elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zootje

zootje , zoodje , verkleinwoord van: zoo, zooi; minachtend zegt men van een gezelschap, van een huisgezin, enz. dat geen besten naam heeft: ’t is ’n zoodje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zootje , zootje , uitvaagsel. Ein zootje visch, een portie visch.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zootje , zoôt ,  zoôtje , zelfstandig naamwoord de , Zooi, massa, rotzooi. Vgl. Fries soa, Middelnederlands sode ‘kooksel’. Het woord is een afleiding van zieden = koken. Zie het N.E.W. onder zode 1. Zegswijze ’n zoôt laad je op ’n boerewagen, reactie op het gebruik van ‘zoót’, met name als men veel eten wil opgeschept krijgen. Zegswijze loup nei je zoôtje, hoepel op. Eigenlijk loop naar je familie, naar je eigen (minderwaardig) soort. – Al deêl je ’n hêle houp deur ’n pittig beetje, den hou je evegoed nag puur zô’n zoôtje over, Westfriese scherts-deelsom. In de zegswijze mit z’n zoôtjese(n), met z’n allen, met de hele bende. | We benne mit z’n zoôtjese(n) te kermis gaan. Beter weelde allien as armoed mit z’n zoôdjesen (W.F.O.N. 7, 166).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zootje , zoogien , zootje, zootie , het , zoogies , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook zootje (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), zootie (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied in bet. 4.) = 1. zootje, rommeltje Ha, wat is het daor aaid een zoogie bij hoes (Eex), Het was daor een aarmeliek zoogie (Vri), Dat volk, dat is een zoogie (Exl), Laot ze het heile zoogien mor opblaozen (Wtv), Met dat zoogie bemuien wij oes niet (Bor), Wat is dat een allerhaand zoogie rommeltje door elkaar (Geb) 2. hoeveelheid Neemt ons een zoogien riesbokkens mit van de markt (Eli), Hie har der nog een zoogien boeken liggen (Sle) 3. groep, bende Het hiele zoogien kwam er an groep (Hgv), Die kriegen dat hiele zoogie op dak (Schn) 4. (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), in veur het zootje holden voor de gek Hij holt elk en aine veur het zootje (Vtm), z. ook zooi
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zootje , zeugien , zootje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zootje , zeuchien , zootje (vis).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zootje , zeugien , zelfstandig naamwoord , et 1. zootje (vis) 2. schorremorrie, tuig, ook zooigien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zootje , zooigien , zooi, zoodsje , zelfstandig naamwoord , et 1. zootje, janboel, ook gezegd van een groep asociale lieden 2. flinke hoeveelheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zootje , zoochie , zelfstandig naamwoord , zoochies , 1. maaltje Een zoochie errepels, pere, of vis 2. zootje, troep, bende ’t Is me daer een zoochie, alles leg grieks en dwars deur mekaor Het is me daar een bende, alles ligt schots en scheef door elkaar; zoochies loon in natura bij het aardappels rooien (er werd bijvoorbeeld 25 cent per mud (hectoliter) betaald met daarenboven het 10e, 11e of 12e mud voor de rooier (den delvert), al naar gelang de afspraak. Naast het loon verdiende de rooier zodoende zijn wintervoorraad aardappelen. Dit gebruik verdween bij de komst van de CAO’s
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zootje , zeugien , (zelfstandig naamwoord) , zooitje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zootje , zeuike , zootje , un zeuike boeôôine
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zootje , ut is er altijd un zeuike , het is er altijd een rommeltje
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zootje , zoojtje , allegaartje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut