elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zweet 

zweet , zweet , (onzijdig) , zweet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zweet , swijt , zwijt , zweet; in ’t swijt zitten = in angst en zorg verkeeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zweet , zweet , zwiet , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast zwiet. Zie de wdbb. || ’Et zwiet parelt ’em op zen voorhoofd. – Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. ook NAUTA, Aant. op Bredero, § 23. ß .
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zweet  , zweit , zweet.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zweet , sweit , zelfstandig naamwoord ’t , Zweet, in de zegswijze ’t luie sweit komt er uit, schertsend opgemerkt als iemand hevig transpireert als gevolg van het (zware) werk. Verkleinvorm sweitje, in de zegswijze ’n sweitje hale, transpireren ten gevolge van het werk of ten gevolge van warm weer. – ’t Sweitje d’r uit hewwe, bezweet en doodmoe zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zweet , zwieët , zweet.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
zweet , zwêêt , zelfstandig naamwoord , zweet. Zegswijze: Luij zwêêt is gaaw gerêêd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zweet , zwiet , zweet, zweeit, zweit, zwait , het , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook zweet (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), zweeit (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), zweit (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), zwait (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = zweet Het zweit leup hum bie de kop langs (Bco), Za’k joe de pokkel in het zwiet jagen? dreigende opmerking (Klv), Een pièerd in het zwiet jagen opjagen (Dwi), Aj nat van zweeit bint, moej oppassen daj gien tocht vat (Eex), Ik trappe mij in het zwiet moet hard trappen (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zweet , zwéét , zweet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zweet , zweet , zweet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zweet , zwiet , zweet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zweet , zwit , zweet , Wa kan dieje mèns toch zwiite, héij zwit van niks zit'tie, 't zwiit lup'ter ók af. Wat kan die man toch zweten, hij zweet om niets zegt hij, het zweet loopt er ook af.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zweet , zwiet , zweet , zelfstandig naamwoord , et; zweet, transpiratie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zweet , zwêêt , zelfstandig naamwoord , zweet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zweet , zwiejet , zweet
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zweet , zwiit , zweet
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
zweet , zweit , (mannelijk) , zweet , Det haet zweit gekostj. De zweit briktj mich oet. Luie zweit.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zweet , zwêet , zelfstandig naamwoord , zweet; MP gez. Lui zwêet is gaa gerêed. WBD 'zweetbant' (II:l386) - zweetband (in een pet); WBD III. 1. 4:393 'kaal zweet' = kouwe drukte; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zwêêt zn — zweet; Luij zwêêt is gaaw gerêêd.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zweet , zweet , kom zweet; kop koffie
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
zweet , zweit , zweet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut