elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zo 

zo , zo , Van zo, van zelven.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
zo , zóó , voor: nog maar een oogenblik geleden, zoo pas; zij bin zóó komen; zij gaan zóó weg; ’t kookt zóó; ’t is zóó tien uur. Zie ook: en zoo.
zoo en zoo = dat is de toedracht der zaak; hij vroug mie d’r noa en dou zee ’k hom, zoo en zoo, dat is ik vertelde hem wat ik er van wist.
zóó of zóó = zóó zóó = op ’t punt staan, er om dingen; ’t was zóó of zóó of hij was verdronken = ’t stōn zóó zóó (= ’t was t’r bie of = ’t kon niks meer lieden) = het stond op zijn kant.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zo , zoo , zeu , zie: zookwellên.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zo , zóó , in uitroepen: zóó is ’t!, zóó is ’t moar!, zóó is (zóó’s) ’t moar nét! = juist! zoo denk ik er ook over.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zo  , zoë , dermate, zulke.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zo , zoo , bijwoord , 1 zo, zodanig, 2 zo meteen. Zoo te zeg’ng, zogezegd; zoo of zoo, op ’t kantje af; zoo wat hen, zulk soort dingen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zo , zoo , voegwoord , zoals. Doot zoo’j doot, mer ik krieg’oe, je kunt doen wat je wilt, maar ik krijg je wel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zo , zo , soms: nadrukkelijk (ik har die 't nog zó zegd)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zo , zo , tussenwerpsel, bijwoord , , voegw. = 1. zo Wij hebt al zo lang ewaacht (Dwi), Het komp zo iniens opzetten (Flu), Hij stund zo iniens veur de deure (Zdw) 2. tw. Zo, hej non je zin? (Wee), Zo, bust er ok weer? (Bov) 3. op die manier Ik heb het zo niet bedoeld (Ker), Dat heb ik ook zo dat ben ik met je eens (Rui) 4. spoedig Der kan zo vörst komen (Koe), Aj de hond een stukkie metworst veurholdt, bi’j het zo kwiet (Eev), Het kan zo gebeurd weden (Bui), Hie kan er zo weer wezen (Gas) 5. zonder meer Ik kan je zo dreei jongens opnumen, die Jan heet (Anl) 6. zoveel (Zuidoost-Drents zandgebied) Der is zo’n volk hengaon (Sle) 7. zoiets Het liekt hier wel kermis of zo (Die) 8. met mor in zinnen als Het is niet zo mor hen (Hijk), ...zo mar wat hen zomaar wat (Hgv), Hij zeer maor zo wat hen praatte maar wat (Bei), Het was zo mar wat hen stelde niet veel voor (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zo , , zóó , zo. ze dinne zô gek, ze gedroegen zich zo vreemd. dè moette zóó doén, dat moet je zo doen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zo , zo , zelfstandig naamwoord , 1. zooi; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie zooie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zo , zo , bijwoord , zo
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zo , zo , zoe , bijwoord , 1. zo 2. aanstonds, dadelijk 3. zo maar 4. nadrukkelijk, bijv. Ik had et nog zo zegd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zo , zo , onderschikkend voegwoord , 1. zoals 2. naar, overeenkomstig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zo , zo , tussenwerpsel , (om verbazing uit te drukken) zo, toe maar!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zo , zôô , bijwoord , zo ’t Is maor zôô-zôô met z’n gezondhaaid Het is niet erg goed gesteld met zijn gezondheid (meestal gepaard gaande met een draaiende beweging van de hand)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zo , zoewe , zo, zometeen, straks
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zo , zoo , zu, zoowzoow , 1. zo meteen, op die manier; 2. zoals, zo , Ik kom zoo. Ik kom zo meteen., Zoo kan dè nie. Op die manier kan dat niet., Zu gezeed, zu gedòn. Zo gezegd, zo gedaan., Zoo, dè’s dè. Zo, dat is dat., Hoe zoow? Hoe zo?, Oow zoow Koows! O zo Koos!, Zoo de èèw zónge, zoo piejpe de jónge. Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen., Zoo nie, dan nie! Zo niet, dan niet!, ’t Is mèr zoowzoow! Het is maar zozo! matig, niet zo goed
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zo , zods , grote hoeveelheid (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zo , zoea , zo , Zoea ein = zoea'n, zoean = zo'n. Zoea eine = zoea 'ne = zo'n. Zoea groeat is 't kindje! Zoean groeat hoes. Zoea'ne groeate jóng.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zo , sôh! , sôh hé! , zo hé! Een veel gebruikte uitroep, vaak van verbazing of verrukking, aan het eind van een zin. Het wordt op lage toon langgerekt uitgesproken en lijkt op het Engelse saw; sôh hé, da’s hasjtikke jenk, hé!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
zo , zôo , zo , bijwoord , zo; gauw, meteen; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Wè stoa de doar zoo te schreuwe? - Wat staat gij daar zoo te schreien?; eufemisme voor ‘in verwachting’; Cees Robben – Twee platte kender... en naa wir zôô... (19680322); Cees Robben – Ik hoef er mar meej m’n pet naor te zwaaie en ’t is wir zôô, dokter... (19700612); Cees Robben – Zôô, is’t mee oew meske al zôô ver... (19810710); Hij zo zôo zon ding kunne maoken. - Hij zou in korte tijd zo'n ding ... Cees Robben – Zô wè van m’n eigen, bekaant de sigaar... Bijna flauwgevallen, bijna dood. (19540403); Henk van Rijen - zoj zi, zaj zuuke - zoals hij zei, zal hij zoeken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zo , zoeë , zo
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut