elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zoveel 

zoveel , zoovölle , zooveel, wordt zeer overtollig gebezigd. In plaats van: mijn vader, zegt men: dat zoovölle als mien vader is (of was, als hij dood is) enz.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
zoveel , zooveul , (zooveel), als stopwoord, bv. in: “da’k zooveul as dij zoaterdagoavend komen wol.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zoveel  , zoëvuel , zooveel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zoveel , zoovulle , onbepaald voornaamwoord , zoveel. Zoovuls te betr, zoveel te beter
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zoveel , zovvel , zoveel; zovvel as zoveel als, om zo te zeggen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zoveel , zôvul , bijwoord en telwoord , Variant van zoveel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zoveel , zovölle , zoveel; * hi hef zovölle geld as ’n kikker veren: hij is platzak.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zoveel , zoveul , onbepaald hoofdtelwoord, bijwoord , zoveel Aj zoveul hoender hebt, moej nogal wat vervoren (Oos), (...) lachte wat veur hum hen, mar dachte zoveuls te meer (po), Zoveul te harder aj leert, zoveul te meer weit ie (Bov), (fig.) Wij doet er zoveul bij gaan eveneens naar bed (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zoveel , zoveul , zoveel
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zoveel , zovule , zoevule, zoevuul, zoveul, zoveule, zovuust , onbepaald hoofdtelwoord , 1. ter uitdrukking van een onbep. aantal dat bekend is of bekend wordt verondersteld 2. gezegd om aan te geven dat het precieze aantal, de omvang enz. er niet toe doet of niet bekend is; veur gien nog zovule hoe dan ook niet, voor geen geld ter wereld 3. veel, in de uitgedrukte mate, bijv. D’r is niet meer zovule wark 4. van de uitgedrukte aard, kwaliteit, bijv. Da’s zovuust te zeggen: et kan je mitlopen en ’t kan je ok tegenlopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zoveel , zovule , zoevuul, zoevule , onderschikkend voegwoord , voor zover, naar, bijv. Zovule as wi’j d’r van weten (…)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zoveel , zovule , zoveul, zoevuul, zoevule , bijwoord , des (te)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zoveel , zôôveuls , voegwoord , des Help hum maor gauw, zôôveuls te eerder istie weg Help hem maar gauw, des te eerder is hij weg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zoveel , zôveul , zoveel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zoveel , zôveulès , zo iets
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zoveel , zovölle , (telwoord, bijwoord) , zoveel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zoveel , zuvul , zoveel , hedde gij zuvul geld? = heb jij zoveel geld?-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zoveel , zuvvel , zeveul , zoveel , Zuvvel mùlders hék nog nojt bèij mekaâr gezien. Zoveel meikevers heb ik nog nooit bij elkaar gezien., Ik doej zeveul ik kan. Ik doe zoveel ik kan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zoveel , zoeaväöl , zoveel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zoveel , zoveul , telwoord, bijvoeglijk naamwoord , zoveel; Pierre van Beek - zó veul as - zoveel als, zogezegd; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij ha zóveul as ge meej bei oew haande in oew gat kunt gôoje (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) hij had niets (de kunstgreep is namelijk onmogelijk); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ZO VEEL ALS (zo veul ès) bijwoord  uitdr., een gesproken aanhalingsteken; zogenaamd, zullen we maar zeggen (zie blz. 49-52); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOOVEUL bw - zooveel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zoveel , zóvuuel , zoveel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut