elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zuiden 

zuiden , zûen , zuiden.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
zuiden , zü̂̂den , zuiden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zuiden  , züje , zuiden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zuiden , zuudn , zelfstandig naamwoord , zuiden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zuiden , zuien , zelfstandig naamwoord , in de combinatie uiten zuien, uit het zuiden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zuiden , zuden , het , zuiden De zun steeit in het zuden, het is middag (Eex), Wij hebt de glazen op het zuden (Sle), Kinder binnen naor het zuden zuidelijke streken (Vtm), De wiend dreeide naor het zuden (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zuiden , zuijen , zuiden. ’t zuijen, het zuiden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zuiden , zuden , zuiden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zuiden , zuujn , zuiden.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zuiden , zuden , zelfstandig naamwoord , et 1. zuiden, i.t.t. het noorden, vooral: de zuidelijke richting 2. zuidelijk deel van een gebied
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zuiden , zuie , zelfstandig naamwoord , zuiden; Aste reege komt uit ‘t zuie betekent ‘t datte lente añ kom kruie Regen bij een zuidenwind wordt vaak gevolgd door zacht weer in het voorjaar
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zuiden , zùìje , zuiden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zuiden , zuden , (zelfstandig naamwoord) , zuiden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zuiden , zuide , (onzijdig) , zuiden , Hae wirkdje in’t zuide.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zuiden , zuije , zelfstandig naamwoord , "zuiden; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'het Zuijen'; Salut, lieve nesjes, adjuus, adé!; naor et Zuien toe zulleme vliege!  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Zwaolleme’, 1941); Vaderland, et roomse Zuien; zal oe stil z'n trouw beduien; Brabants volk en Brabants gouw; wappert dapper rood-wit-blauw. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Rood-Wit-Blauw’, 1941); zingt in 't donkere Zuie, waor de Roomse klokke luie (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘Inleiding’, 1949); 't brave volk van 't donkere Zuien, recht ten hemel, onverveerd. (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘De Sint Jan’, 1949); ""Mister ik wô oe es iets vraoge:/ wörrom vliegt den ooievaor/ ast en bietje koud gao worre/ nòr et Zuije ieder jaor?"" (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wörom doen ze dè) [voor het antwoord zie wèèd]; ... as irste stad int Zuije... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: We han nòg meer)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zuiden , zuije , zuiden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut