zijn met 3. opzetten (van de lucht)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwemmen , zwimme , zwemmen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zwemmen , zwumme , zwumtj, zwóm, gezwómme , zwemmen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zwemmen , zwèmme , sterk werkwoord , zwemmen; Dirk Boutkan (1996) - zwèmme - zwóm - gezwómme
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zwemmen , zwumme , zwóm – gezwómme , zwemmen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut