elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zover 

zover  , zoëvaer , zoover.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zover , zover , bijwoord , zover Zover wil ik noe ok weer nich gaon (Bov), Zij bunt noch nich zover (Bco), Tot zover kan ik je wal begriepen, mar dan he’k er mute met (Oos), In zoverre bin ik het met je iens (Sle), ...heb ik geliek (Ruw), ....weet wij der niks van tot zover (Gas), Veur zover wij het bekieken kunt, hew genog (Gro), z. ook zowied
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zover , zoveer , zoeveer, zovere , bijwoord , 1. tot een bep. punt, over een bep. afstand 2. klaar, gereed; Bi’j’ zoveer? ben je gereed, Et is zoveer dat wat verwacht, gevreesd werd, gebeurt nu
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zover , zoveer , zoeveer , onderschikkend voegwoord , zover
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zover , zovärre , (bijwoord) , zover. Zie ook: zowied.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut